Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om zijn auto weg te slepen vanwege fout parkeren op 13 juli 2024. Het college handhaafde het besluit en eiser stelde beroep in bij de rechtbank Amsterdam.
De rechtbank oordeelde dat de feitelijke situatie ter plekke bepalend is en dat het verkeersbord E6 met onderbord voldoende duidelijk was. Eiser kon weten dat hij op een verboden plek parkeerde, ook al had hij het bord niet gezien vanwege de rijrichting en de recente plaatsing van het bord.
Hoewel de rechtbank begrip had voor de situatie van eiser, vond zij dat eiser een verwijt kan worden gemaakt omdat van een verkeersdeelnemer wordt verwacht verkeersborden op te merken en de parkeersituatie te beoordelen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het kostenverhaal onredelijk maken.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg het griffierecht niet terug. De uitspraak werd op 8 oktober 2025 mondeling gedaan door rechter S.D. Arnold.