Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor woonkosten nadat haar echtgenoot de woning had verlaten en stopte met huurbetaling. Verweerder wees de aanvraag af omdat het huurcontract niet op naam van eiseres stond, maar op naam van haar echtgenoot en meerderjarige zoon.
De rechtbank oordeelt dat eiseres door het huwelijk van rechtswege medehuurder is geworden op grond van artikel 7:266, eerste lid, BW. Dit medehuurderschap eindigt niet door het vertrek van haar echtgenoot uit de woning. De afwijzing van de aanvraag op grond van het ontbreken van huurrechten van eiseres is daarom onjuist.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, waarbij alle omstandigheden, waaronder de situatie van de zoon en wie de huur betaalt, in aanmerking moeten worden genomen. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.