De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 oktober 2025 het verzoek tot overlevering van een persoon met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB betrof onder meer georganiseerde of gewapende diefstal, zaakbeschadiging en het teweegbrengen van een ontploffing.
De verdachte beriep zich op de garantie uit artikel 6, eerste lid, Overleveringswet (OLW), waarbij de strafuitvoering in Nederland zou moeten plaatsvinden. De Duitse autoriteiten hadden een terugkeergarantie afgegeven waarin was opgenomen dat de verdachte na veroordeling instemming moet geven voor overbrenging naar Nederland. De raadsman stelde dat deze voorwaarde de terugkeergarantie onvoldoende maakte en verzocht om weigering of aanhouding van de behandeling.
De officier van justitie en de rechtbank oordeelden dat het niet vereist is dat de artikelen 5 Kaderbesluit en 6 OLW expliciet in de terugkeergarantie worden genoemd. De voorwaarde in de garantie is in het voordeel van de verdachte en biedt hem de mogelijkheid zich later te bedenken. De rechtbank zag geen reden om vragen te stellen aan de Duitse autoriteiten en wees het verzoek tot aanhouding af.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en de overlevering daarom kan worden toegestaan. De uitspraak is onherroepelijk.