De zaak betreft een verzetprocedure waarin geopposeerde vorderingen had ingesteld tegen SterckBouw B.V. wegens gebrekkige ramen en Schüco kozijnen die in 2018 waren geplaatst. Geopposeerde klaagde pas in november 2020 over piepende geluiden bij harde wind, wat volgens SterckBouw te laat was gezien het gebrek al bij oplevering aanwezig was.
SterckBouw voerde aan dat geopposeerde de verkeerde partij had gedagvaard, maar de rechtbank oordeelde dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid was gewekt waardoor geopposeerde ontvankelijk was. De rechtbank stelde vast dat de klachttermijn van meer dan twee jaar te lang was en dat geopposeerde onvoldoende had toegelicht waarom hij niet eerder had geklaagd.
Daarom kon geopposeerde geen beroep meer doen op het gebrek. Het verstekvonnis werd vernietigd en de vorderingen werden afgewezen. Geopposeerde werd veroordeeld in de proceskosten, met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding die voor risico van SterckBouw zijn.
De uitspraak werd gedaan door de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 9 oktober 2025.