ECLI:NL:RBAMS:2025:7681

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
17 oktober 2025
Zaaknummer
11627557
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 210 RvArt. 115 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming oproeping in vrijwaring en proceskostenveroordeling in civiele zaak over appartementsrecht

In deze civiele procedure vordert eiser betaling van €25.000 van gedaagde met betrekking tot een appartementsrecht. Gedaagde verzoekt in een incident om toestemming om een derde, die werkzaamheden aan een mandelige muur uitvoerde, in vrijwaring op te roepen. De kantonrechter beoordeelt dat de oproeping in vrijwaring tijdig en gegrond is, omdat gedaagde een rechtsverhouding met de derde stelt die een vrijwaringsplicht kan inhouden.

Hoewel de vrijwaring mogelijk enige vertraging in de hoofdprocedure veroorzaakt, acht de rechter deze niet onaanvaardbaar. Daarom wordt gedaagde toegestaan de derde in vrijwaring op te roepen met een oproeptermijn van vier weken, rekening houdend met betekening in het buitenland.

Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, begroot op €271,50. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling na conclusie van antwoord door gedaagde. Het vonnis is gewezen door kantonrechter J.T. Kruis en griffier N. Noordmans op 23 september 2025.

Uitkomst: Gedaagde mag derde in vrijwaring oproepen en eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11627557 \ CV EXPL 25-5259
Vonnis in incident van 23 september 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

wonende in [woonplaats 1] ,
2.
[eiser 2],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen (in enkelvoud) te noemen: [eiser] ,
gemachtigden: mr. F.A. Rippen en C.E. Dettmeijer-Vermeulen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 3] (Verenigde Staten van Amerika),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen (in enkelvoud) te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 25 maart 2025, met producties,
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met één productie,
- de conclusie van antwoord in het incident,
- het bericht van de griffier van 5 augustus 2025,
- het bericht van [eiser] van 15 augustus 2025,
- het bericht van de griffier van 26 augustus 2025.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten, voor zover van belang in het incident

2.1.
Op 30 juni 2023 heeft [eiser] van [gedaagde] het appartement aan de [adres 1] gekocht. Het pand aan de [locatie 1] bestaat uit een appartement op de begane grond ( [adres 1] ) en een bovenwoning op de eerste en tweede etage ( [adres 2] ). Het appartement [adres 1] is op 4 september 2023 door [gedaagde] aan [eiser] geleverd.
2.2.
Daarna is [eiser] bekend geworden met een aansprakelijkstelling van 2 augustus 2019 van de Vereniging van Eigenaars [naam VvE 1] (hierna: VvE [naam VvE 1] ) aan de Vereniging van Eigenaars [naam VvE 2] (hierna: VvE [naam VvE 2] ). De aansprakelijkstelling heeft betrekking op schade als gevolg van, kort gezegd, werkzaamheden aan de mandelige bouwmuur tussen beide panden die zijn uitgevoerd door de toenmalige bewoner van de [adres 2] , de heer [naam] (hierna: [naam] ).

3.De vordering in de hoofdzaak

3.1.
[eiser] vordert, primair en samengevat, dat de kantonrechter [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 25.000,00. [eiser] heeft desgevraagd uitdrukkelijk afstand gedaan van het meerdere boven
€ 25.000,00 (behoudens de wettelijke rente vanaf de dagvaarding en de proceskosten).

4.Het geschil in incident

4.1.
[gedaagde] verzoekt [naam] in vrijwaring op te mogen roepen en daarbij rekening te houden met een oproeptermijn van vier weken omdat de dagvaarding in vrijwaring in Portugal moet worden betekend.
4.2.
[eiser] is het niet eens met de incidentele vordering en concludeert tot afwijzing.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
Op grond van artikel 210 Rv Pro moet een vordering tot oproeping in vrijwaring vóór alle weren worden ingediend. In deze zaak is de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring vóór alle weren en dus op tijd ingediend.
5.2.
Verder is voor toewijzing van de incidentele vordering nodig dat [gedaagde] zich beroept op een rechtsverhouding met de in vrijwaring op te roepen derde, in dit geval [naam] , die inhoudt dat [naam] verplicht is om de nadelige gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak tegen [gedaagde] te dragen. Het daadwerkelijk bestaan van de gestelde rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [naam] hoeft nog niet vast te staan. Dat zal in de vrijwaringszaak moeten worden onderzocht.
5.3.
Dit betekent dat [gedaagde] moet stellen dat tussen haar en [naam] een rechtsverhouding bestaat die voor [naam] een verplichting tot vrijwaring meebrengt. [gedaagde] heeft dit gedaan. Zij stelt namelijk dat [naam] aan haar heeft laten weten dat hij, en niet de VvE [naam VvE 2] , verantwoordelijk is voor de uitgevoerde werkzaamheden en de consequenties daarvan. Hiervoor verwijst [gedaagde] naar een e-mail van [naam] van 15 augustus 2019 waarin staat:

Ik wil mijn advocaat laten reageren op de buren van [locatie 2] . (Zie hieronder). Als je er mee eens ben neem ik alle verantwoordelijkheid op me en niet de VvE. Lijkt me alleen maar logisch.”
5.4.
Daarmee heeft [gedaagde] in dit stadium voldoende toegelicht dat niet valt uit te sluiten dat zij voor de vordering van [eiser] regres kan nemen op [naam] .
5.5.
Aan [eiser] kan worden toegegeven dat de vrijwaring mogelijk zal leiden tot enige vertraging van de procedure, maar die vertraging is vooralsnog niet onaanvaardbaar.
5.6.
De conclusie is dat de incidentele vordering wordt toegewezen en dat het [gedaagde] wordt toegestaan [naam] in vrijwaring op te roepen tegen de hierna in de beslissing vermelde roldatum. Bij deze roldatum is rekening gehouden met betekening van de dagvaarding in Portugal, waarvoor de termijn volgens artikel 115 lid 1 Rv Pro ten minste vier weken is.
5.7.
[eiser] moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten in het incident betalen. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:
- salaris gemachtigde € 204,00 (1 x € 204,00)
- nakosten
€ 67,50
Totaal € 271,50

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
6.1.
staat het [gedaagde] toe om [naam] te dagvaarden tegen de terechtzitting van
4 november 2025,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de kant van [gedaagde] begroot op € 271,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet zij ook de kosten van betekening betalen,
in de hoofdzaak
6.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
21 oktober 2025voor conclusie van antwoord door [gedaagde] ,
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, kantonrechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2025.