ECLI:NL:RBAMS:2025:7830

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/756757 / FA RK 24-6237
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van kinderalimentatie en zorgregeling na beëindiging van relatie

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 19 september 2025 een beschikking gegeven over de vaststelling van kinderalimentatie en een zorgregeling voor de minderjarige [minderjarige]. De vrouw, vertegenwoordigd door mr. A. Hashem Jawaheri, verzocht de rechtbank om een bijdrage van €880,- per maand voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De man, vertegenwoordigd door mr. C.A.F. Visser, voerde verweer en vroeg om een lagere bijdrage van €250,- per maand. De rechtbank oordeelde dat de man een bijdrage van €250,- per maand moet betalen, te beginnen op de datum van de beschikking. De rechtbank stelde ook een zorgregeling vast waarbij [minderjarige] elke dinsdag bij de man verblijft van 07:30 uur tot 19:30 uur, en twee weekenden per maand bij de man zal zijn. De rechtbank overwoog dat de man, ondanks zijn wisseldiensten, in staat is om op dinsdag voor [minderjarige] te zorgen, wat bijdraagt aan de stabiliteit voor het kind. De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige] vastgesteld op €645,- per maand, en de draagkracht van de man op €1.140,- per maand. De rechtbank heeft ook bepaald dat de man de helft van de netto kinderopvangkosten zal betalen. De beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, kinderrechter, en is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van griffier mr. I.L. Mulder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/756757 / FA RK 24-6237
Beschikking van 19 september 2025 betreffende de vaststelling van kinderalimentatie en een zorgregeling
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat voorheen mr. F. Mesri thans mr. A. Hashem Jawaheri, gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.A.F. Visser, gevestigd te [woonplaats 2] .

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoek van de vrouw, ingekomen op 11 september 2024;
- het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen op 16 oktober 2024;
- het verweerschrift op het zelfstandige verzoek, ingekomen op 20 november 2024;
- het F9-formulier met bijlagen van de man van 8 augustus 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 12 augustus 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2025.
Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten en voor de vrouw een tolk.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd.
2.2.
Uit deze relatie is geboren:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023.
2.3.
De man heeft [minderjarige] erkend en partijen oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag uit.
2.4.
[minderjarige] heeft sinds het uiteengaan van partijen haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5.
De vrouw heeft de Peruaanse nationaliteit. [minderjarige] en de man hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] met een bedrag van €880,- bij vooruitbetaling per maand, te voldoen met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw, althans dat er een lager alimentatiebedrag vastgesteld dient te worden. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de man bij zelfstandig verzoek de rechtbank verzoekt te bepalen dat zijn bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op € 250,- per maand wordt vastgesteld. Verder verzoekt de man zelfstandig een zorgregeling waarbij [minderjarige] iedere dinsdag van 07:30 uur tot 19:30 uur bij de man verblijft, één flexibele dag per week die partijen in onderling overleg afspreken en die is afgestemd op het werkrooster van de man, een keer per maand een weekend van vrijdag 07:30 uur tot zondag 19:30 uur en de helft van de vakanties- en feestdagen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Zorgregeling
4.1.1.
De man stelt ter onderbouwing van zijn verzoek dat hij een regeling wil waarbij de zorg over [minderjarige] gelijk tussen partijen wordt verdeeld. Ook wil de man duidelijke afspraken over de omgang omdat de contactmomenten met [minderjarige] door zijn wisseldiensten steeds verschillen. Ook is het de vrouw die bepaalt wanneer de man en [minderjarige] elkaar zien. Om vaste dagen af te kunnen spreken, dient de man wel minder te gaan werken nu de wisseldiensten een vaste afspraak niet mogelijk maken. De man ziet graag dat er een regeling wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] de ene week bij hem is en de andere week bij de vrouw. Partijen kunnen dan in onderling overleg afspraken maken over het zien van de ander ouder in de week waarin die ouder niet de hoofdzorg draagt. Dit is volgens de man in het belang van [minderjarige] .
4.1.2.
De vrouw voert aan dat het verzoek van de man niet haalbaar is. De man werkt als uitzendkracht in wisseldiensten en heeft daardoor regelmatig nachtdiensten. Dit is volgens de vrouw niet te verenigen met de zorg voor [minderjarige] , althans niet in de door de man voorgestelde regeling. De man erkent dat hij minder moet gaan werken om vaste dagen af te kunnen spreken. De man heeft echter niet aangetoond dat hij concreet zicht heeft op minder uren en passende werktijden. De door de man voorgestelde regeling is dan ook niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft behoefte aan rust en stabiliteit, waarin past dat de bestaande situatie wordt voortgezet. De vrouw vreest dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt geschaad wanneer het verzoek van de man wordt toegewezen. Tot op heden hebben de zorg- en opvoedingstaken immers altijd op de vrouw gerust.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Inhoudelijke beoordeling
4.1.4.
Op grond van artikel 1:253a, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen worden voorgelegd aan de rechtbank. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.1.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Aan het begin van de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij grotendeels overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de zorgregeling. Partijen zijn het erover eens geworden dat er in ieder geval één vaste dag per week omgang zal zijn tussen de man en [minderjarige] van 07:30 uur tot 19:30 uur, dat [minderjarige] twee weekenden per maand bij de man zal verblijven en dat [minderjarige] drie weken per jaar in de (zomer)vakantie bij de man verblijft. Daarbij zal de weekendregeling flexibel zijn in verband met het werkrooster van de man. De man ontvangt steeds een maand voorafgaand aan iedere betreffende maand zijn werkrooster. Bij ontvangst zal de man zijn rooster met de vrouw delen en zullen partijen in onderling overleg aan de hand van het werkrooster van de man de precieze invulling van de twee weekenden per maand bepalen. Wat betreft de vakantieregeling is [minderjarige] , nu zij pas twee jaar oud is, nog niet gebonden aan de schoolvakanties. De vrouw heeft echter aangegeven op dit punt al (enige) duidelijkheid te wensen. Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige] drie weken per jaar (zomer)vakantie bij de man zal verblijven. [minderjarige] verblijft dan maximaal één week aangesloten bij de man in verband met haar nog jonge leeftijd. Vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, zullen partijen met elkaar in onderling overleg de verdere vakanties en feestdagen verdelen en kan er worden toegewerkt naar een langer verblijf dan één week achtereenvolgend van [minderjarige] bij de man. De rechtbank zal de weekendregeling en vakantieregeling overeenkomstig de overeenstemming van partijen vastleggen, zoals weergegeven onder de beslissing.
4.1.6.
Het geschil tussen partijen, zoals de rechtbank uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken afleidt, ziet nog op de vraag op welke vaste dag de man de zorg voor [minderjarige] draagt en of de man ook nog een tweede doordeweekse dag voor [minderjarige] kan zorgen. Naar de rechtbank begrijpt zit het probleem voor partijen hoofdzakelijk in hun werkverplichtingen. De man heeft namelijk een baan waarbij hij wisseldiensten draait en slechts één dag per week en één weekend (een zaterdag en zondag) per maand als een vast vrij moment kan aangeven. De vrouw is sinds 21 juli 2025 begonnen met een nieuwe baan waarbij zij van maandag tot en met vrijdag werkt van 08:00 tot 17:00 uur. Op maandag en vrijdag werkt de vrouw thuis. De andere dagen wordt zij in beginsel op kantoor verwacht. Voor [minderjarige] is er op donderdag en vrijdag opvang geregeld, zodat [minderjarige] op dinsdag en woensdag dient te worden opgevangen. De man heeft aangegeven dat hij hoe dan ook zorg kan dragen voor [minderjarige] op de dinsdag. De vrouw staat hierachter, echter wenst de vrouw ook dat de man op woensdag de zorg voor [minderjarige] draagt. De man heeft aangegeven dat de woensdag een populaire dag is waarop veel collega’s al vrij zijn. Daardoor kan de man niet garanderen dat hij die dag ook vrij krijgt. De man heeft aangegeven tijdens de mondelinge behandeling bereid te zijn om een tweede doordeweekse dag de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen maar dat dit voor hem flexibiliteit vereist nu hij maar één vaste vrije dag per week kan doorgeven. De vrouw heeft echter aangegeven niet voor die flexibiliteit open staan op de doordeweekse dagen.
4.1.7.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de wens van de vrouw om een extra vaste dag, is het een feit dat de man wisseldiensten heeft. Ook toen partijen samen waren, werkte de man al in wisseldiensten. Deze diensten zijn niet altijd op te vangen door een kinderdagverblijf of naschoolse opvang. Dit is een gegeven waar, bij het vaststellen van de reguliere zorgregeling, rekening moet worden gehouden. Nu de vrouw op dit punt geen flexibiliteit wil hanteren, is een tweede doordeweekse dag waarop de man voor [minderjarige] zorgt niet haalbaar. Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zouden partijen voor de woensdag een extra dag (kinder)opvang kunnen regelen. De man heeft aangegeven bereid te zijn om – zoals hij nu ook doet – mee te (blijven) betalen aan de helft van de netto (kinder)opvangkosten. De rechtbank zal het verzoek van de man om een week op, week af regeling vast te stellen afwijzen. Tijdens de mondelinge behandeling is immers gebleken dat een dergelijke regeling in verband met het werk van de man niet haalbaar is. De rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] iedere dinsdag bij de man verblijft van 07:30 uur tot 19:30 uur nu de man hoe dan ook in staat is om op dinsdag voor [minderjarige] te zorgen. Naar het oordeel van de rechtbank draagt dit bij aan rust, structuur en stabiliteit voor [minderjarige] ten aanzien van haar contactmomenten met de man. De rechtbank merkt op dat de vast te stellen zorgregeling onverlet laat dat partijen met elkaar in onderling overleg tot een uitbreiding van de regeling kunnen komen.
4.2.
Vaststelling kinderalimentatie
4.2.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vast te stellen van € 880,- per maand, te voldoen bij vooruitbetaling. De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en hij verzoekt de rechtbank de kinderalimentatie vast te stellen op € 250,- per maand.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.2.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen nu [minderjarige] in Nederland woont.
2.7.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlandse recht op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.3.
De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 250,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Ingangsdatum
4.2.4.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
4.2.5.
Artikel 1:402 BW geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of een wijziging van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.
4.2.6.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van deze beschikking, omdat de man al sinds 1 september 2024 vrijwillig aan de vrouw een bedrag van € 250,- per maand betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en sinds 19 december 2024 de helft van de kinderopvangkosten. De man is bereid deze bijdrage te blijven betalen en zoals hierna zal blijken komt de rechtbank niet tot de vaststelling van een hoger maandelijks bedrag aan kinderalimentatie. De rechtbank acht het dan ook redelijk dat de bijdrage per de datum van de dagtekening van de beschikking ingaat.
Behoefte
4.2.7.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op € 645,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.
4.2.8.
De man stelt dat partijen zodanig kort met elkaar hebben samengewoond dat er in redelijkheid niet kan worden gezegd dat [minderjarige] , met een zekere mate van bestendigheid, in gezinsverband met beide ouders heeft samengeleefd. De man stelt zich derhalve op het standpunt dat voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] uitgegaan dient te worden van niet-samenwoners.
4.2.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, leidt de rechtbank af dat partijen vanaf februari 2023 tot en met juni 2024 samen hebben geleefd. Dit beslaat ongeveer de helft van [minderjarige] haar leven. Verder hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling toegelicht op welke wijze zij hun huishouden vormgaven. De vrouw had geen werk zodat de man alle kosten van de vrouw en [minderjarige] betaalde. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee de samenleving van partijen niet van zodanig korte duur geweest en is er wel degelijk sprake van een zekere mate van bestendigheid waarin partijen in gezinsverband hebben samengeleefd. De rechtbank gaat aldus voorbij aan de stelling van de man en zal voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] het netto besteedbaar gezinsinkomen hanteren.
4.2.10.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.
4.2.11.
Om het netto besteedbaar inkomen per maand van de man te berekenen gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties juli, augustus en september 2024, waarop een belastbaar jaarloon van € 75.920,- bruto is vermeld. Verder wordt er rekening gehouden met de arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg dan in 2024 € 4.250,- per maand.
4.2.12.
De vrouw had ten tijde van de relatie van partijen geen inkomen, waardoor het netto besteedbaar gezinsinkomen enkel wordt gebaseerd op basis van het inkomen van de man.
4.2.13.
Uit het hiervoor vermelde volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2024 € 4.250,- per maand bedroeg.
4.2.14.
Bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige] neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak, opgenomen in het Rapport Alimentatienormen, als uitgangspunt. De rechtbank overweegt dat een stijging van het inkomen van een ouder, voor zover dit inkomen door die stijging hoger wordt dan het gezinsinkomen tijdens de samenleving, in beginsel invloed behoort uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging namelijk ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van het kind zou zijn uitgegeven. Uit de onderstaande berekening van de draagkracht van de man en de vrouw blijkt dat het huidige netto besteedbaar inkomen van de man € 4.727,- per maand bedraagt en dat van de vrouw € 3.682,-. Het netto besteedbaar inkomen van de man is daarmee hoger dan het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment dat partijen uit elkaar gingen. De rechtbank zal voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] het huidige netto besteedbaar inkomen van de man hanteren.
4.2.15.
Uit de tabel eigen aandeel kinderen volgt dat partijen bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 4.727,- per maand gemiddeld € 645,- per maand uitgeven voor [minderjarige] .
Draagkracht van partijen
4.2.16.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht en in de behoefte van het kind voorzien. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die Expertgroep heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.
4.2.17.
Bij een netto besteedbaar inkomen hoger dan € 2.025,- per maand in 2025 maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310 per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
Draagkracht van de man
4.2.18.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.140,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.2.19.
Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties van de man over mei tot en met juli 2025, waarop een belastbaar jaarloon van € 87.408,- bruto is vermeld. Verder wordt er rekening gehouden met de arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen van de man is dan € 4.727,- per maand.
4.2.20.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van € 1.399,- per maand. Naast het vaste bedrag aan lasten houdt de rechtbank rekening met een last van € 370,- per maand aan aflossing van de familiehypotheek die de man betaalt, nu de vrouw hier geen verweer op heeft gevoerd. De man heeft dan een draagkracht van € 1.140,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
4.2.21.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 887,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
4.2.22.
Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de door de vrouw overgelegde arbeidsovereenkomst van 14 juli 2025 nu de vrouw heeft gesteld dat zij per 21 juli 2025 bij haar nieuwe werkgever is begonnen. Hierop is een belastbaar loon van € 3.500,- bruto per maand vermeld. Verder wordt er rekening gehouden met een vakantietoeslag van 8,33%. De rechtbank kan uit de arbeidsovereenkomst niet opmaken in hoeverre en voor welk bedrag de vrouw mogelijk premies betaalt. De rechtbank kan daar dan ook geen rekening mee houden in de berekening. De rechtbank zal wel rekening houden met de algemene heffingskorting, arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw is dan € 3.682,- per maand.
4.2.23.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van € 887,- per maand.
Verdeling van de kosten
4.2.24.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
4.2.25.
De ouders hebben samen een draagkracht van € 2.027,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 645,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van € 363,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van € 282,- per maand.
Zorgkorting
4.2.26.
De man maakt op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten et cetera: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – de kosten van [minderjarige] (de ‘behoefte’). De rechtbank houdt daar rekening mee door de bijdrage van de man te verlagen met een percentage van de behoefte van [minderjarige] of een deel daarvan: ‘de zorgkorting’.
4.2.27.
[minderjarige] verblijft gemiddeld 2 dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus € 161,- per maand. Dat betekent dat uit de berekening volgt dat de man een bedrag van € 202,- per maand zou moeten bijdragen.
Conclusie
4.2.28.
Nu de man de rechtbank verzoekt te bepalen dat hij maandelijks een bedrag van € 250,- zal betalen als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en de man dit al lange tijd betaalt, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen. De door de man verzochte bijdrage komt met inachtneming van het voorgaande de rechtbank niet onredelijk voor.
Alimentatie vooruitbetalen
4.2.29.
De rechtbank beslist dat de man de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Kinderopvangkosten
4.2.30.
Tot slot merkt de rechtbank op dat partijen het met elkaar eens zijn dat de man de helft van de netto (kinder)opvangkosten van [minderjarige] betaalt. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, kan de vrouw de maandelijkse facturen aan de man toesturen zodat dat de man de helft van het netto bedrag aan (kinder)opvangkosten zal voldoen. De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt een zorgregeling waarbij [minderjarige] vanaf nu bij de man zal verblijven:
- elke dinsdag van 07:30 uur tot 19:30 uur;
- twee weekenden per maand van zaterdag 07:30 uur tot zondag 19:30 uur (met overnachting) en waarbij de precieze invulling van de weekenden in onderling overleg tussen partijen wordt bepaald aan de hand van het werkrooster van de man;
5.2.
bepaalt dat [minderjarige] drie weken per jaar gedurende de (zomer)vakantie bij de man verblijft, waarbij [minderjarige] totdat zij naar de basisschool gaat maximaal één week aaneengesloten bij de man is. Vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, zullen partijen in onderling overleg de verdere vakanties en feestdagen met elkaar verdelen en toewerken naar een langer verblijf dan één week van [minderjarige] bij de man gedurende de vakanties;
5.3.
bepaalt dat de man vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 250,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
5.4.
bepaalt dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
5.5.
stelt vast dat de man de helft van de netto (kinder)opvangkosten van [minderjarige] aan de vrouw zal betalen;
5.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. M. Overmars, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 19 september 2025. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).