ECLI:NL:RBAMS:2025:8315

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
13/221846-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel van een Poolse justitiële autoriteit

Op 29 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Circuit Court in Katowice, Polen. De officier van justitie diende op 13 augustus 2025 een vordering in tot behandeling van het EAB, dat was uitgevaardigd op 3 maart 2022. De opgeëiste persoon, geboren in Polen in 1991, is in Nederland woonachtig en heeft de Poolse nationaliteit. Tijdens de zitting op 15 oktober 2025 was de opgeëiste persoon aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, en een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot aan de uitspraak.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB een vonnis vermeldt van het District Court in Chorzów van 8 november 2011, waarin de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf van twee jaar is opgelegd. De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij een voorwaardelijke gevangenisstraf heeft gekregen, die hij heeft nageleefd, en dat hij geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd. De officier van justitie heeft gesteld dat er geen weigeringsgronden zijn voor de overlevering.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden zijn. De feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, zijn gekwalificeerd als diefstal met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, omdat aan de wettelijke eisen is voldaan en er geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van het EAB. De uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, en mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters, in aanwezigheid van griffier mr. F.K. Verbruggen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/221846-25
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 13 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 maart 2022 door de
Circuit Court in Katowice, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
wonende op het adres:
[woonadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Chorzów of 8 November 2011, referentie: UK 231/11.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, acht maanden en vijfentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
Standpunt van de verdediging
De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hem in deze zaak een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd met een proeftijd van 5 jaar en een taakstraf en geldboete. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij de taakstraf afgerond heeft, de geldboete betaald heeft en in de vijf jaren proeftijd geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Daarnaast heeft hij verklaard nooit vast te hebben gezeten in verband met deze straf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen weigeringsronden van toepassing zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het verweer van de opgeëiste persoon zo dat er geen sprake meer is van een voor tenuitvoerlegging vatbare straf, nu de gevangenisstraf voorwaardelijk was opgelegd, hij geen strafbare feiten in de proeftijd heeft gepleegd en hij de taakstraf en geldboete voltooid heeft.
De rechtbank stelt vast dat in het EAB gesproken wordt van een opgelegde gevangenisstraf van twee jaar, waarvan volgens het EAB nog één jaar, acht maanden en vijfentwintig dagen resteren. De enkele mededeling van de opgeëiste persoon dat aan hem een voorwaardelijke gevangenisstraf was opgelegd, hij zich aan de voorwaarden heeft gehouden en intussen de proeftijd is verstreken doet de rechtbank, gelet op de inhoud van het EAB, niet tot het oordeel komen dat niet van de inhoud van het EAB op dit punt kan worden uitgegaan. De opgeëiste persoon heeft immers niet concreet onderbouwd waaruit blijkt dat de vermelde straf in het EAB niet juist is en dat er geen straf meer is om uit te voeren. De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden en nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en verwerpt het verweer van de verdediging.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Circuit Court in Katowice, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.