ECLI:NL:RBAMS:2025:8361

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
11759411 WM 25-9633
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 WAMArt. 2, derde lid WAMArt. 67, eerste lid Wegenverkeerswet 1994Art. 2, derde lid WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging sanctie wegens niet-verzekerde bromfiets ondanks beslagname

Betrokkene werd een administratieve sanctie opgelegd wegens het niet afsluiten en in stand houden van een verzekering voor zijn bromfiets, zoals vereist volgens artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). De overtreding werd vastgesteld bij een registercontrole op 6 maart 2024. Betrokkene voerde aan dat de bromfiets sinds januari 2024 in beslag was genomen door de politie en niet in zijn bezit was, waardoor hij niet wist dat hij het voertuig had moeten schorsen.

De rechtbank overwoog dat de beslagname de kentekenhouder niet ontslaat van zijn verplichtingen en dat het niet tijdig schorsen van het voertuig voor eigen rekening en risico komt. Wel achtte de rechtbank de bijzondere omstandigheden aanleiding om van de vaste sanctietarieven af te wijken en matigde zij de sanctie aanzienlijk.

De kantonrechter verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond en stelde de sanctie vast op €30 exclusief administratiekosten. Tevens werd bepaald dat het teveel betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd. Betrokkene was niet verschenen bij de zitting, maar het beroep was tijdig ingediend en de procedure werd schriftelijk behandeld.

Uitkomst: Sanctie wegens niet-verzekeren bromfiets gematigd tot €30 vanwege beslagname en bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. A.P. Ploeger
zaaknummer: 11759411 WM VERZ 25-9633
beslissing van: 21 oktober 2025
func.: 43837
Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 21 oktober 2025 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

[betrokkene]

[adres]
verder: betrokkene
welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 27 augustus 2024 en is gericht tegen de beslissing van 16 juli 2024 van de
officier van justitie(verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren [geboortedatum] 2008.

CJIB-nummer: [nummer]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 25 april 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Betrokkene heeft tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 21 oktober 2025. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet bij de zitting verschenen.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep ongegrond is.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat voor de bromfiets met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, niet de vereiste verzekering is afgesloten en in stand is gehouden. Deze overtreding is geconstateerd bij een registercontrole, uitgevoerd door de RDW op 6 maart 2024.
Het beroep is tijdig ingesteld.
Betrokkene voert tegen de beslissing van verweerder aan dat de boete onterecht is opgelegd, omdat het voertuig ten tijde van de vermeende overtreding niet in zijn bezit was. De bromfiets was namelijk door de politie in beslag genomen en stond al sinds januari 2024 bij het Beslagloket. Betrokkene wist niet dat hij de bromfiets dan ook nog had moeten schorsen. Het is zijn eerste scooter. Zodra betrokkene de brief van de RDW kreeg heeft hij de bromfiets onmiddellijk geschorst.
Verder stelt betrokkene dat hij niet eerst een waarschuwing heeft ontvangen van de RDW dat het voertuig geschorst moest worden. Bovendien heeft de rechter het voertuig verbeurd verklaard. Dus het voertuig is ook van zijn naam gehaald.
Ter onderbouwing van zijn verweer heeft betrokkene een kopie van een bericht van het Beslagloket d.d. 26 februari 2024 aan het beroepschrift gevoegd.
4. Ter zitting geeft verweerder desgevraagd aan dat zij niet heeft uitgezocht wanneer de bromfiets precies in beslag is genomen door de politie. Verweerder achtte deze informatie niet relevant om de gedraging te kunnen vaststellen. Betrokkene heeft niet snel genoeg actie ondernomen nadat de bromfiets in beslag was genomen. Dat betrokkene niet wist dat hij de bromfiets had moeten schorsen, dient voor eigen rekening en risico te komen. Gelet op het voorgaande verzoekt verweerder de kantonrechter om het beroep ongegrond te verklaren.
5. Het volgende wordt overwogen.
6. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Deze bepaling brengt mee dat voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, degene aan wie het kenteken is opgegeven een verzekering overeenkomstig deze wet moet afsluiten en in stand houden.
Ten tijde van de registercontrole was het op naam van de betrokkene gestelde voertuig niet verzekerd en de tenaamstelling in het kentekenregister evenmin geschorst.
7. Uit artikel 67, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 blijkt dat betrokkene als kentekenhouder van het motorrijtuig er verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer te verzoeken de tenaamstelling in het kentekenregister te schorsen. Deze schorsing brengt mee dat de verzekeringsplicht gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 2, derde lid, van de WAM) en betrokkene dus niet strafbaar is wanneer er dan geen verzekering van kracht is (artikel 30, derde lid, van de WAM).
8. Gelet op het voorgaande kan niet worden gesteld dat de sanctie ten onrechte aan betrokkene is opgelegd. De omstandigheid dat op 6 maart 2024 geen sprake (meer) was van een verzekering, dient, ook onder aangevoerde omstandigheden, voor rekening en risico van betrokkene te komen. Het beslag op de bromfiets ontheft de kentekenhouder niet van zijn voertuigverplichtingen. Betrokkene had het voertuig tijdig moeten schorsen.
9. Op grond van artikel 2, derde lid, WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt met zich dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere zaken kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.
10. Dit is in de onderhavige zaak het geval. Betrokkene heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de bromfiets door de politie in beslag was genomen en dat er niet mee gereden kon worden. Deze omstandigheden vormen aanleiding om van de vastgestelde tarieven af te wijken. De sanctie wordt gematigd als na te melden.
11. Zodat wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:
- verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond en stelt, onder wijziging van de inleidende beschikking, de sanctie vast op € 30,00 exclusief administratiekosten;
- bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd voor zover dit het genoemde bedrag, vermeerderd met de administratiekosten, te boven gaat.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u
binnen zes wekenna de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk,
tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.