Rembrandt Propco IV B.V., eigenaar en verhuurder van een woning, vorderde ontruiming van het gehuurde en betaling van genoten winst van de huurder [gedaagde 1], die een deel van het gehuurde onderverhuurde aan [gedaagde 2]. De huurder verbleef tijdelijk in het buitenland vanwege ziekte. Rembrandt stelde dat sprake was van onbevoegde onderverhuur en wanprestatie.
De rechtbank oordeelde dat Rembrandt onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de huurovereenkomstvoorwaarden van toepassing waren op [gedaagde 1], aangezien alleen een overeenkomst met een eerdere huurder was overgelegd. Ook was onvoldoende bewijs dat [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf had verplaatst, zodat onderverhuur niet per definitie onbevoegd was. De vordering tot ontruiming en afdracht van winst werd daarom afgewezen.
Rembrandt werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten, inclusief de kosten van de afzonderlijke gemachtigden van beide gedaagden. De rechtbank benadrukte de terughoudendheid bij ontruiming in kort geding vanwege de ingrijpende gevolgen voor de huurder.