ECLI:NL:RBAMS:2025:7683

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
17 oktober 2025
Zaaknummer
11420174
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van uitbouwen van buren en schadevergoeding aan eiseres

In deze zaak heeft eiseres, eigenaar van een woning met een glazen serre, schadevergoeding geëist van haar buren, die aan beide zijden van de erfafscheiding uitbouwen hebben geplaatst. Eiseres stelt dat deze uitbouwen onrechtmatig zijn en vraagt om herstel van een balkonreling, schadevergoeding voor vochtdoorslag en andere kosten. De kantonrechter oordeelt dat de uitbouwen niet onrechtmatig zijn, omdat ze binnen de toegestane afstand van de erfgrens zijn gebouwd en er geen erfdienstbaarheid van licht en lucht is ontstaan. De vorderingen van eiseres worden grotendeels afgewezen, met uitzondering van de vordering tot herstel van de balkonreling, die wordt toegewezen. Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van haar buren.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11420174 \ CV E XPL 24-15071
Vonnis van 10 oktober 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.K.W. van den Berg,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
3.
[gedaagde 3],
wonende in [woonplaats] ,
4.
[gedaagde 4],
wonende in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen,
gedaagde partijen,
hierna gedaagden 1 en 2 samen (in enkelvoud) te noemen: [gedaagden (sub 1,2)]
en gedaagden 3 en 4: [gedaagden (sub 3,4)]
Waar gaat de zaak over?
[eiseres] heeft een glazen serre die tegen de achterkant van haar woning is gebouwd. De buren van [eiseres] hebben in 2021 en 2023 afzonderlijk aan beide zijden van de erfafscheiding met [eiseres] een uitbouw geplaatst direct naast de serre van [eiseres] . [eiseres] vindt dat deze uitbouwen onrechtmatig zijn en vraagt schadevergoeding. Ook wil [eiseres] dat een dakrand wordt aangepast, een balkonreling wordt hersteld en dat haar buren de schade vergoeden die door hun verbouwingen zou zijn ontstaan. Daarnaast vraagt [eiseres] vergoeding voor schade aan haar planten en wil ze dat haar buren (buitengerechtelijke) kosten betalen. De kantonrechter oordeelt dat de balkonreling moet worden hersteld en wijst alle andere vorderingen van [eiseres] af. [eiseres] moet de proceskosten van haar buren betalen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord, tevens verzoek tot descente van [gedaagden (sub 1,2)] , met producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagden (sub 3,4)] , met producties,
- het tussenvonnis van 4 maart 2025 waarin een descente en een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van descente en mondelinge behandeling van 28 augustus 2025.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] woont aan de [adres 1] . Tegen de achterzijde van haar woning staat een serre. [eiseres] heeft in 1983 een bouwvergunning voor de serre gekregen en deze is daarna in 1984 of 1985 gebouwd. De zijkanten van de serre zijn gebouwd tegen de erfgrens met beide buurpercelen.
2.2.
In juni 2021 zijn [gedaagden (sub 3,4)] eigenaar geworden van de woning aan de [adres 2] . [gedaagden (sub 3,4)] zijn in juli 2022 begonnen met de verbouwing van hun woning. Achter hun woning is een uitbouw geplaatst, met een stenen muur die op enkele centimeters afstand van de serrewand van [eiseres] is geplaatst.
2.3.
In juli 2022 zijn [gedaagden (sub 1,2)] eigenaar geworden van de woning aan de [adres 3] . In september 2022 zijn [gedaagden (sub 1,2)] begonnen met de verbouwing van hun woning. [gedaagden (sub 1,2)] hebben op enkele centimeters afstand van de serrewand van [eiseres] over twee verdiepingen een zwarte muur opgetrokken.
2.4.
In oktober 2022 is [eiseres] , net als ieder jaar in de winter, naar Australië gegaan. Ze is in april 2023 weer teruggekomen.
2.5.
Op 12 december 2023 heeft [eiseres] [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van de uitbouwen van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] en hun verbouwingen.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat de uitbouwen van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] onrechtmatig zijn,
2. [gedaagden (sub 3,4)] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van schadevergoeding van € 10.000,00 en [gedaagden (sub 1,2)] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van schadevergoeding van € 15.000,00, of een door de rechtbank te bepalen bedrag, of verwijzing naar de schadestaatprocedure, vermeerderd met wettelijke rente vanaf dagvaarding,
3. [gedaagden (sub 3,4)] hoofdelijk veroordeelt om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn de inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres] ongedaan te maken en daartoe de dakrand van zijn uitbouw aan te passen zodat die niet meer over de (bak van de) zonwering van [eiseres] hangt en [eiseres] weer vrij en zonder belemmering toegang heeft tot die bak, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat [gedaagden (sub 3,4)] hier niet aan voldoen,
4.
primair[gedaagden (sub 3,4)] in verband met vochtdoorslag en een onjuiste afwatering, en bijbehorend stuc- en schilderwerk hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan [eiseres] van (ten minste) € 6.221,82 en de al gemaakte kosten in verband met het realiseren van een opstaande rand van € 57,68 en [gedaagden (sub 1,2)] in verband met lekkage in de serre, schimmelvorming in de serre en bijbehorend stuc- en schilderwerk hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan [eiseres] van (ten minste) € 1.989,88 en € 33,99 voor gemaakte kosten voor schimmel op de muur en de nader te bepalen herstelkosten van lekkage in de serre, vermeerderd met wettelijke rente vanaf dagvaarding,
of
subsidiair[gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] hoofdelijk veroordeelt tot herstelwerkzaamheden van de als gevolg van hun verbouwingen veroorzaakte schade aan de kant van [eiseres] , door binnen een door de rechtbank te bepalen termijn uitvoering te geven aan onder meer de in de offerte van Van Leeuwen’s Bouwbedrijf B.V. genoemde werkzaamheden, althans aan de door de rechtbank te benoemen deskundige te bepalen werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag(deel) dat [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] hieraan niet voldoen,
5. [gedaagden (sub 3,4)] hoofdelijk veroordeelt tot schadevergoeding aan [eiseres] van € 60,00 voor haar planten, of een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf dagvaarding,
6. [gedaagden (sub 1,2)] hoofdelijk veroordeelt tot herstel van de afgezaagde reling van het balkon van [eiseres] door het realiseren van een aansluitend tussenschot en het ongedaan maken van roestvorming, binnen een maand na het vonnis, op straffe van een dwangsom per dag(deel) dat [gedaagden (sub 1,2)] dit niet doen,
7. [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 1.086,00 en € 114,95 voor de kosten van de aannemer, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf dagvaarding,
8. [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] veroordeelt in de proceskosten, met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, met wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Voor de beoordeling van de vorderingen van [eiseres] onder 1 en 2 is de centrale vraag of de uitbouwen van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] onrechtmatig zijn. De kantonrechter stelt voorop dat de huidige situatie, waarin de verhoudingen tussen de buren behoorlijk onder druk staan, voor iedereen heel vervelend en stressvol is. Ook is invoelbaar dat de aanwezigheid van de uitbouwen aan weerszijden van de serre voor [eiseres] een grote verandering betekent en dat zij liever zou hebben dat deze niet waren geplaatst. Dat betekent alleen niet dat de uitbouwen onrechtmatig zijn. Dat wordt hierna uitgelegd.
1e grondslag voor onrechtmatigheid: uitbouwen zijn te dicht op de erfgrens gebouwd en zorgen voor onredelijke hinder
4.2.
Als eerste vindt [eiseres] de uitbouwen van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] onrechtmatig omdat die te dicht op de erfgrens zijn gebouwd en voor onredelijke hinder zorgen.
4.3.
Artikel 5:50 lid 1 BW verbiedt de eigenaar van een erf om binnen twee meter van de erfgrens met de buren een venster of een ander werk met zicht op het erf van de buren te bouwen. Dat betekent dat een serre zoals die van [eiseres] (indien de ramen doorzichtig waren, waarop de kantonrechter later terugkomt) zo dicht op de erfgrens met [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] niet is toegestaan, tenzij destijds bij de bouw de toenmalige buren daarvoor toestemming hebben gegeven. De regel van artikel 5:50 BW is er om buren te beschermen tegen de mogelijkheid van inbreuk op de privacy, waarbij het in het bijzonder gaat om zicht op hun erf. [eiseres] beroept zich op artikel 5:50 lid 4 BW. Op grond van dat artikel zijn [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] , als zij door verjaring geen verwijdering van de serre van [eiseres] kunnen vorderen, verplicht om binnen een afstand van twee meter daarvan geen gebouwen of werken aan te brengen.
4.4.
Het gaat in artikel 5:50 BW dus om de situatie waarbij vanuit het ene erf zicht bestaat op het erf van de buren door een werk dat binnen twee meter van de erfgrens staat. Voor een geslaagd beroep van [eiseres] op artikel 5:50 lid 4 BW is nodig dat dit zicht gedurende meer dan 20 jaar onafgebroken heeft bestaan. Volgens [eiseres] is dit zo omdat de serre met doorzichtige ramen sinds 1983, en dus meer dan 20 jaar, in haar tuin staat. Er is volgens [eiseres] sprake van bevrijdende verjaring als bedoeld in dit artikel. [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] betwisten dat de ramen steeds doorzichtig zijn geweest en dus dat [eiseres] een beroep kan doen op artikel 5:50 lid 4 BW.
Het oordeel van de kantonrechter over de zijde van [gedaagden (sub 3,4)]
4.5.
Vast staat dat [eiseres] van tijd tot tijd de ramen wit schilderde. Uit foto’s blijkt dat het niet mogelijk was om door de witgeschilderde ramen te kijken, van uitzicht op het erf van [gedaagden (sub 3,4)] was in die perioden dus geen sprake. [eiseres] erkent dat, maar volgens haar was dat steeds tijdelijk. Uit foto’s blijkt dat de ramen witgeschilderd waren op het moment dat [gedaagden (sub 3,4)] de woning kochten in juni 2021. Dat was het geval totdat [eiseres] de witte verf in april of mei 2023 heeft verwijderd. [gedaagden (sub 3,4)] hebben, naast foto’s, een verklaring overgelegd van de vorige bewoners van de woning aan de [adres 2] . Zij hebben de woning bewoond van 1 december 2003 totdat [gedaagden (sub 3,4)] de woning kocht in juni 2021. De vorige bewoners hebben verklaard dat het glas gedurende de gehele periode dat zij er woonden witgeschilderd was. Ervan uitgaande dat de serre is gerealiseerd in 1984 of 1985, is de conclusie dat niet gebleken is dat de ramen gedurende een ononderbroken periode van 20 jaar doorzichtig zijn geweest. Dat er ook – ongedateerde – foto’s zijn waarop te zien is dat de ramen van de serre doorzichtig waren, legt gelet op het voorgaande geen gewicht in de schaal. Dat betekent dat [eiseres] zich er niet op kan beroepen dat [gedaagden (sub 3,4)] op grond van artikel 5:50 lid 4 BW hun uitbouw minimaal twee meter van de erfgrens hadden moeten bouwen.
Het oordeel van de kantonrechter over de zijde van [gedaagden (sub 1,2)]
4.6.
Ook [gedaagden (sub 1,2)] betwisten dat de ramen van de serre steeds doorzichtig zijn geweest. Zij hebben hiervoor verwezen naar foto’s uit de verkoopbrochure van 2022 waarin een foto van de serre is opgenomen waarop te zien is dat de ramen wit zijn geschilderd. Dat het hier, zoals [eiseres] heeft aangevoerd, niet gaat om een witgeschilderd raam maar om spiegeling of een gordijn, volgt de kantonrechter niet. Voldoende is gebleken dat de ramen van de serre aan de zijde van [gedaagden (sub 1,2)] in ieder geval op het moment dat zij de woning bezichtigden witgeschilderd waren en dus niet doorzichtig waren. Hoe de situatie was in de jaren daarvoor is niet duidelijk. Wat wel duidelijk is, zoals hiervoor is overwogen, is dat de ramen aan de zijde van [gedaagden (sub 3,4)] gedurende lange perioden wit waren geverfd. Het ligt voor de hand dat ditzelfde geldt voor de ramen aan de kant van [gedaagden (sub 1,2)] , zeker als daarbij wordt betrokken dat het ernaar uitziet dat [eiseres] destijds op grond van de bouwvergunning geen doorzichtig glas in de serre mocht plaatsen. Omdat [eiseres] zich op de verjaring beroept, is het aan haar om haar stelling dat de ramen aan de zijde van [gedaagden (sub 1,2)] gedurende meer dan 20 jaar ononderbroken doorzichtig zijn geweest nader te onderbouwen. Zij heeft dat onvoldoende gedaan. Daarom wordt niet toegekomen aan het bewijsaanbod dat [eiseres] tijdens de zitting heeft gedaan.
Geen onrechtmatigheid op 1e grondslag: bouwen binnen twee meter is toegestaan
4.7.
De conclusie is dat het beroep van [eiseres] op artikel 5:50 lid 4 BW niet slaagt. [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] mochten dus hun uitbouw plaatsen binnen twee meter van de erfgrens met [eiseres] .
2e grondslag onrechtmatigheid: uitbouwen zijn gebouwd in strijd met erfdienstbaarheid van licht en lucht
4.8.
[eiseres] vindt ook dat de uitbouwen onrechtmatig zijn omdat deze de lichtinval in de serre en haar uitzicht vanuit de serre beperken. Voordat de uitbouwen er stonden, kwam de zon volgens [eiseres] namelijk ‘s ochtends aan de zijde van [gedaagden (sub 3,4)] binnen en verdween die met de ondergang aan de zijde van [gedaagden (sub 1,2)] Volgens [eiseres] is door verjaring een erfdienstbaarheid van licht en lucht ontstaan omdat sprake is van een onafgebroken bezit van een venster met uitzicht en lichtinval sinds 1983. De uitbouwen maken inbreuk op deze erfdienstbaarheid en zijn daarom onrechtmatig.
Is sprake van verkrijging van een erfdienstbaarheid van lichtinval en uitzicht?
4.9.
[gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] betwisten dat door verjaring een erfdienstbaarheid van licht en zicht is ontstaan omdat geen sprake is van 20 jaar onafgebroken bezit gelet op de omstandigheid dat [eiseres] de ramen van tijd tot tijd wit schilderde. Daarbij weerspreken [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] ook de lichtinval omdat de tuin gelegen is op het zuiden. De zon treedt daarom via de achterzijde van de woning in de serre en niet via de zijkanten.
4.10.
De kantonrechter oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de ramen in de serre 20 jaar onafgebroken doorzichtig zijn geweest. Hiervoor wordt verwezen naar wat hiervoor is geoordeeld in r.o. 4.6
.. Wat geldt voor het uitzicht, geldt ook voor de lichtinval. Door het wit schilderen van de ramen is de lichtinval, voor zover die al vanuit de zijkanten zou zijn gekomen met haar tuin op het zuiden, grotendeels beperkt. Daarmee kan niet worden gezegd dat [eiseres] 20 jaar onafgebroken bezit heeft gehad van het recht op lichtinval en uitzicht. Daarbij komt dat [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] er terecht op hebben gewezen dat het op de weg van [eiseres] lag om door middel van een zonnestudie of anderszins te onderbouwen dat de uitbouwen aan weerszijden tot gevolg hebben dat sprake is van verminderde lichtinval.
Geen onrechtmatigheid op 2e grondslag: geen erfdienstbaarheid licht en lucht door verjaring
4.11.
Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] 20 jaar onafgebroken bezit heeft gehad van de serre met doorzichtig glas. Het beroep van [eiseres] op het ontstaan van een erfdienstbaarheid van licht en lucht door verjaring slaagt daarom niet. De uitbouwen van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] zijn dus niet onrechtmatig omdat die in strijd zijn gebouwd met een erfdienstbaarheid.
3e grondslag voor onrechtmatigheid: de uitbouwen zorgen voor onrechtmatige hinder
4.12.
Als derde zijn de uitbouwen volgens [eiseres] onrechtmatig omdat deze onrechtmatige hinder opleveren. Niet alleen wordt op onrechtmatige wijze licht en lucht onthouden, door de uitbouwen kan [eiseres] bovendien de serre aan de zijkanten niet onderhouden. Ook bederven de uitbouwen het woongenot omdat [eiseres] vanuit de serre aan de ene kant uitkijkt op een onbewerkte muur en aan de andere kant op een zwarte muur. Daarnaast vindt [eiseres] dat [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] haar niet goed hebben ingelicht over de gevolgen van hun verbouwing.
4.13.
[eiseres] beroept zich op artikel 5:37 BW. Daaruit volgt dat [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] geen hinder mogen toebrengen aan [eiseres] in een mate die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hangt het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de belangen van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] en de mogelijkheid en bereidheid om maatregelen te treffen om schade te voorkomen.
4.14.
[gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] betwisten dat sprake is van onrechtmatige hinder. Zij vinden dat [eiseres] dit onvoldoende heeft onderbouwd. Ook vinden zij dat [eiseres] geen hinder heeft omdat zij zelf de ramen wit schildert en enkele maanden in het jaar in Australië verblijft. Verder hebben [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] [eiseres] steeds op de hoogte gehouden van hun verbouwing en van mogelijke overlast. Ook hebben zij [eiseres] oplossingen aangeboden om de hinder en schade voor haar te beperken. [gedaagden (sub 3,4)] hebben de ramen van de serre van [eiseres] schoongemaakt. [gedaagden (sub 1,2)] hebben aangeboden de ramen van de serre periodiek te onderhouden en aan [eiseres] gevraagd welke kleur muur zij wilde. [eiseres] is daar niet op ingegaan.
Geen sprake van onrechtmatige hinder
4.15.
Aan [eiseres] kan worden toegegeven dat zij aan beide kanten van de serre is geconfronteerd met muren (waaronder een zwarte muur) en dat dit een andere beleving geeft dan de situatie voordat de uitbouwen werden geplaatst. Ook zal zij best overlast hebben ondervonden van de verbouwingen, een zekere mate van overlast hoort daar nu eenmaal bij. De kantonrechter vindt echter dat dit geen onrechtmatige hinder oplevert. Niet is gebleken van een bovenmatige hinder, meer dan in het algemeen geduld moet worden. Ten aanzien van het verminderde zicht en licht wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen. Anders dan [eiseres] stelt, is bovendien niet gebleken dat [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] haar niet hebben betrokken bij hun verbouwingen. Uit e-mails blijkt dat [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] [eiseres] hebben laten weten waar zij mee bezig waren en dat zij bereikbaar waren voor overleg. [eiseres] heeft dit ook niet betwist. Dat [eiseres] van het aanbod voor periodiek onderhoud, schoonmaak of het kiezen van de kleur van de muur geen gebruik heeft willen maken, of dat dit voor haar onvoldoende was, is haar eigen keuze geweest.
4.16.
De conclusie is dat van onrechtmatige hinder geen sprake is.
4e grondslag: ongerechtvaardigde verrijking slaagt ook niet
4.17.
[eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] ongerechtvaardigd zijn verrijkt omdat sprake is van een waardestijging van de woningen van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] ten koste van de woning van [eiseres] . [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] betwisten dat zij ongerechtvaardigd zijn verrijkt. Volgens hen zijn de uitbouwen niet onrechtmatig en heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.
4.18.
De kantonrechter volgt [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] hierin. Hiervoor is geoordeeld dat de uitbouwen niet onrechtmatig zijn, zodat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake kan zijn. Dat betekent dat de vorderingen 1 en 2 niet toewijsbaar zijn op grond ongerechtvaardigde verrijking.
4.19.
Omdat niet is gebleken dat de uitbouwen van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] onrechtmatig zijn, is de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht (vordering 1) niet toewijsbaar. Daarmee kan [eiseres] ook geen aanspraak maken op schadevergoeding (vordering 2). Die vordering wordt dus ook afgewezen.
Overbouw en inbreuk op eigendomsrecht niet vastgesteld, vordering 3 wordt afgewezen
4.20.
[eiseres] vordert aanpassing van de dakrand van de uitbouw van [gedaagden (sub 3,4)] Volgens haar is sprake van grensoverschrijdende bouw omdat de dakrand van de uitbouw over de hele lengte van de uitbouw twee centimeter over de erfgrens is gebouwd. Daardoor kan de bak van de zonwering niet open. Dat levert een inbreuk op haar eigendomsrecht op, omdat zij door de dakrand haar zonnescherm niet meer kan onderhouden. [gedaagden (sub 3,4)] betwisten de grensoverschrijdende bouw en weerspreken ook dat [eiseres] door de dakrand van zijn uitbouw haar zonnescherm niet meer kan onderhouden.
4.21.
De kantonrechter stelt vast dat tijdens de descente is gebleken dat de rand van de uitbouw is geplaatst precies boven de lijst van het zonnescherm. Van een overschrijding van de erfgrens is geen sprake. [eiseres] kan haar zonnescherm bovendien gewoon gebruiken, zoals zij ook erkent. Ook heeft [eiseres] geen belang bij eventuele aanpassing van de dakrand van de uitbouw, omdat door haar onvoldoende is onderbouwd dat zij toegang moet hebben tot de bak van de zonwering om onderhoud te plegen. [gedaagden (sub 3,4)] hebben tijdens de descente laten zien dat bedrading van de zonwering vanuit de binnenzijde (dus niet aan de buitenkant) toegankelijk is en dat de buitenkant gesloten is. Dat het nodig is dat de buitenkant van de bak van de zonwering open kan is niet gebleken.
4.22.
De conclusie is dat geen sprake is van grensoverschrijdende bouw of inbreuk op een eigendomsrecht. Daarom wordt de vordering tot aanpassing (vordering 3) afgewezen. Daarmee bestaat geen belang bij de gevorderde dwangsom, zodat ook die niet toewijsbaar is.
Schade ontstaan als gevolg van verbouwingen [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] (vordering 4)?
4.23.
[eiseres] meent dat in haar woning schade is ontstaan door de verbouwingen. Zij heeft dit zelf hersteld of laten herstellen en wil dat [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] dit betalen. [eiseres] vordert van [gedaagden (sub 3,4)] schadevergoeding van € 6.221,00 en € 57,68 voor vochtdoorslag, onjuiste afwatering en stuc- en schilderwerk. Van [gedaagden (sub 1,2)] vordert [eiseres] € 1.989,00 en
€ 33,99 voor herstel van schade in verband met lekkage, schimmelvorming, vergoeding voor stuc- en schilderwerk en de zinken dakgoot. [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] betwisten dat schade is ontstaan door hun verbouwingen. Als er schade zou zijn, vinden zij dat [eiseres] deze onvoldoende heeft onderbouwd.
4.24.
De kantonrechter oordeelt dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] schade heeft geleden door de verbouwingen van [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] Met andere woorden: het causaal verband ontbreekt. De door [eiseres] overgelegde offerte van Van Leeuwen’s Bouwbedrijf is daarvoor niet voldoende. Daaruit volgt namelijk niet dat de daarop vermelde punten gerelateerd zijn aan schade als gevolg van de verbouwing van [gedaagden (sub 3,4)] of [gedaagden (sub 1,2)] De door [eiseres] gestelde schade kan ook het gevolg zijn van de staat van de inmiddels verouderde serre of achterstallig onderhoud. Daarbij komt dat niet meer is na te gaan of van de gestelde schade sprake is geweest, omdat [eiseres] naar eigen zeggen zelf al herstelwerkzaamheden heeft verricht, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van een gemetselde rand op het balkon. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] de gestelde schade dus ook onvoldoende onderbouwd.
Van schade niet gebleken, causaal verband tussen verbouwingen [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] en schade ontbreekt: vordering 4 niet toewijsbaar
4.25.
Dit betekent dat de primaire vorderingen tot schadevergoeding als gevolg van de verbouwingen van [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] (vordering 4) wordt afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat [eiseres] schade heeft geleden door de verbouwingen van [gedaagden (sub 3,4)] en [gedaagden (sub 1,2)] . Omdat de door [eiseres] gestelde schade niet is vast komen te staan, wordt aan de beoordeling van de subsidiaire vordering tot het laten uitvoeren van herstelwerkzaamheden of benoeming van een deskundige niet toegekomen. Daarmee ontbreekt het belang bij de gevorderde dwangsom. Dat betekent dat ook de subsidiaire vorderingen worden afgewezen.
Onvoldoende gebleken van schade aan planten: vordering 5 wordt afgewezen
4.26.
[eiseres] vordert van [gedaagden (sub 3,4)] schade aan haar planten voor een bedrag van
€ 60,00. [gedaagden (sub 3,4)] betwisten de schade en ook dat hij daarvoor aansprakelijk is. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] de schade aan haar planten onvoldoende heeft onderbouwd. [eiseres] heeft hiervoor een foto overgelegd, maar onduidelijk is wat de schade is en hoe die is ontstaan. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om dit verder te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Daarom is deze vordering niet toewijsbaar.
[gedaagden (sub 1,2)] moet de balkonreling laten herstellen: vordering 6 is (deels) toewijsbaar
4.27.
[eiseres] vordert herstel van de afgezaagde balkonreling aan de zijde van [gedaagden (sub 1,2)] door het realiseren van een aansluitend tussenschot en het ongedaan maken van roestvorming. Deze vordering wordt toegewezen. [gedaagden (sub 1,2)] betwisten niet dat zij voor herstel moeten zorgdragen. Zij hebben ook aan [eiseres] aangeboden de reling te herstellen nadat die tijdens de verbouwing was afgezaagd. [eiseres] vordert herstel binnen een maand, maar dit stuit naar het oordeel van de kantonrechter op praktische bezwaren vanwege het verblijf van [eiseres] in Australië tot het voorjaar. [gedaagden (sub 1,2)] en [eiseres] zullen namelijk over het herstel in overleg moeten treden en [eiseres] zal toegang moeten geven tot haar balkon. Daarom bepaalt de kantonrechter dat herstel door [gedaagden (sub 1,2)] binnen tien maanden na dit vonnis moet plaatsvinden. Omdat [gedaagden (sub 1,2)] bereid zijn de reling te herstellen, is het opleggen van een dwangsom niet aan de orde. Dat deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Geen vergoeding buitengerechtelijke kosten en kosten aannemer: (vordering 7) wordt afgewezen
4.28.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 1.086,00 en de kosten van de aannemer van € 114,95 voor het opstellen van een offerte voor herstelkosten. Deze nevenvorderingen worden afgewezen en daartoe geldt het volgende. De grondslag van de nevenvordering van [eiseres] is artikel 6:96 lid 2 BW. De hoofdvorderingen van [eiseres] worden grotendeels afgewezen, waaronder de vordering tot schadevergoeding als gevolg van de verbouwingen. Daarmee is er in ieder geval geen grond voor vergoeding van de kosten van de aannemer. Voor de toe te wijzen vordering tot herstel van de reling geldt dat [gedaagden (sub 1,2)] voor de procedure al een aanbod hiervoor hebben gedaan. Voldoende is komen vast te staan dat [eiseres] hier niet op gereageerd heeft en [gedaagden (sub 1,2)] in plaats daarvan heeft gedagvaard. De kantonrechter oordeelt dat er bij deze stand van zaken geen grond is voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dat betekent dat vordering 7 niet toewijsbaar is.
[eiseres] moet de proceskosten van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] betalen (vordering 8 niet toewijsbaar)
4.29.
[eiseres] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] betalen.
4.30.
De proceskosten van [gedaagden (sub 1,2)] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.218,00
(3 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.353,00
4.31.
De proceskosten van [gedaagden (sub 3,4)] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.218,00
(3 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.353,00
Veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.32.
De veroordeling van [gedaagden (sub 1,2)] tot herstel van de balkonreling en de veroordeling van [eiseres] tot betaling van de proceskosten van [gedaagden (sub 1,2)] en [gedaagden (sub 3,4)] worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat aan deze veroordelingen moet worden voldaan, ook als partijen hoger beroep instellen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden (sub 1,2)] hoofdelijk tot herstel van de afgezaagde balkonreling van [eiseres] binnen tien maanden na dit vonnis, door het realiseren van een aansluitend tussenschot en het ongedaan maken van roestvorming,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.353,00 van [gedaagden (sub 1,2)] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.353,00 van [gedaagden (sub 3,4)] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Singeling, kantonrechter, bijgestaan door mr.
N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2025.