ECLI:NL:RBAMS:2025:7673

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
13-221475-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 311 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 oktober 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een verdachte die een straf van acht maanden moet uitzitten, waarvan nog zeven maanden en negenentwintig dagen openstaan.

Hoewel het EAB betrekking heeft op een vonnis waarbij de verdachte niet persoonlijk aanwezig was tijdens het proces, wat een weigeringsgrond vormt op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), besloot de rechtbank af te zien van het weigeren van overlevering. Dit omdat de verdachte tijdens het vooronderzoek een adres had opgegeven en op de hoogte was gesteld van zijn verplichtingen, maar niet op de oproep heeft gereageerd.

De rechtbank concludeerde dat de verdachte voldoende geïnformeerd was en dat het toestaan van de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten inhoudt. Daarnaast voldeed het EAB aan de formele eisen en was de strafbaarheid van het feit volgens Nederlands recht vastgesteld als diefstal door meerdere personen.

De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van een rechtsmiddel tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks de mogelijke weigeringsgrond uit artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-221475-25
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 12 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 februari 2024 door
the District Court in Wrocław, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court for Wrocław-Fabryczna in Wrocławvan 17 augustus 2018 met referentie II K 235/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en negenentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren om de volgende redenen. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek naar het feit waarvoor hij is veroordeeld, een adres heeft opgegeven. Dit heeft de opgeëiste persoon gedaan nadat hij een adresinstructie had ontvangen, waarbij hij onder meer is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid, is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Deze oproeping is, ondanks twee afhaalberichten, niet afgehaald. De rechtbank gaat gelet op het vertrouwensbeginsel uit van de informatie in het EAB. Het betoog van de raadsman dat de opgeëiste persoon niet bekend was met de procedure en dat onvoldoende duidelijk is naar welk adres de oproeping is verstuurd en hoe de adresinstructie is gegeven, leidt niet tot een ander oordeel. De opgeëiste persoon heeft geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de verstrekte informatie onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende.
De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was alsmede van de op hem rustende verplichting om bereikbaar te zijn voor de Poolse justitiële autoriteiten, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal;
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court in Wrocław, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.