Eiseres heeft bij verweerder een aanvraag ingediend voor kindgebonden budget over de jaren 2019 en 2020, welke door verweerder zijn afgewezen wegens te late indiening. De aanvraagtermijnen waren respectievelijk 1 mei 2021 en 1 mei 2022, terwijl de aanvraag pas op 12 december 2024 werd gedaan.
Eiseres voerde aan dat zij door persoonlijke omstandigheden, waaronder huiselijk geweld, echtscheidingsprocedures en taalbarrières, niet tijdig kon aanvragen. Ook stelde zij dat zij telefonisch was geïnformeerd dat geen aanvraag nodig was, en beriep zich op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een onmogelijkheid tot tijdige aanvraag en dat geen toezeggingen waren gedaan die het vertrouwensbeginsel konden rechtvaardigen.
De rechtbank benadrukte dat de wetgever bewust een dwingende termijnbepaling heeft gesteld, waardoor te late aanvragen niet in behandeling worden genomen, ook als dit financieel nadelig is. De door eiseres genoemde herstelactie voor een specifieke groep burgers was niet op haar situatie van toepassing.
Gelet hierop verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij de vordering af. Er was geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter E.M. Hansen-Löve op 27 oktober 2025.