ECLI:NL:RBAMS:2025:8340

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
C/13/767846 / HA RK 25-131
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzageverzoek in FIU-meldingen en geheimhoudingsplicht van ABN AMRO

In deze zaak hebben de verzoekers, bestaande uit twee verzoeksters en een verzoeker, een inzageverzoek ingediend bij de Rechtbank Amsterdam. Het verzoek betreft inzage in de inhoud van meldingen die door ABN AMRO aan de Financial Intelligence Unit (FIU) zijn gedaan, in het kader van een boilerroomfraude waarbij de verzoekers aanzienlijke bedragen hebben verloren. De verzoekers stellen dat zij recht hebben op deze informatie om hun proceskansen in een toekomstige bodemprocedure te kunnen inschatten. De rechtbank heeft op 16 oktober 2025 geoordeeld dat ABN AMRO niet verplicht is om deze informatie te verstrekken, omdat zij zich kan beroepen op een wettelijke geheimhoudingsplicht op grond van artikel 23 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. De rechtbank heeft de verzoeken van de verzoekers afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank concludeert dat de geheimhoudingsplicht een gewichtige reden vormt die zich verzet tegen het verstrekken van de gevraagde informatie, ongeacht de bereidheid van de verzoekers om geheimhouding te waarborgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/767846 / HA RK 25-131
Beschikking van 16 oktober 2025
in de zaak van

1.[verzoekster 1] ,

wonende te [woonplaats 1] (Malta),
2.
[verzoekster 2],
3.
[verzoeker],
beiden wonende te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk),
verzoekers,
advocaat: mr. M.A. Hupkes,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster,
hierna te noemen: ABN AMRO,
advocaat: mr. B.W. Wijnstekers.
Verzoekster sub 1 zal worden aangeduid als [verzoekster 1] , verzoekster sub 2 als [verzoekster 2] en verzoeker sub 3 als [verzoeker] . Verzoekers zullen gezamenlijk [verzoekers] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 16 april 2025 met bijlage 1 tot en met 24,
- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 5,
- de aanvullende bijlagen 25 en 26 van [verzoekers] ,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekers] zijn slachtoffer geworden van boilerroomfraude. De boilerroom stuurde [verzoekers] facturen voor obligaties die zij dachten te hebben gekocht. Op de factuur stond de naam van een Nederlandse B.V. waaraan moest worden betaald: [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) en het rekeningnummer ( [rekeningnummer 1] ) van [bedrijf] bij ABN AMRO. [verzoekers] hebben tussen 24 november 2022 en 21 maart 2023 in totaal € 728.344,91 overgemaakt naar deze rekening.
2.2.
[naam] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] . Hij heeft zich op 12 januari 2024 bij de raadsman van [verzoekers] telefonisch gepresenteerd als geldezel en doorgeefluik voor een boilerroomfraudeur in Polen.
2.3.
[verzoekster 1] heeft een kort geding aanhangig gemaakt tegen [bedrijf] , [naam] en ABN AMRO. [bedrijf] en [naam] zijn bij verstek veroordeeld tot betaling van € 376.781,78. De vordering tegen ABN AMRO strekte tot verstrekken van inzage in stukken en is ingetrokken nadat partijen daarover overeenstemming hadden bereikt.
2.4.
ABN AMRO heeft op 19 januari 2024 bankafschriften van [bedrijf] verstrekt. In die bankafschriften waren de inkomende betalingen van [verzoekster 1] bij [bedrijf] en doorbetalingen zichtbaar aan de privérekening van [naam] ( [rekeningnummer 2] bij ABNA AMRO. De afschriften van die rekening van [naam] zijn vervolgens ook (gedeeltelijk) verstrekt. Daarin waren doorbetalingen van de gestorte bedragen naar (een Britse bankrekening op naam van) Payward Ltd, een onderdeel van de het internationale cryptoplatform Kraken (hierna: Kraken), zichtbaar.
2.5.
[verzoekster 2] en [verzoeker] hebben een kort geding aanhangig gemaakt tegen [bedrijf] en [naam] . [bedrijf] en [naam] zijn bij verstek veroordeeld tot betaling van € 374.489,00.
2.6.
De bij Kraken aangehouden accounts blijken leeg, de daarin aangekochte cryptovaluta zijn doorgezonden. [bedrijf] en [naam] zijn failliet verklaard en bieden geen verhaal.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekers] verzoeken de rechtbank om een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking waarin ABN AMRO wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na de te geven beschikking door middel van toezending per e-mail aan de advocaat van [verzoekers] inzage te geven in en/of te verstrekken:
I. De door het transactiemonitoringssysteem gegenereerde fraude-alerts inzake rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] ,
II. De (digitale) bestanden houdende de datum en het exacte tijdstip van blokkade van de hiervoor sub I bedoelde rekeningnummers alsmede de datum en het exacte tijdstip van de opheffing daarvan,
III. Alle door de bank aan de Financial Intelligence Unit (hierna: FIU) aangeleverde meldingen en alle daarmee samenhangende berichten en correspondentie inzake de hiervoor sub I bedoelde rekeningnummers,
IV. De digitale opname van de navolgende gevoerde telefoongesprekken,
24 november 2022: [telefoonnummer 1] (duur 7:50’)
17 januari 2023: [telefoonnummer 2] (duur 12:09’)
24 januari 2023: [telefoonnummer 1] (duur 6:07’)
V. Het (digitale) verslag naar aanleiding van de onder IV bedoelde gesprekken,
VI. Voorwaardelijk, indien de onder IV bedoelde gespreksopnames niet bestaan, met het oog op het hierna te noemen voorlopige getuigenverhoor; de naam en het adres (desverlangd: een gekozen domicilieadres) van de compliance-medewerkers die de onder IV bedoelde telefoongesprekken hebben gevoerd, zodat deze personen kunnen worden opgeroepen voor het hierna te noemen voorlopige getuigenverhoor,
Voorwaardelijk om, indien de onder IV bedoelde gespreksopnames niet bestaan,
VII. te bevelen dat omtrent de feiten en omstandigheden genoemd in dit verzoekschrift een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden, met benoeming van de rechter-commissaris ten overstaan van wie dit getuigenverhoor zal worden gehouden, met bepaling van het tijdstip waarop dit voorlopige getuigenverhoor zal plaatsvinden en van het tijdstip waarop verzoekers uiterlijk een afschrift van dit verzoekschrift en van de daarop te geven beschikking aan de gerekwestreerden moeten doen toekomen.
3.2.
[verzoekers] leggen aan het verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag. Zij verzoeken om inzage op grond van artikel 195 Rv en voorwaardelijk om een voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 196 Rv. [verzoekers] zijn voornemens een bodemprocedure aanhangig te maken waarin zij ABN AMRO aansprakelijk willen stellen voor de door hun geleden schade. Banken hebben een bijzondere zorgplicht, ook tegenover derden. De datum van subjectieve bekendheid van ABN AMRO met de fraude is in deze zaak cruciaal. Op drie momenten heeft ABN AMRO telefonisch contact gehad met [naam] . Ten minste twee rekeningblokkades vonden plaats naar aanleiding van een fraude-alert dat werd getriggerd door het transactiemonitoringssysteem van de bank. Bij adequaat handelen van ABN AMRO zou (verdere) schade van [verzoekers] zijn voorkomen. Om hun proceskansen te wegen waarbij zij het bestaan van subjectieve wetenschap moeten bewijzen, wensen [verzoekers] de verzochte informatie te ontvangen en voorwaardelijk om een voorlopig getuigenverhoor, aldus [verzoekers]
3.3.
ABN AMRO concludeert tot afwijzing, met een veroordeling van [verzoekers] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, indien nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Dit verzoek heeft een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en welk recht van toepassing is.
4.2.
ABN AMRO is in deze procedure verschenen en heeft daarmee de rechtsmacht van de Nederlandse rechter als zodanig stilzwijgend aanvaard. De rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen van [verzoekster 1] kan daarom worden gebaseerd op artikel 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis. De rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen van [verzoekster 2] en [verzoeker] kan worden gebaseerd op artikel 9 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) omdat tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland geen verdrag (meer) van toepassing is met betrekking tot de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Daarom moet worden teruggevallen op het (commuun) Nederlands recht.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat partijen in deze zaak zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht, zoals blijkt uit de over en weer betrokken standpunten. Het Nederlandse recht is dus van toepassing.
absolute bevoegdheid
4.4.
De rechtbank stelt vast dat [verzoekers] verzoeken om een voorlopige bewijsverrichting voorafgaand aan een bodemprocedure. [1] Het verzoek is gedaan bij de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de bodemzaak kennis te nemen. [2] De rechtbank is dus absoluut bevoegd.
juridisch kader
4.5.
Voor toewijzing van een vordering tot recht op inzage in de zin van artikel 195 Rv moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. [3] Wanneer sprake is van een uitzonderingsgrond – zoals een gewichtige reden (artikel 194 lid 2 Rv) – verzet dat zich tegen het verstrekken van de gevraagde informatie. [4]
inhoudelijke boordeling
4.6.
Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat ABN AMRO de stukken die worden gevorderd onder I, II, IV, V al heeft verstrekt aan [verzoekers] en dat de voorwaarde van vordering VI en VII niet in vervulling is gegaan. Dat betekent dat [verzoekers] geen belang (meer) hebben bij deze vorderingen. Daarom wijst de rechtbank deze vorderingen af.
4.7.
Dit betekent dat de enige vraag die (nog) voorligt is of ABN AMRO is gehouden de onder III gevorderde informatie te verstrekken. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [verzoekers] primair verzoeken om inzage in de inhoud van de FIU-meldingen en de datum waarop zij zijn gedaan. Subsidiair verzoeken [verzoekers] om inzage in de datum waarop de FIU-meldingen zijn gedaan.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat ABN AMRO hiertoe niet gehouden is omdat ABN AMRO ten aanzien van (al dan niet) aan de FIU verstrekte informatie een beroep kan doen op haar geheimhoudingsplicht. Dat is een gewichtige reden die zich verzet tegen het verstrekken van de gevraagde informatie. Hierna legt de rechtbank dit oordeel uit.
4.9.
ABN AMRO heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op haar op grond van artikel 23 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme een wettelijke geheimhoudingsplicht rust over (informatie over) een eventuele FIU-melding jegens een ieder, voor zover niet uit de wet zelf de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. Van een wettelijke noodzaak tot bekendmaking is niet gebleken. Dit betekent dat ABN AMRO in beginsel aan deze geheimhoudingsplicht is gebonden.
4.10.
De wetgever heeft een wettelijke geheimhoudingsplicht bij uitstek bedoeld als een gewichtige reden als bedoeld in artikel 194 lid 2 Rv. Dat blijkt uit de Memorie van Toelichting van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht:
“(...)
Voorts valt te denken aan het bestaan van een wettelijke geheimhoudingsplicht die niet is erkend door toekenning van een verschoningsrecht, maar die wel de voor toekenning van een verschoningsrecht vereiste afweging in zich draagt. Toezichthouders moeten bijvoorbeeld gegevens die zij in het kader van het door hun uit te oefenen toezicht vertrouwelijk hebben ontvangen, geheim houden. De plicht tot geheimhouding strekt tot het bevorderen van effectief toezicht. Daartoe moet gewaarborgd zijn dat informatie door degenen die onder toezicht staan en derden vertrouwelijk en zonder terughoudendheid aan de toezichthouder kan worden verstrekt.(...)” [5]
4.11.
Ook als verzoekers aan de voorwaarden voor inzage hebben voldaan, verzet deze geheimhoudingsplicht zich tegen verstrekking van de gevraagde bescheiden. Dat [verzoekers] bereid zijn tot geheimhouding met betrekking van de verzochte informatie, maakt dat niet anders. Het gaat er immers om dat voor effectief toezicht nodig is dat – in dit geval – een bank erop kan vertrouwen dat de informatie die wordt verstrekt aan de toezichthouder, vertrouwelijk blijft ten opzichte van ieder ander. Terecht heeft ABN AMRO aangevoerd dat die geheimhoudingsplicht zich ook uitstrekt tot de vraag óf er een FIU-melding is gedaan. Anders dan [verzoekers] voorstaan, stuit dus ook het subsidiaire verzoek tot het verstrekken van informatie over data waarop een FIU-melding is gedaan af op deze geheimhoudingsplicht.
4.12.
De conclusie is dat de rechtbank ook deze vordering afwijst. De overige standpunten van [verzoekers] hoeven geen bespreking.
proceskosten
4.13.
[verzoekers] zijn in het ongelijk gesteld. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om [verzoekers] in de proceskosten (inclusief nakosten) te veroordelen. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden tot op heden begroot op € 2.120,00. Dit bedrag is opgebouwd uit € 714,00 aan griffierecht, € 1.228,00 aan salaris advocaat (twee punten x tarief € 614,00) en de kosten die na deze beschikking ontstaan (€ 178,00), te vermeerderen zoals in de beslissing is bepaald.
4.14.
De rechtbank ziet aanleiding om deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zoals gevorderd door ABN AMRO, op grond van artikel 288 Rv.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzochte af,
5.2.
veroordeelt [verzoekers] in de proceskosten van € 2.120,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [verzoekers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordelingen onder rov. 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.M. Visser, rechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.

Voetnoten

1.Artikel 196 Rv.
2.Artikel 197 Rv.
3.Artikel 194 lid 1 Rv.
4.Artikel 194 lid 2 Rv.
5.Kamerstukken II 2019/20, 35 498 nr. 3. p. 51-52