De zaak betreft een verzoek van de officier van justitie om de beslissing over tijd en plaats van de feitelijke overlevering van een opgeëiste persoon aan Frankrijk aan te houden. Dit verzoek werd gedaan omdat de feitelijke overlevering niet binnen de wettelijke termijn van tien dagen na de uitspraak kon plaatsvinden vanwege een lopende strafzaak in Nederland.
De rechtbank overwoog dat de opgeëiste persoon reeds onherroepelijk is veroordeeld tot een geldboete voor bedreiging, welke straf geen beletsel vormt voor overlevering. De Overleveringswet (OLW) biedt geen grondslag voor uitstel op basis van deze situatie, noch was sprake van overmacht of humanitaire redenen.
De rechtbank benadrukte dat de termijn van tien dagen voor feitelijke overlevering begint te lopen op de dag van de uitspraak waarbij overlevering is toegestaan, ook als de opgeëiste persoon niet verschijnt. De vordering tot uitstel werd daarom afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter A.L. op ‘t Hoog op 5 februari 2025.