ECLI:NL:RBAMS:2025:7592

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
25/5219 en 25/4612
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor taxichauffeur door de Minister van Justitie en Veiligheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam op 15 oktober 2025, met zaaknummers 25/5219 en 25/4612, wordt de afwijzing van de aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) door de Minister van Justitie en Veiligheid behandeld. Eiser, een taxichauffeur, heeft zijn aanvraag voor een VOG ingediend, maar deze is afgewezen op basis van justitiële antecedenten die binnen de terugkijktermijn van vijf jaar zijn geregistreerd. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat de afwijzing gerechtvaardigd was, zowel op basis van het objectieve als het subjectieve criterium zoals vastgelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.

De rechtbank stelt vast dat eiser in de afgelopen vijf jaar meerdere verkeersfeiten heeft gepleegd, waaronder overtredingen van de maximumsnelheid en het niet naleven van de Taxiverordening Amsterdam. Deze feiten zijn van zodanige aard dat zij een risico voor de samenleving vormen en daarmee een belemmering voor de uitoefening van de functie van taxichauffeur. Eiser heeft aangevoerd dat zijn overtredingen lichte vergrijpen zijn en dat hij inmiddels op de goede weg is, maar de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de belangen van de verkeersveiligheid zwaarder wegen dan de persoonlijke situatie van eiser.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen griffierecht terug en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend. Deze uitspraak benadrukt de strikte toepassing van de criteria voor het verlenen van een VOG, vooral in sectoren waar de veiligheid van de samenleving in het geding is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/5219 en AMS 25/4613
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 oktober 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Azauiyat),
en

de Minister van Justitie en Veiligheid, de minister

(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter/de rechtbank (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eisers aanvraag voor een VOG mocht afwijzen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
2.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft op 21 oktober 2024 een VOG aangevraagd voor een chauffeurskaart bij [bedrijf] in [vestigingsplaats] .
3.1.
De minister heeft onderzoek gedaan naar de justitiële documentatie van eiser. De aanvraag is afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard, omdat binnen de terugkijktermijn van vijf jaar in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) de volgende feiten zijn geregistreerd:
  • Eiser is op 11 februari 2025 veroordeeld wegens het overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 62 jo. bord Al Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden. Daarnaast is eiser veroordeeld tot een geldboete van € 530,- subsidiair 10 dagen hechtenis waarvan € 230,- subsidiair 4 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze uitspraak is nog niet onherroepelijk;
  • Eiser is op 11 februari 2025 veroordeeld wegens het overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 62 jo. bord Al Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden. Daarnaast is eiser veroordeeld tot een geldboete van C 700,- subsidiair 14 dagen hechtenis waarvan € 300,- subsidiair 6 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze uitspraak is nog niet onherroepelijk;
  • Bij strafbeschikking van 5 juni 2024 is aan eiser een geldboete opgelegd van € 360,- wegens het overtreden van artikel 2.3, eerste lid (artikel 2.3, eerste lid, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende taxi's Taxiverordening Amsterdam 2012). Tegen deze strafbeschikking heeft eiser op 8 augustus 2024 verzet ingesteld;
  • Bij strafbeschikking van TJ november 2023 is aan eiser een geldboete opgelegd van € 360,- wegens het overtreden van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (artikel 16, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten).
  • Bij strafbeschikking van 18 oktober 2023 is aan eiser een geldboete opgelegd van
€ 419,- wegens overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 20 ahf/ond a Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990);
- Bij strafbeschikking van 21 augustus 2023 is aan eiser een geldboete opgelegd van
€ 360,- wegens het overtreden van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
4. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de Beleidsregels). In de Beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het JDS de minister aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt de minister of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt de minister, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG moet worden afgegeven. Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerdergenoemde risico voor de samenleving. Als dat zo is, wordt de VOG afgegeven, ook al wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de toepassing van het subjectieve criterium worden als relevante omstandigheden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel voor de taxibranche; chauffeurskaart.
Het objectieve criterium
5. Eiser voert aan dat de gegevens uit het JDS onvoldoende aanleiding geven om te spreken van een risico voor de samenleving. Volgens eiser is er sprake van lichte vergrijpen en afdoeningen. Ook is de veroordeling van 11 februari 2025 nog niet onherroepelijk geworden en moet deze daarom buiten beschouwing blijven. De overtredingen hebben zich twee jaar geleden afgespeeld. Er is geen sprake van herhaling en de overtredingen zijn slechts eenmaal door eiser gepleegd. Daarnaast wil eiser benadrukken dat hij ten tijde van de overtredingen van de bepalingen van de Taxiverordening nog maar zeer kort als taxichauffeur werkzaam was. Deze overtredingen moeten worden aangemerkt als beginnersfouten en inmiddels is eiser op de hoogte van alle relevante wet- en regelgeving. Volgens eiser vormen de relatie tussen de antecedenten en het bekleden van de functie als taxichauffeur geen belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie. Ten overvloede voert eiser aan dat hij zich nooit schuldig heeft gemaakt aan ernstige delictsgedragingen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat aan het objectieve criterium is voldaan. Binnen de terugkijktermijn van vijf jaar zijn er ten aanzien van eiser zes feiten geregistreerd in het JDS. Eiser is drie keer met justitie in aanraking gekomen wegens het overtreden van de maximumsnelheid. Hierbij zijn verschillende geldboetes opgelegd en heeft eiser meerdere ontzeggingen van de bevoegdheid motorrijtuigen (OBM) te besturen gehad alsmede twee keer een proeftijd. Dit zijn geen lichte straffen. Het gaat hier bovendien om verkeersfeiten die, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur, waarvoor eiser de VOG heeft aangevraagd. Het maakt niet uit of de strafbare feiten zijn gepleegd tijdens het werk of privé. Dat staat in paragraaf 3 van de Beleidsregels. Aan het objectieve criterium wordt dan ook voldaan.
Het subjectieve criterium
6. Eiser voert – kort samengevat – aan dat alle delictsgedragingen hebben plaatsgevonden in een moeilijke fase van zijn leven en tijdens zijn jeugdige leeftijd. Eiser kon de consequenties van zijn handelen niet goed overzien. Eiser had geen toekomstperspectief. Ook is volgens eiser onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat zijn antecedenten merendeels overtredingen en lichte vergrijpen van administratieve aard zijn, die allen met een geldboete zijn afgedaan. Inmiddels laat eiser een vooruitgang en levensverbetering zien. Hij is getrouwd en heeft een kind. Zonder VOG kan eiser geen inkomsten genereren.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ook voldoende heeft gemotiveerd dat aan het subjectieve criterium wordt voldaan. De minister heeft alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging betrokken, ook de nog tamelijk jeugdige leeftijd ten tijde van het begaan van de strafbare feiten buiten de terugkijktermijn. De minister heeft hierbij ook in aanmerking kunnen nemen dat eiser ten tijde van de feiten en de veroordelingen binnen de terugkijktermijn niet meer heel jeugdig was. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, waaronder de feiten die zijn gepleegd, laten onverlet dat het hier om in totaal zes verkeersfeiten gaat binnen de terugkijktermijn. Afgelopen februari 2025 heeft eiser nog twee keer een OBM en een proeftijd gekregen. Ook heeft de minister mogen meewegen dat er nog maar een kort tijdsverloop is sinds de laatste keer dat eiser met justitie in aanraking is gekomen, dit is namelijk slechts twee maanden voor de aanvraag. De minister heeft zich gelet op alle feiten en omstandigheden niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De minister heeft namelijk in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat de persoonlijke belangen van eiser bij de afgifte van de VOG minder zwaar wegen dan het algemeen belang van de verkeersveiligheid. Ook aan het subjectieve criterium wordt daarom voldaan.
6.2.
De rechtbank heeft begrip voor de belangen van eiser bij de afgifte van de VOG en voor het feit dat hij graag weer wil werken. De rechtbank moedigt eiser aan om te blijven solliciteren. Het is ook positief dat eiser op het goede pad is en gemotiveerd is om aan zijn toekomst wil werken. De minister heeft echter wel in redelijkheid de bescherming van de samenleving op dit moment belangrijker kunnen vinden dan de persoonlijke situatie van eiser.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de VOG-aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.