Op 16 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een civiele zaak tussen [eiser] en [gedaagde], waarbij de kantonrechter de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst en een zorgovereenkomst heeft beoordeeld. [eiser] was sinds 2021 werkzaam als zorgverlener voor [gedaagde], die als budgethouder fungeerde. De zaak draaide om de vraag of er een verlenging van de arbeidsovereenkomst had plaatsgevonden van 1 september 2023 tot en met 13 maart 2024. [eiser] stelde dat zij recht had op achterstallig loon, omdat zij in september 2023 werkzaamheden had verricht, maar [gedaagde] betwistte dit. De kantonrechter oordeelde dat er voldoende bewijs was voor de verlenging van de arbeidsovereenkomst, onder andere door een digitaal ondertekende overeenkomst en verklaringen van een sociaal raadsvrouw. De kantonrechter wees de vordering tot betaling van achterstallig loon toe, met een wettelijke verhoging van 10%, en compenseerde de proceskosten. Tevens werd [gedaagde] veroordeeld om het UWV te informeren over de ziekmelding van [eiser] en om loonspecificaties te verstrekken. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van partijen en de griffier.