4.2.Vaststelling kinderalimentatie
4.2.1.De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vast te stellen van € 880,- per maand, te voldoen bij vooruitbetaling. De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en hij verzoekt de rechtbank de kinderalimentatie vast te stellen op € 250,- per maand.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.2.De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen nu [minderjarige] in Nederland woont.
2.7.4.De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlandse recht op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
4.2.3.De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 250,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
4.2.4.Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
4.2.5.Artikel 1:402 BW geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of een wijziging van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.
4.2.6.De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van deze beschikking, omdat de man al sinds 1 september 2024 vrijwillig aan de vrouw een bedrag van € 250,- per maand betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en sinds 19 december 2024 de helft van de kinderopvangkosten. De man is bereid deze bijdrage te blijven betalen en zoals hierna zal blijken komt de rechtbank niet tot de vaststelling van een hoger maandelijks bedrag aan kinderalimentatie. De rechtbank acht het dan ook redelijk dat de bijdrage per de datum van de dagtekening van de beschikking ingaat.
4.2.7.Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op € 645,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.
4.2.8.De man stelt dat partijen zodanig kort met elkaar hebben samengewoond dat er in redelijkheid niet kan worden gezegd dat [minderjarige] , met een zekere mate van bestendigheid, in gezinsverband met beide ouders heeft samengeleefd. De man stelt zich derhalve op het standpunt dat voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] uitgegaan dient te worden van niet-samenwoners.
4.2.9.De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, leidt de rechtbank af dat partijen vanaf februari 2023 tot en met juni 2024 samen hebben geleefd. Dit beslaat ongeveer de helft van [minderjarige] haar leven. Verder hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling toegelicht op welke wijze zij hun huishouden vormgaven. De vrouw had geen werk zodat de man alle kosten van de vrouw en [minderjarige] betaalde. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee de samenleving van partijen niet van zodanig korte duur geweest en is er wel degelijk sprake van een zekere mate van bestendigheid waarin partijen in gezinsverband hebben samengeleefd. De rechtbank gaat aldus voorbij aan de stelling van de man en zal voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] het netto besteedbaar gezinsinkomen hanteren.
4.2.10.De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.
4.2.11.Om het netto besteedbaar inkomen per maand van de man te berekenen gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties juli, augustus en september 2024, waarop een belastbaar jaarloon van € 75.920,- bruto is vermeld. Verder wordt er rekening gehouden met de arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg dan in 2024 € 4.250,- per maand.
4.2.12.De vrouw had ten tijde van de relatie van partijen geen inkomen, waardoor het netto besteedbaar gezinsinkomen enkel wordt gebaseerd op basis van het inkomen van de man.
4.2.13.Uit het hiervoor vermelde volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2024 € 4.250,- per maand bedroeg.
4.2.14.Bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige] neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak, opgenomen in het Rapport Alimentatienormen, als uitgangspunt. De rechtbank overweegt dat een stijging van het inkomen van een ouder, voor zover dit inkomen door die stijging hoger wordt dan het gezinsinkomen tijdens de samenleving, in beginsel invloed behoort uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging namelijk ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van het kind zou zijn uitgegeven. Uit de onderstaande berekening van de draagkracht van de man en de vrouw blijkt dat het huidige netto besteedbaar inkomen van de man € 4.727,- per maand bedraagt en dat van de vrouw € 3.682,-. Het netto besteedbaar inkomen van de man is daarmee hoger dan het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment dat partijen uit elkaar gingen. De rechtbank zal voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] het huidige netto besteedbaar inkomen van de man hanteren.
4.2.15.Uit de tabel eigen aandeel kinderen volgt dat partijen bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 4.727,- per maand gemiddeld € 645,- per maand uitgeven voor [minderjarige] .
4.2.16.Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht en in de behoefte van het kind voorzien. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die Expertgroep heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.
4.2.17.Bij een netto besteedbaar inkomen hoger dan € 2.025,- per maand in 2025 maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310 per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
4.2.18.De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.140,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.2.19.Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties van de man over mei tot en met juli 2025, waarop een belastbaar jaarloon van € 87.408,- bruto is vermeld. Verder wordt er rekening gehouden met de arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen van de man is dan € 4.727,- per maand.
4.2.20.Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van € 1.399,- per maand. Naast het vaste bedrag aan lasten houdt de rechtbank rekening met een last van € 370,- per maand aan aflossing van de familiehypotheek die de man betaalt, nu de vrouw hier geen verweer op heeft gevoerd. De man heeft dan een draagkracht van € 1.140,- per maand.
4.2.21.De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 887,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.2.22.Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de door de vrouw overgelegde arbeidsovereenkomst van 14 juli 2025 nu de vrouw heeft gesteld dat zij per 21 juli 2025 bij haar nieuwe werkgever is begonnen. Hierop is een belastbaar loon van € 3.500,- bruto per maand vermeld. Verder wordt er rekening gehouden met een vakantietoeslag van 8,33%. De rechtbank kan uit de arbeidsovereenkomst niet opmaken in hoeverre en voor welk bedrag de vrouw mogelijk premies betaalt. De rechtbank kan daar dan ook geen rekening mee houden in de berekening. De rechtbank zal wel rekening houden met de algemene heffingskorting, arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw is dan € 3.682,- per maand.
4.2.23.Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van € 887,- per maand.
4.2.24.Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
4.2.25.De ouders hebben samen een draagkracht van € 2.027,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 645,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van € 363,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van € 282,- per maand.
4.2.26.De man maakt op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten et cetera: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – de kosten van [minderjarige] (de ‘behoefte’). De rechtbank houdt daar rekening mee door de bijdrage van de man te verlagen met een percentage van de behoefte van [minderjarige] of een deel daarvan: ‘de zorgkorting’.
4.2.27.[minderjarige] verblijft gemiddeld 2 dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus € 161,- per maand. Dat betekent dat uit de berekening volgt dat de man een bedrag van € 202,- per maand zou moeten bijdragen.
4.2.28.Nu de man de rechtbank verzoekt te bepalen dat hij maandelijks een bedrag van € 250,- zal betalen als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en de man dit al lange tijd betaalt, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen. De door de man verzochte bijdrage komt met inachtneming van het voorgaande de rechtbank niet onredelijk voor.
Alimentatie vooruitbetalen
4.2.29.De rechtbank beslist dat de man de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
4.2.30.Tot slot merkt de rechtbank op dat partijen het met elkaar eens zijn dat de man de helft van de netto (kinder)opvangkosten van [minderjarige] betaalt. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, kan de vrouw de maandelijkse facturen aan de man toesturen zodat dat de man de helft van het netto bedrag aan (kinder)opvangkosten zal voldoen. De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen.