ECLI:NL:RBAMS:2025:7744

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
25/2788
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op terugvordering te veel ontvangen Bbz-uitkering

Eisers ontvingen in 2023 een Bbz-uitkering in de vorm van een renteloze geldlening. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde bij besluit vast dat het totale inkomen van eisers, inclusief de Bbz-uitkering, de jaarnorm overschreed en vorderde een deel van de uitkering terug.

Eisers voerden aan dat de uitkering bedoeld was als compensatie voor inkomstenverlies door werkzaamheden aan hun winkel en dat zij niet over voldoende middelen beschikken om terug te betalen. De rechtbank oordeelde dat de Bbz-uitkering niet bedoeld is als compensatie voor inkomstenverlies, maar als tijdelijke ondersteuning voor zelfstandigen met onvoldoende inkomsten. Eisers konden niet aannemelijk maken dat het college hen anders had geïnformeerd.

De rechtbank stelde vast dat eisers in 2022 ook al een Bbz-uitkering ontvingen en dat zij op de hoogte waren van de voorwaarden, waaronder de verplichting om extra inkomsten te melden. Bovendien bleek uit de zitting dat het goed gaat met de onderneming in de muziekbranche en dat terugbetaling mogelijk is.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om het griffierecht terug te krijgen af. De uitspraak werd openbaar gedaan op 23 september 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de te veel ontvangen Bbz-uitkering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2788

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2025 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (hierna:

het college)
(gemachtigde: mr. H.H.J. ten Hoope).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling en terugvordering van de Bbz-uitkering [1] die eisers hebben ontvangen in het jaar 2023. Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben in hun beroepschrift aangegeven waarom. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank de definitieve vaststelling en de terugvordering.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eisers hebben van 18 september 2023 tot en met 31 december 2023 een Bbz-uitkering ontvangen in de vorm van een renteloze geldlening. Met het primaire besluit van 12 december 2024 heeft het college de Bbz-uitkering van eisers voor het jaar 2023 definitief vastgesteld op € 9.126,88 en een bedrag van € 5.578,15 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de definitieve vaststelling en terugvordering gebleven.
4. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser [naam] en de gemachtigde van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

6. Eisers hebben een winkel op de [adres] in Amsterdam. Vanwege werkzaamheden op de [adres] in juni 2023 was de winkel slecht bereikbaar. De winkel heeft toen minder inkomsten gegenereerd dan het jaar ervoor. Eisers hebben daarover gesproken met een medewerker van het college. Deze medewerker stelde voor dat eisers een Bbz-uitkering konden aanvragen om in hun levensonderhoud te voorzien. Dit hebben eisers gedaan. Eisers hebben vervolgens een Bbz-uitkering ontvangen. Met het primaire besluit heeft het college een deel van de Bbz-uitkering weer teruggevorderd omdat het college heeft vastgesteld dat het inkomen van eisers over 2023 opgeteld bij de verstrekte Bbz-uitkering, boven de jaarnorm uitkomt. Dit wordt veroorzaakt door de inkomsten die eiser in dat jaar heeft ontvangen uit zijn andere onderneming in de muziekbranche.
7. Eisers stellen dat het onrechtvaardig is dat zij een deel van de ontvangen Bbz-uitkering moeten terugbetalen. De Bbz-uitkering was volgens eisers namelijk bedoeld als compensatie voor het inkomstenverlies als gevolg van de werkzaamheden op de
[adres] . Dit is ook als zodanig door de medewerker van het college toegezegd. Daarnaast stellen eisers niet over de financiële middelen te beschikken om het gevraagde bedrag terug te betalen.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Een Bbz-uitkering is bedoeld voor zelfstandigen met een eigen bedrijf die daaruit tijdelijk onvoldoende inkomsten genereren om in hun levensonderhoud te voorzien. De Bbz-uitkering van eisers was dus niet bedoeld als compensatie voor het inkomstenverlies als gevolg van de werkzaamheden op de
[adres] . Dat dit als zodanig aan eisers door het college is toegezegd, hebben zij niet aannemelijk gemaakt. Uit het dossier volgt juist dat door het college aan eisers is gecommuniceerd dat de Bbz-uitkering als renteloze geldlening wordt verstrekt en pas achteraf definitief wordt vastgesteld. Dit staat in het toekenningsbesluit vermeld. Daarin staat ook dat eisers het moeten melden als er extra inkomsten zijn omdat deze met de uitkering worden verrekend als de inkomsten daarmee boven de norm uitkomen. Bovendien waren eisers al bekend met de Bbz-uitkering, omdat zij deze in 2022 ook al hadden ontvangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college de te veel ontvangen Bbz-uitkering terecht heeft teruggevorderd.
9. Eisers stellen verder dat zij het gevraagde bedrag niet kunnen terugbetalen. Eisers hebben dit standpunt echter niet onderbouwd. In tegendeel, eiser heeft op zitting verklaard dat het momenteel erg goed gaat met zijn onderneming in de muziek, dat hij daar voldoende inkomsten uithaalt en de terugvordering zou kunnen betalen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gebleken is dat eisers op dit moment financiële problemen hebben. Het college heeft daarom in het door eisers aangevoerde terecht geen redenen gezien om van terugvordering af te zien.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een uitkering op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen.