5.1.Gelet op de toepassing van artikel 6:19 van de Awb, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser met het instellen van het beroep tegen het bestreden besluit I heeft gemaakt. Het door eiser betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het herziene besluit.
Inzake 25/1890 (bestreden besluit II)
6. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het beroep tegen het bestreden besluit II ingetrokken, omdat (ook) in deze procedure geen procesbelang meer bestaat tegen de afwijzing van een bijstandsuitkering gelet op het herziene besluit waarbij bijstand is toegekend aan eiser. Daarbij heeft de gemachtigde van eiser verzocht om verweerder in de proceskosten te veroordelen voor het indienen van het beroepschrift. De gemachtigde van verweerder heeft daarmee ingestemd.
Inzake 25/1883 en 25/2035 (het herziene besluit en bestreden besluit III)
7. Tussen partijen is in geschil of verweerder in redelijkheid kon overgaan tot het toepassen van een lagere bijstandsnorm wegens de woonsituatie van eiser. Zowel in het herziene besluit en in het bestreden besluit III heeft verweerder de lagere bijstandsnorm toegepast.
8. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte de bijstandsnorm heeft aangepast naar ‘zonder woonlasten’, omdat zijn kinderen deze betalen. Eiser heeft altijd geld moeten betalen voor zijn onderdak. Dat zoals in het verweerschrift staat vermeld: “in het dossier niet is terug te vinden dat het zou gaan om het voorschieten hiervan” is niet juist. De omstandigheid dat eiser te kennen heeft gegeven dat zijn kinderen de kosten van een hostel hebben betaald, betekent niet dat dit om niet heeft plaatsgevonden. Eiser heeft een tweetal bankafschriften overgelegd waaruit volgens eiser blijkt dat hij de ontvangen bedragen moet terugbetalen en reeds gedeeltelijk terugbetaald heeft. Voorts blijkt uit de in het dossier aanwezige bankafschriften dat de betalingen aan het hostel [naam] veelal door eiser zelf zijn gedaan. Eiser stelt dan ook dat hij wel woonlasten heeft gehad en dat deze zelfs hoger zijn uitgevallen dan wanneer hij een woning had gehad met de daarbij behorende kosten. In dat geval had eiser namelijk aanspraak kunnen maken op huurtoeslag. Eiser vindt dan ook dat hij recht had op de volledige bijstandsnorm over de gehele periode in geding.
9. In het verweerschrift heeft verweerder opgemerkt dat de grondslag voor de verlaging van de bijstandsnorm is gelegen in artikel 27 van de Pw.
10. Op grond van artikel 27 van de Pw heeft verweerder de bevoegdheid om de bijstandsnorm lager vast te stellen wanneer de betrokkene door zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning, lagere kosten heeft. Verweerder heeft daarop beleid gemaakt. Dat beleid houdt in dat wanneer de betrokkene geen woning heeft, een korting van 20% wordt toegepast. Wanneer aannemelijk is dat sprake is van maatschappelijke opvang, dan wordt een korting van 10% toegepast. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
11. De periode in geschil loopt van 5 april 2024 tot en met 9 januari 2025. Vanaf
10 januari 2025 ontvangt eiser een volledige bijstandsuitkering omdat eiser vanaf dat moment bij HVO Querido verblijft.
12. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen woning heeft. Wel is in geschil of eiser woonlasten heeft.
13. De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen woonlasten heeft omdat zijn kinderen de woonlasten betalen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nader toegelicht dat verweerder zich primair op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen woonlasten heeft omdat hij geen woning heeft, en subsidiair dat wanneer ervan moet worden uitgegaan dat eiser wel woonlasten heeft, dat eiser in dat geval niet heeft aangetoond dat hij deze kosten heeft gemaakt dan wel dat hij deze moet terugbetalen aan zijn kinderen. De gemachtigde van verweerder heeft vervolgens aangeboden om de bijstand ten aanzien van de maanden april en september 2024 te verhogen omdat er ten aanzien van deze twee maanden bewijsstukken in het dossier zitten van betalingen van woonlasten door eiser.
14. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de besluitvorming onduidelijk is. Uit de besluitvorming kan immers niet worden gehaald dat de bijstandsnorm is verlaagd omdat eiser geen woning aanhoudt, overeenkomstig artikel 27 van de Pw. Bovendien kon verweerder zich niet zonder nader onderzoek naar de woonlasten van eiser op het standpunt stellen dat de bijstandsnorm met 20% wordt verlaagd omdat eiser geen woning aanhoudt. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 53-54):
“Burgemeester en wethouders zijn niet verplicht een verlaging op grond van dit artikel toe te passen. Als burgemeester en wethouders wel gebruik willen maken van deze verlagingsmogelijkheid, is voor de toepassing daarvan doorslaggevend dat niet jegens een derde woonkosten verschuldigd zijn.
Afzonderlijke aandacht verdient de situatie van dak- en thuislozen. In de regel zullen zij geen kosten hebben voor het aanhouden van woonruimte. De intentie van artikel 27 is niet dat gemeenten kunnen volstaan met het verstrekken van een lager bedrag aan bijstand vanwege het enkele feit van het ontbreken van woonruimte. Daarmee zou het voorzieningenniveau voor deze kwetsbare groep tekortschieten. Het is aan de gemeenten om zorg te dragen voor een adequaat voorzieningenniveau voor dak- en thuislozen. Artikel 27 in combinatie met artikel 57 biedt daartoe de mogelijkheden. Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten maken voor dak- en thuislozenopvang. Dit dient bij de vaststelling van de uitkeringshoogte te worden betrokken.”
15. Nu verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de woonlasten van eiser en deze niet bij de vaststelling van de uitkeringshoogte heeft betrokken, bevatten de besluiten – nog los van het feit dat de grondslag en onderbouwing daarvan ontbreken in het bestreden besluit III en herziene besluit – zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken.
16. De rechtbank volgt eiser bovendien in zijn stelling dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat hij geen woonlasten heeft. Dit strookt ten eerste niet met het bestreden besluit III en het herziene besluit waarin verweerder zich op het standpunt stelt dat er wel woonlasten zijn, maar dat deze door de kinderen van eiser worden betaald en de kosten zich daarom niet voordoen. Ook blijken uit het dossier meerdere aanknopingspunten dat eiser kosten heeft moeten maken voor onderdak en dat hij hiervoor heeft moeten lenen. Zo blijkt uit de bankafschriften van eiser dat hij afschrijvingen heeft voor verblijf in een hostel en dat er facturen van een hostel in het dossier zitten. Uit de Focus-registratie blijkt dat eiser op 5 april 2024 aan de balie heeft verteld dat hij in een hostel verblijft met geleend geld. Uit de Rapportage van 10 april 2024 blijkt dat de kosten van verblijf in het hostel zijn betaald door zijn zoon tot 12 april en dat hij waarschijnlijk nog een week kan verblijven en dat zijn zoon of dochter deze kosten betaalt, dat hij veel hulp krijgt van familie en vrienden, dat hij veel geld heeft moeten lenen bij vrienden en dat hij hier geen verklaringen van heeft, omdat het in zijn cultuur een schande is. Ook blijkt hieruit dat de schuld ongeveer € 20.000,- bedraagt bij vrienden. Verder blijkt uit het aanvraagformulier van 25 juni 2024 dat eiser onder andere in een hostel verblijft en dat hij moet leven van giften en leningen van familie, vrienden en kinderen en dat de privéschulden oplopen. Uit Focus blijkt dat op 6 september 2024 eiser aan de balie is geweest en heeft verteld dat hij in een hostel verblijft en dat zijn kinderen dat betalen.
17. Verweerder heeft voorgaande niet onderkend, waardoor de besluiten ook op dit punt zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken bevatten. Het bestreden besluit III en het herziene besluit komen dan ook voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal hierna in het kader van finale geschilbeslechting onderzoeken of zij zelf in de zaak kan voorzien.
18. De rechtbank is op grond van de omstandigheden genoemd in overweging 16 van oordeel dat voldoende is gebleken dat eiser woonlasten had in de in geding zijnde periode. Anders dan verweerder meent, kan van eiser niet worden gevergd dat hij nu (nog) een sluitende administratie overlegt ten aanzien van al zijn overnachtingen destijds. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de besluitvorming ten aanzien van de bijstandsaanvragen van eiser niet goed is gegaan en achteraf vanaf de datum van de eerste aanvraag bijstand had moeten worden verleend. Op dat moment was het mogelijk om de woonlasten van eiser te onderzoeken, wat verweerder heeft nagelaten. Nu, ruim een jaar later, kan van eiser, gelet op het feit dat hij dakloos was en op verschillende plekken verbleef en gelet op het feit dat de gemachtigde ervan uitging dat de woonlasten niet ter discussie stonden naar aanleiding van de overwegingen in de besluitvorming, niet meer worden verlangd dat hij de woonlasten van elke maand nader onderbouwd. Dat het bewijs ten aanzien van de woonlasten nu niet meer kan worden gegeven, komt naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande voor risico van verweerder. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat aannemelijk is dat eiser woonlasten heeft gemaakt over de gehele in het geding zijnde periode waardoor de bijstand niet kon worden verlaagd op grond van artikel 27 van de Pw.