ECLI:NL:RBAMS:2025:7794

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
777251 / HA RK 25-366
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzieningenrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Op 17 oktober 2025 is een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter te Amsterdam, naar aanleiding van een vonnis van 16 oktober 2025 in een civiele zaak tussen verzoekster en haar ex-partner.

Verzoekster stelde dat de rechter vooringenomen was omdat de griffier een termijn stelde voor een reactie op een verzoek tot herstelvonnis, waarbij werd aangegeven dat bij uitblijven van reactie een herstelvonnis zou volgen. Dit zou volgens verzoekster duiden op een reeds ingenomen standpunt door de rechter.

De wrakingskamer oordeelde dat een rechterlijke beslissing om een termijn te stellen geen grond voor wraking kan zijn, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad. Er was geen bewijs van onpartijdigheid. Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Tevens werd bepaald dat verdere wrakingsverzoeken in deze zaak niet in behandeling worden genomen wegens misbruik van recht.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor onpartijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 17 oktober 2025 ingekomen en onder rekestnummer C/13/777251/ HA RK 25-366 ingeschreven verzoek van:
[verzoekster] ,
verzoekster,
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde mr. H. Loonstein,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
 het wrakingsverzoek van 17 oktober 2025 met bijlagen.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
De rechter heeft op 16 oktober 2025 vonnis gewezen tussen verzoekster als eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie en haar ex-partner, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie (zaaknummer C/13/776900 KG ZA 25-826).
2.2.
Namens de ex-partner is de griffier van de rechter verzocht een kennelijke verschrijving in het dictum van het vonnis aan te passen.
2.3.
De griffier heeft de gemachtigde van verzoekster bij e-mail van 16 oktober 2025 tot 17 oktober 2025 12.00 uur de tijd gegeven om zich uit te laten over verzoek tot het herstelvonnis. En voorts:
“Mocht u zich daarover voor die tijd niet uitlaten, dan zal een herstelvonnis volgen”.
2.3.
Verzoekster heeft gesteld dat uit de e-mail van de griffier vooringenomenheid van de rechter blijkt ten aanzien van de beslissing op het door de wederpartij gedane verzoek. Immers, bij uitblijven van een reactie voor de gestelde tijd, zal een herstelvonnis volgen. De mening van de rechter blijkt reeds hieruit. De voorzieningenrechter heeft daarmee al een standpunt ingenomen.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn
aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.
In zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.4.
Het bezwaar van verzoekster betreft een beslissing van de rechter om een termijn te stellen voor reactie. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
3.5.
Omdat verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder redelijke grond heeft ingezet, is sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking in de zaak niet in behandeling worden genomen.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak met bovenstaand zaaknummer niet in behandeling zal worden genomen..
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.