Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:7766

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/770925 / FA RK 25-4491
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en toekenning eenhoofdig gezag aan moeder over minderjarige

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 oktober 2025 een verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over haar minderjarige kind, erkend door de andere ouder in februari 2023. Sinds de erkenning oefenden partijen gezamenlijk gezag uit, maar na beëindiging van hun relatie is er geen contact meer tussen de ouders en tussen de andere ouder en het kind.

De moeder verzocht de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De andere ouder was op de mondelinge behandeling niet verschenen, ondanks behoorlijke oproeping, en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank constateerde dat de andere ouder geen betrokkenheid meer toont en afstand heeft genomen van het ouderschap.

Gezien deze gewijzigde omstandigheden en het belang van het kind oordeelde de rechtbank dat gezamenlijke gezagsuitoefening feitelijk onmogelijk is en dat het eenhoofdig gezag aan de moeder moet worden toegekend. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de moeder wordt voortaan belast met het gezag over het kind.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het eenhoofdig gezag wordt aan de moeder toegekend.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/770925 / FA RK 25/4491 (VZ/JvS)
Beschikking van 20 oktober 2025 betreffende geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van:
[de moeder / verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder/verzoekster,
advocaat mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen verweerster.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoek met producties, ingekomen op 15 juni 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 september 2025. Verschenen zijn: verzoekster en haar advocaat. Verweerster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie gehad. De relatie is verbroken.
2.2.
De moeder is de biologische ouder van:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] , Suriname, op [geboortedatum] 2018.
2.3.
[minderjarige] is op 9 februari 2023 door verweerster erkend.
2.4.
Als gevolg van de erkenning na 1 januari 2023 is verweerster van rechtswege – met de moeder – belast met het gezag over [minderjarige] . Partijen oefenen derhalve gezamenlijk het gezag uit.
2.5.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
Het verzoek strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag ex artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek en tot het bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan aan de moeder toekomt.

4.De beoordeling

4.1.
Sinds de wetswijziging per 1 januari 2023 is voor niet gehuwde en niet-geregistreerde partners het gevolg van erkenning dat er automatisch ook gezamenlijk gezag is. Gezamenlijk gezag van ouders is ook in de rechtspraak de norm.
4.2.
Artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen in het geval van gewijzigde omstandigheden of indien bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt. Het criterium daarvoor is op grond van artikel 1:251a BW het bestaan van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, in die zin dat de relatie tussen partijen is beëindigd en er sindsdien geen contact meer is tussen verweerster en de moeder en tussen verweerster en [minderjarige] . Verzoekster kan daarom worden ontvangen in haar verzoek.
4.4.
Met betrekking tot de vraag of verzoekster het eenhoofdig gezag moet krijgen overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken en uit de mondelinge behandeling blijkt dat verweerster al lange tijd geen bemoeienis meer heeft met [minderjarige] . Ook heeft verweerster – volgens de advocaat van de moeder – bozig gereageerd op een verzoek van de zijde van de advocaat om een referteverklaring terzake het verzoek in deze zaak. De rechtbank heeft geconstateerd dat de – per aangetekende post verzonden – oproep voor de mondelinge behandeling verweerster heeft bereikt, maar dat zij niet is verschenen. Zij heeft derhalve geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om verweer te voeren. Dit is een bevestiging van de onbetwiste stelling van verzoekster dat verweerster afstand heeft genomen van haar ouderschap. Deze huidige situatie maakt een gezamenlijke uitoefening van het gezag feitelijk onmogelijk. Het maakt dat de moeder problemen ervaart bij beslissingen ten aanzien van [minderjarige] waarvoor medewerking van verweerster noodzakelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is in belang van [minderjarige] de moeder alleen met het gezag dient te worden belast, en zal overeenkomstig beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de moeder en verweerster en belast de moeder voortaan met de uitoefening van het gezag over het minderjarige kind van partijen:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018,
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. V. Zuiderbaan, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J.O. van Saase-Zaagman, griffier, op 20 oktober 2025. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).