ECLI:NL:RBAMS:2025:7618

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 september 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
11748138 \ CV EXPL 25-8281
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • J.H. Evers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 140 lid 3 RvArt. 555 RvArt. 444 RvRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en ontruiming wegens huurachterstand van woonruimte

Rijsterborgh Vastgoed verhuurt sinds 1 oktober 2022 een woning aan vader, zoon en moeder, waarbij moeder van rechtswege medehuurder is. De huur bedraagt €3.004,80 per maand, vooruitbetaald. Er is een aanzienlijke huurachterstand ontstaan, die door Rijsterborgh is gemeld bij de gemeente en waarvoor zij betaling vordert.

Gedaagden voeren aan dat de vader, die de huur betaalde, is vertrokken vanwege een echtscheiding en de achterstand is ontstaan doordat moeder en zoon niet op de hoogte waren van het niet betalen. Zoon is recent ondernemer en kan de lopende huur betalen, maar de achterstand is fors en kan niet snel worden ingelost. Alimentatiebetalingen van vader blijven uit.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand een tekortkoming is die recht geeft op ontbinding van de huurovereenkomst. Het belang van Rijsterborgh bij ontbinding weegt zwaarder dan het belang van moeder en zoon bij behoud van de woning. De ontbinding wordt uitgesproken, ontruiming vastgesteld op 30 november 2025, en gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, lopende huur en proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagden veroordeeld tot ontruiming en betaling van de huurachterstand met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11748138 \ CV EXPL 25-8281
Vonnis van 18 september 2025
in de zaak van
RIJSTERBORGH VASTGOED B.V.,
gevestigd te [woonplaats 2] ,
eisende partij,
hierna te noemen: Rijsterborgh,
gemachtigde: Geerlings & Hofstede,
tegen

1.[de vader] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
niet verschenen,
2.
[de zoon],
wonende te [woonplaats 2] ,
gemachtigde: mr. R.M. Berendsen,
3.
[de moeder],
wonende te [woonplaats 2] ,
gemachtigde: mr. R.M. Berendsen,
gedaagde partijen,
Hieronder zal gedaagde sub 1 worden aangeduid als vader. Gedaagde sub 2 als zoon en gedaagde sub 3 als moeder. Gezamenlijk zullen zij worden aangeduid als [gedaagden]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juli 2025;
- de e-mail van 7 augustus 2025 van Rijsterborgh met een specificatie van de vordering;
- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Op de mondelinge behandeling is namens Rijsterborgh verschenen, [naam] van Geerlings & Hofstede. Verder zijn verschenen moeder en zoon, bijgestaan door hun gemachtigde.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Rijsterborgh verhuurt met ingang van 1 oktober 2022 aan [gedaagden] de woning aan het adres [adres] . De huurovereenkomst is gesloten met vader en zoon. Moeder is van rechtswege medehuurder.
2.2.
De huur bedraagt € 3.004,80 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte, ROZ, versie 20 maart 2017, van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden).
2.3.
In de betaling van de huur is een achterstand ontstaan. Rijsterborgh heeft [gedaagden] gemaand tot voldoening van die achterstand.

3.Het geschil

3.1.
Rijsterborgh vordert – kort gezegd – de ontbinding van de huurovereenkomst en (de hoofdelijke) veroordeling van [gedaagden] tot ontruiming van het gehuurde, alsmede de betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Rijsterborgh legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagden] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door een huurachterstand te laten ontstaan. Rijsterborgh heeft recht op betaling van de achterstallige huurtermijnen en zij heeft, gelet op de hoogte van de ontstane achterstand, recht op en belang bij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
3.3.
Moeder en zoon voeren verweer. De huur werd altijd betaald door vader, maar vader en moeder liggen in echtscheiding en vader is uit de woning vertrokken. Doordat vader de huur niet meer betaalde en moeder en zoon daar niet van op de hoogte waren, is de achterstand ontstaan. Zoon heeft kort geleden een eigen bedrijf opgericht en kan met die inkomsten de lopende huur voldoen. Het is nog niet gelukt om de achterstand in te lopen. Moeder en zoon hebben recht op alimentatie van vader, maar dat betaalt hij niet. Ze zijn op zoek naar een andere woning en hebben tot die tijd belang bij behoud van het gehuurde.

4.De beoordeling

Vonnis op tegenspraak
4.1.
Omdat gedaagde sub 2 en 3 wel in de procedure zijn verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tussen partijen een vonnis op tegenspraak gewezen.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
4.2.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.3.
Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
4.4.
In de artikelen 5.2 van de huurovereenkomst en 16 van de algemene voorwaarden staat een huurprijswijzigingsbeding dat bestaat uit een mogelijkheid tot indexatie van de huurprijs met daarnaast een opslagbeding. Rijsterborgh heeft de huur enkel geïndexeerd, zodat slechts het indexatiebeding aan de vordering ten grondslag ligt. Het indexatiebeding wordt niet oneerlijk bevonden.
Huurachterstand
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagden] als huurder gehouden is de huur te betalen. Op het moment van dagvaarden, te weten 11 juni 2025, bedroeg de huurachterstand € 21.012,21. Uit het nadien door Rijsterborgh overgelegde overzicht volgt dat de huurachterstand tot en met augustus 2025 € 20.890,58 bedraagt. Moeder en zoon hebben dit niet weersproken zodat de hoogte van de huurachterstand is komen vast te staan. De vordering tot betaling van de huurachterstand is in zoverre toewijsbaar.
Ontbinding en ontruiming
4.6.
Ingevolge het eerste lid van artikel 6:265 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij, in geval van huur aan de kantonrechter, de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De hoofdregel en de tenzij-bepaling brengen tezamen de rechtsregel tot uitdrukking dat, kort gezegd, slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op ontbinding van de overeenkomst. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd zal zijn, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Per 1 januari 2021 zijn verhuurders op grond van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening tevens verplicht om bij de gemeente melding te doen van een huurachterstand.
4.7.
Rijsterborgh heeft op 12 november 2024 de huurachterstand gemeld bij de gemeente. Daarmee heeft zij voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.8.
Door een huurachterstand te laten ontstaan is [gedaagden] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens Rijsterborgh om de huur te voldoen. Moeder en zoon willen in de woning blijven wonen en hebben daarmee een beroep gedaan op de hiervoor bedoelde “tenzij-situatie” en aldus aangevoerd dat de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dit standpunt volgt de kantonrechter niet. Hoewel evident is dat moeder en zoon een groot belang hebben bij het behoud van de woning, dient dit belang te wijken voor het belang van Rijsterborgh. Zoon betaalt weliswaar de lopende huur, maar de achterstand bedraagt bijna zeven maanden wat zeer fors is. Bovendien betaalt zoon de lopende huur met inkomsten uit zijn eigen bedrijf dat hij nog maar sinds kort heeft opgezet. Het is daardoor onzeker of hij de lopende huur, die aanzienlijk is, kan blijven voldoen. Daarbij komt dat de achterstand niet op korte termijn kan worden ingelost. Ter zitting heeft zoon toegezegd maandelijks € 1.000,00 te zullen aflossen, maar ook dan duurt het nog 20 maanden voordat de achterstand volledig zou zijn ingelost. Verder bestaat er geen concreet zicht op de alimentatie waarvan moeder en zoon stellen dat zij daar recht op hebben. Ter zitting hebben zij verklaard dat er weinig tot geen verhaalsmogelijkheden zijn op vader. Dat moeder en zoon op andere wijze de achterstand kunnen inlopen is gesteld noch gebleken. Van Rijsterborgh kan niet worden gevergd een huurovereenkomst met een huurder voort te zetten die een dusdanige forse huurachterstand heeft. De belangen van Rijsterborgh wegen daardoor zwaarder.
4.9.
Gelet op het voorgaande heeft Rijsterborgh een gerechtvaardigd belang bij de ontbinding van de huurovereenkomst. De vordering tot ontbinding en ontruiming is dan ook toewijsbaar. De kantonrechter stelt de ontruimingsdatum vast op 30 november 2025, zodat moeder en zoon meer tijd hebben om vervangende woonruimte te vinden.
Overige beslispunten
4.10.
Rijsterborgh vordert wettelijke rente te rekenen vanaf 11 juni 2025 over de huurachterstand berekend ten tijde van de dagvaarding ter hoogte van € 21.012,21. Deze vordering is als onbetwist toewijsbaar, waarbij uiteraard rekening moet worden gehouden met de nadien gedane betalingen.
4.11.
De gevorderde huur dan wel een gebruiksvergoeding vanaf september 2025 wordt toegewezen tot de dag van de daadwerkelijke ontruiming. Dat Rijsterborgh na die datum recht heeft op een vergoeding omdat zij schade lijdt, heeft zij onvoldoende onderbouwd.
4.12.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rijsterborgh worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
288,94
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.903,44
4.13.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagden] bevindt, uiterlijk op 30 november 2025 te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Rijsterborgh te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan Rijsterborgh:
a) € 20.890,58 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met augustus 2025, vermeerderd met de wettelijke rente over € 21.012,21 vanaf 11 juni 2025 tot de voldoening;
b) € 3.004,80 per maand vanaf september 2025 tot en met de dag van de daadwerkelijke ontruiming;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de kosten van het geding, aan de zijde van de Rijsterborgh tot aan deze uitspraak begroot op: € 2.903,44 voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Evers en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2025.
58984