ECLI:NL:RBAMS:2025:7857

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
775174 - FA RK 25/6737
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 lid 1 WvggzArt. 10:11 WvggzArt. 8:9 lid 3 WvggzArt. 9:1 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht en schadevergoeding wegens niet wijzen op recht op patiëntenvertrouwenspersoon bij verplichte zorg

Betrokkene is opgenomen met een TBS-verpleging vanwege schizofrenie en kreeg een zorgplan met verplichte zorg, waaronder medicatietoediening. Op 2 juli 2025 werd hij schriftelijk geïnformeerd over deze verplichte zorg, maar zonder melding van het recht op ondersteuning door een patiëntenvertrouwenspersoon (pvp).

Verzoeker diende op 23 juli 2025 een klacht in bij de klachtencommissie GGZ Amsterdam over de medicatiebeslissing en het ontbreken van informatie over het recht op een pvp. De klachtencommissie verklaarde de klacht niet-ontvankelijk wegens eerdere ongegronde klachten over hetzelfde onderwerp. Verzoeker ging in beroep bij de rechtbank en vorderde tevens schadevergoeding wegens stress en onrust.

De rechtbank oordeelt dat er voldoende bewijs is voor de psychische stoornis en noodzaak van medicatie, waardoor de klacht over medicatietoediening ongegrond is. Wel is vastgesteld dat verzoeker niet op het recht op bijstand van een pvp is gewezen, wat een procedurefout is. Dit heeft geleid tot immateriële schade waarvoor de rechtbank een billijke schadevergoeding van €75 toekent.

De zorgaanbieder Arkin wordt veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding. De rechtbank benadrukt het belang van communicatie in de moedertaal van verzoeker en het gebruik van een tolk om volledige informatieverstrekking te waarborgen.

Uitkomst: De klacht over medicatietoediening wordt ongegrond verklaard, maar de klacht over het niet wijzen op het recht op een patiëntenvertrouwenspersoon wordt gegrond verklaard en leidt tot een schadevergoeding van €75.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/775174 – FA RK 25/6737
Beslissing over een klacht en schadevergoeding ex artikel 10:7 lid 1 en Pro 10:11 van de Wet
verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
Beschikking van 3 oktober 2025van de rechtbank Amsterdam op het ingediende verzoekschrift van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] (Ceylon),
wonende en verblijvende te [adres] ,
zorgaanbieder: Arkin, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. K.D. Regter te Heerlen,
ter verkrijgen van een beslissing over een klacht door verzoeker ingediend op 23 juli 2025 bij de klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de klachtencommissie) en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.
Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:
de zorgaanbieder Arkin,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: verweerster.

1.Procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-het verzoekschrift, met bijlagen, ingediend door verzoeker, ontvangen door de griffie op 5 september 2025;
-de e-mail van Arkin van 15 september 2025 met het bij de klachtencommissie ingediende verweerschrift.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025 in de accommodatie van Arkin, locatie [locatie] . Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door een tolk Tamil;
- de raadsman;
- mw. [naam 1] , klinisch psycholoog;
- mw. [naam 2] , arts;
- [naam 3] , groepsbegeleidster.

2.De feiten

2.1.
Betrokkene is opgenomen met een TBS met bevel tot verpleging in een kliniek vanwege een behandeling voor schizofrenie. Voor betrokkene is een zorgplan opgesteld, waarin staat vermeld welke verplichte behandeling, op grond van art. 9:1 Wvggz Pro, noodzakelijk is. Dit plan stelt als toegestane vormen van verplichte zorg: toediening van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, voor maximaal drie maanden.
2.2.
Op 2 juli 2025 is verzoeker door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg. In deze brief is onder andere ‘toedienen van medicatie’ aangekruist als aan de verzoeker te verlenen vorm van verplichte zorg.
2.3.
Verzoeker heeft op 23 juli 2025 een klaagschrift bij de klachtencommissie ingediend tegen de beslissing tot toediening van medicatie en het feit dat hij niet is gewezen op het recht op ondersteuning van de patiëntenvertrouwenspersoon, (hierna pvp) zoals art. 8:9 lid 3 Wvggz Pro vereist. Verzoeker heeft verzocht de beslissing te schorsen. Ook heeft verzoeker een schadevergoeding gevraagd. Verzoeker heeft voorts verzocht op de klacht te worden gehoord.
2.4.
Bij beslissing van 28 juli 2025 heeft de klachtencommissie het klaagschrift van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd ten opzichte van een eerdere klachtenprocedure (11 februari 2025). In die eerdere procedure heeft de klachtencommissie bij beslissing van 24 februari 2025 de klacht ongegrond verklaard en het schadevergoedingsverzoek afgewezen. Deze beslissing is op 25 februari 2025 schriftelijk aan verzoeker toegezonden.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoeker heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beslissing van de klachtencommissie van 28 juli 2025 en verzocht om de zorgaanbieder te veroordelen tot het betalen van een billijke schadevergoeding aan verzoeker.

4.De standpunten

4.1.
Verzoeker stelt dat zijn klacht dat hij niet is gewezen op de pvp ten onrechte niet is beoordeeld door de klachtencommissie. Verzoeker is het niet eens met de gestelde diagnose en betwist drie door de psychiater genoemde omstandigheden op basis waarvan medicatie nodig zou zijn. Voorts wordt de motivering op grond waarvan tot niet-ontvankelijkheid is gekomen bestreden. Tot slot heeft verzoeker aangegeven dat hij gehoord had moeten worden en dat de stress en onrust die van dit alles het gevolg is geweest maakt dat schadevergoeding op zijn plaats is.
De advocaat van verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat de gestelde diagnose betwist. Verzoeker meent dat er geen sprake is van een psychotische stoornis. Naar zijn oordeel is het toedienen van (dwang)medicatie daarom niet noodzakelijk.
Volgens verzoeker zijn de argumenten die ten grondslag liggen aan de medicatiebeslissing niet recent. Op dit moment wordt verzoeker ingesteld op medicatie, maar volgens de behandelaren zou er nog sprake zijn van waanideeën. Verzoeker en zijn advocaat geven aan dat de medicatie dan dus niet effectief is en dat het gebruik ervan daarom dient te worden gestaakt, dan wel dat een andere medicatie zou moeten worden overwogen. Verzoeker ervaart bovendien aanzienlijke bijwerkingen van de medicatie, waardoor hij zijn werkzaamheden niet goed meer kan verrichten. Hij voelt zich door de medicatie niet beter, maar juist slechter.
Daarnaast voert de advocaat aan dat de procedurele vereisten niet volledig zijn nageleefd. In de brief aan verzoeker, waarin staat dat de zorgverantwoordelijke wil starten met dwangmedicatie, is niet vermeld dat verzoeker recht heeft op bijstand van een pvp. Verzoeker is mondeling verwezen naar zijn advocaat voor nadere informatie. De informatieverstrekking verliep echter via zijn strafadvocaat en niet zijn Wvggz-advocaat. Uiteindelijk heeft de Wvggz-advocaat van verzoeker hem alsnog op de hoogte gesteld van dit recht. Daarna heeft verzoeker ook de pvp benaderd. Volgens de advocaat heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van de ervaren stress en onrust. Een schadevergoeding acht de advocaat in dat verband billijk en passend.
Ten slotte benadrukt de advocaat dat het van belang is dat verzoeker alle relevante en juridische informatie in zijn eigen taal, het Tamil, ontvangt. Dit betekent dat schriftelijke communicatie bij voorkeur in het Tamil wordt verstrekt, en dat gesprekken met verzoeker dienen plaats te vinden met bijstand van een (telefonische) tolk, zodat hij volledig begrijpt wat er wordt besproken en besloten.
4.2.
Arkin heeft schriftelijk en ter zitting toegelicht dat zij zich kan vinden in de uitspraak van de klachtencommissie. Volgens de behandeld arts is bij verzoeker sprake van een grootheidswaan, waarvoor (medicamenteuze) behandeling noodzakelijk wordt geacht. Verzoeker wordt op dit moment ingesteld op medicatie, waardoor het volledige effect nog niet zichtbaar is. Er is echter wel sprake van enige verbetering. De arts heeft verder verklaard dat aandacht wordt besteed aan de bijwerkingen van de medicatie. Indien nodig zal in samenspraak met verzoeker worden bekeken of aanpassing of wijziging van de medicatie wenselijk is.
De klinisch psycholoog heeft ter zitting toegelicht dat er duidelijke psychotische symptomen aanwezig zijn, die adequate behandeling vereisen. Op dit moment stagneert de behandeling van verzoeker, waardoor geen perspectief bestaat op ontslag uit de kliniek. Daarmee veroorzaakt de psychische stoornis ernstig nadeel. Volgens de klinisch psycholoog is het van belang dat verzoeker eerst voldoende stabiliseert, waarna kan worden gewerkt aan een passende uitstroom.

5.De beoordeling

Toedienen van (dwang)medicatie
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is – op grond van de stukken en de toelichting van de arts ter zitting – voldoende vast komen te staan dat er bij verzoeker sprake is van een psychische stoornis. Ook is op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, duidelijk dat de psychische stoornis tot een aanzienlijk risico op ernstig nadeel leidt en dat het ernstig nadeel niet zonder een verplichte behandeling met medicatie kan worden afgewend. Verzoeker vertoont psychotische symptomen en zonder juiste behandeling bestaat er geen perspectief op ontslag uit de kliniek. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de wens van verzoeker om te stoppen of te veranderen van medicatie serieus wordt genomen door de behandelaren. Ook de bijwerkingen worden goed gemonitord en met verzoeker besproken.
5.2.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de klachtencommissie de klacht van
verzoeker tegen de toediening van medicatie op goede gronden ongegrond heeft verklaard. Het beroep van verzoeker op dit onderdeel zal daarom ongegrond worden verklaard.
Het niet wijzen op het recht op bijstand van eenpvp.
5.3.
Ter zitting is gebleken dat per abuis de passage over advies en bijstand van de pvp is weggevallen in de schriftelijke beslissing tot verlenen verplichte zorg van 2 juli 2025. Door verzoeker is aangegeven dat hij hier evenmin mondeling van op de hoogte is gebracht. Hij is pas op dit recht gewezen door zijn advocaat, waarna hij ook de pvp heeft benaderd en op 17 juli 2025 een gesprek met de pvp heeft gehad. De zorgaanbieder heeft deze door verzoeker geschetste gang van zaken onvoldoende gemotiveerd betwist.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de klacht van verzoeker inzake het niet wijzen op het recht op bijstand van een pvp gegrond is.
De schadevergoeding
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker door het aldus handelen van de zorgaanbieder schade heeft geleden, onder meer door stress en onrust. De rechtbank is met verzoeker van oordeel dat verzoeker daarom recht heeft op schadevergoeding.
5.6.
De hoogte van de schadevergoeding zal naar billijkheid worden vastgesteld. Bij de vaststelling van de schadevergoeding heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken die het LOVF heeft ontwikkeld.
Ook heeft de rechtbank meegewogen dat verzoeker, toen hij wel op de hoogte was van zijn recht de pvp te benaderen, dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. Alles afwegende acht de rechtbank een bedrag van € 75,- aan schadevergoeding billijk.
5.7.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat verweerster een bedrag van € 75,-
aan verzoeker dient te vergoeden.

6.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart de klacht van verzoeker ten aanzien van het toedienen van medicatie ongegrond;
- verklaart de klacht van verzoeker ten aanzien van het recht op bijstand van een pvp gegrond;
- veroordeelt verweerster tot betaling van een bedrag van € 75,- aan schadevergoeding, welk bedrag aan verzoeker dient te worden voldaan.
Deze beschikking is op 21 oktober 2025 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend door
mr. M.E.A. Nijssen, rechter, bijgestaan door L.F. Datema als griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.