ECLI:NL:RBAMS:2025:8366

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
C/13/760575 / HA ZA 24-1324
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot verklaring voor recht inzake rechtsmacht en onrechtmatig handelen bij herstructurering van de Fortenova-groep

In deze zaak vorderen de eisers, bestaande uit verschillende vennootschappen en stichtingen van de Fortenova-groep, verklaringen voor recht dat zij niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gedaagden bij de herstructurering van de onderneming. De rechtbank Amsterdam behandelt de vraag of zij rechtsmacht heeft om de vorderingen van eisers te beoordelen. De rechtbank concludeert dat zij rechtsmacht heeft voor alle vorderingen. De zaak betreft een complexe herstructurering van de Fortenova-groep, die voortkwam uit financiële problemen van de Kroatische Agrokor-groep. De eisers hebben een herstructureringsplan uitgevoerd waarbij onder andere de vorderingen van schuldeisers zijn omgezet in aandelen en converteerbare obligaties. De rechtbank heeft vastgesteld dat de besluiten van de DR Holders vergadering en de besluiten van het bestuur van TopCo rechtsgeldig zijn, en dat de eisers niet onrechtmatig handelen door de MidCo Sale uit te voeren. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU over prejudiciële vragen die door de Hoge Raad zijn gesteld in een andere zaak.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/760575 / HA ZA 24-1324
Vonnis in incident van 15 oktober 2025
in de zaak van
1. de stichting
FORTENOVA GROUP STAK STICHTING,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FORTENOVA GROUP TOPCO B.V.,
3. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FORTENOVA GROUP MIDCO B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FORTENOVA GROUP HOLDCO B.V.,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FORTENOVA GROUP B.V.(voorheen: Iter Bidco B.V.),
6. de stichting
FORTENOVA STAK STICHTING(voorheen: Iter Stichting),
allen gevestigd in Amsterdam,
advocaten mrs. P. Sluijter, J.W. de Groot en B. Wanders,
7.
de vennootschap naar buitenlands recht
OPEN PASS LIMITED,
gevestigd te Sliema (Malta),
8.
[eiser 8],
wonende te [woonplaats 1] (Kroatië),
advocaten mrs. J.W. de Groot en R.G.J. de Haan,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
SBK ART LLC,
gevestigd te Moskou (Russische Federatie),
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] (Verenigde Arabische Emiraten),
3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 1] (Kroatië),
advocaat: mrs. E.J.H. Zandbergen en G.M. Unval,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident.
Partijen worden hierna Stichting, TopCo, MidCo, HoldCo, Fortenova Group, Fortenova Stak, Open Pass, [eiser 8] , SBK Art, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd. Eiseressen 1 tot en met 4 in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk Stichting c.s. genoemd, eiseressen 5 en 6 worden gezamenlijk Group c.s. genoemd en alle eisers gezamenlijk worden Fortenova c.s. genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk SBK c.s. genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Eisers in deze zaak vorderen verklaringen voor recht inhoudende dat zij niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens gedaagden bij de herstructurering van de onderneming, waarin gedaagden een belang hadden. In dit vonnis gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om de door eisers jegens gedaagden ingestelde vorderingen te beoordelen. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij voor alle vorderingen rechtsmacht heeft.
De zaak zal pas verder worden behandeld nadat het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) een uitspraak heeft gedaan over vragen die de Hoge Raad heeft gesteld in een andere zaak tussen partijen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 mei 2024, met producties,
- de akte overlegging producties aan de zijde van Fortenova c.s.,
- de akte exceptie van onbevoegdheid van SBK c.s., met producties,
- het antwoord van Fortenova c.s. op de exceptie van onbevoegdheid, met producties,
- de rolbeslissing van 26 maart 2025, waarin een mondelinge behandeling in het incident is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 1 september 2025, waarvan een verkort proces-verbaal van is opgemaakt, met de daarin genoemde stukken.
2.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

3.De feiten

3.1.
In 2017 kwam de Kroatische Agrokor-groep in financiële problemen. Met haar schuldeisers is een
settlement planovereengekomen. Hierbij heeft een herstructurering en doorstart van de groep plaatsgevonden en zijn o.a. de vorderingen van Agrokor omgezet in kapitaal. De Fortenova-groep is ontstaan als gevolg van deze herstructurering. Schuldeisers verkregen, via Stichting, certificaten van aandelen (
depositary receipts, afgekortDRs) en converteerbare obligaties (
convertible bonds, afgekortCBs) uitgegeven door TopCo.
3.2.
De structuur is als volgt:
3.3.
Stichting en TopCo staan aan het hoofd van de Fortenova-groep. Stichting heeft DRs uitgegeven in TopCo. TopCo houdt op haar beurt alle aandelen in MidCo, en MidCo houdt alle aandelen in HoldCo. HoldCo is de enige aandeelhouder van Fortenova grupa d.d. en laatstgenoemde is de operationele houdstermaatschappij voor alle zakelijke activiteiten van de Fortenova-groep.
3.4.
Onder de schuldeisers van Agrokor waren ook twee Russische banken (afgekort Sberbank en VBTE). Sberbank heeft in 2022 SBK opgericht voor het houden van haar 41,8% belang in Fortenova. VBTE houdt 7,27% van de door Stichting uitgegeven DRs (en CBs). De overige DRs worden gehouden door 582 andere partijen, waaronder Open Pass met een belang van 27,59% en [gedaagde 3] met een belang van circa 0,063%.
3.5.
Fortenova Group (voormalig Iter BidCo) is een Nederlandse vennootschap, opgericht op 15 september 2023 met het oog op verwerving van de aandelen van TopCo in MidCo. Fortenova STAK (voormalig Iter Stichting) is eveneens opgericht op 15 september 2023 met het oog op de transactie.
3.6.
Open Pass is onderdeel van een groep vennootschappen en is primair actief in Kroatië. Aandeelhouder van Open Pass is [eiser 8] .
3.7.
In april 2022 heeft Sberbank haar DRs en CBs overgedragen aan SBK.
3.8.
Op 21 juli 2022 is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1270 van de Raad tot uitvoering van Verordening (EU) Nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014
Sberbank toegevoegd aan de in bijlage I bij Verordening 269/2014 opgenomen lijst
(hierna: sanctielijst). SBK, als 100% dochter van Sberbank, viel indirect ook onder deze sancties.
3.9.
In ditzelfde jaar heeft Open Pass een verzoek gedaan tot het wijzigen van de statuten. Stichting is daarna overgegaan tot bijeenroeping van de DR Holders op respectievelijk 18 augustus, 30 augustus en 8 september 2022 om de voorstellen van Open Pass in stemming te brengen. In de oproepingsberichten heeft Stichting erop gewezen dat DR Holders onderworpen aan sanctiewetgeving op die grond waren uitgesloten van het uitoefenen van hun vergader- en stemrechten.
3.10.
Op 3 november 2022 heeft Sberbank aan Fortenova c.s. laten weten dat zij haar belang in SBK heeft verkocht en overgedragen aan [gedaagde 2] .
3.11.
Op 16 december 2022 is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2476 van de Raad SBK aan de sanctielijst toegevoegd.
3.12.
Op 12 januari 2023 is het voorstel tot Statutenwijziging aangenomen.
3.13.
Op 26 april 2023 heeft Fortenova-groep een brief gestuurd naar alle DR Holders. Hierin staat onder andere:
“As you know, sanctioned persons account for 49.9% of Fortenova STAK’s total equity structure. This situation is continuing to cause actual and threatens to cause future difficulties for the Group (…)
(…) It is therefore clear that Fortenova STAK’s equity structure is no longer sustainable – neither in the long-run, nor even in the short-run. A solution must be found which safeguards the sustainability and value of the Group’s business operation, respects the interests of all the equity holders (whether sanctioned or not), the Group’s millions of customers, over 45,000 employees and other stakeholders.
The proposed way to progress from the current status quo is to potentially conduct a carve-out sale of the MidCo to a non-sanctioned investor or group of investors with the proceeds of such sale to be disbursed to the current Fortnova STAK equity holders.
(…) To optimize the proceeds of such a potential sale in the interest of TopCo and its equity holders and under the constrained circumstances the Group finds itself in, a global investment bank (rb: Lazard)
has been engaged with the assignment of conducting a sales process for potentially 100% of the shares in MidCo and will shortly start reaching out to potential third party investors in connection with that process. Any final decision on the sale of MidCo will be subject to a decision of the TopCo board and a vote of the DR Holders of Fortenova STAK.”
3.14.
Op 12 juni 2023 heeft Fortenova-groep ook een brief gestuurd naar alle DR Holders. Hierin staat:
“(…) Unfortunately no potentially interested party submitted a non-binding offer on or around the aforementioned deadline. Some of these parties have indicated since, that the fact that the current capital structure contains sanctioned holders, is prohibitive for considering any kind of offer.
We have considered this outcome and have to conclude that a sale of MidCo to a third party is not feasible at present. As a result, alternative options are considered with the aim of finding a solution which will safeguard the sustainability and the value of the Group’s business operation and respects the interests of all stakeholders (…) as much as possible.
In this context we refer to our letter of 26 April 2023 in which we invited you to suggest and provide proposals for alternative solutions. Although we received some response to this outreach, no proposals for alternative solutions haven been made and we have decided that we will now actively reach out to our largest non-sanctioned holders of depositary receipts and convertible bonds to explore solutions. Notwithstanding, we still invite other non-sanctioned holders of depositary receipts and convertible bonds to contact us should they have a proposal for a solution.”
3.15.
In de bestuursvergadering van 5 juli 2023 werd de aanvang van het onderzoek naar de DR Holder Solution besproken. Op 7 juli 2023 heeft de Fortenova-groep dertien DR Holders benaderd voor een overleg op 12 juli 2023 om de noodzaak tot en de voorgestelde structuur van de verkoop van MidCo toe te lichten.
3.16.
In de periode daarna kreeg de DR Holder Solution meer vorm en na onderhandelingen heeft Open Pass op 16 oktober 2023 een
binding offeruitgebracht. Op 28 november 2023 heeft het bestuur van TopCo in een te Amsterdam gehouden bestuursvergadering unaniem goedkeuring gegeven voor de MidCo Sale.
3.17.
Het bestuur van Stichting heeft na het besluit van 28 november 2023 een oproeping gedaan voor een DR Holders vergadering van Stichting te houden op 8 december 2023 in het [locatie] . Op de agenda van 8 december 2023 stond het nemen van het besluit tot goedkeuring van de verkoop van MidCo.
3.18.
Op 19 december 2023 heeft een tweede DR Holders vergadering plaatsgevonden, eveneens in het [locatie] . Hierbij is de goedkeuring van de MidCo Sale ter stemming voorgelegd aan de DR Holders. De MidCo Sale is daarbij met een meerderheid van 97% van de aanwezigen en in aanmerking komende DRs goedgekeurd.
3.19.
Op 28 december 2023 zijn de SPA en de Relationship Agreement ondertekend door TopCo, Group c.s. en Open Pass.

4.Het geschil in de hoofdzaak

4.1.
Fortenova c.s.vordert te verklaren voor recht dat:
De besluiten van de DR Holders vergadering d.d. 8 december 2023 en 19 december 2023 om goedkeuring te verlenen voor het aangaan van de MidCo Sale en de besluiten van het bestuur van TopCo d.d. 28 november 2023 en 28 december 2023 om goedkeuring te verlenen aan de MidCo Sale en de transactiedocumentatie daartoe aan te gaan, rechtsgeldig zijn,
Fortenova c.s. met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale door uitvoering te geven aan de voornoemde besluiten niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s.,
Fortenova c.s. met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale door het nakomen van de reeds aangegane overeenkomsten met betrekking tot de transactie niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s.
4.2.
Iter BidCovordert te verklaren voor recht dat:
Iter BidCo c.s. met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s.,
Iter BidCo c.s. met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale door het nakomen van de reeds aangegane overeenkomsten met betrekking tot de transactie niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s.
4.3.
Open Passvordert te verklaren voor recht dat:
vi. Open Pass (i) door in de certificaathoudersvergaderingen haar stemrecht uit te oefenen voor het besluit om tot de MidCo Sale over te gaan en (ii) met het aangaan en nakomen van de door haar aangegane overeenkomsten en andere verrichte rechtshandelingen inzake de MidCo Sale, niet onrechtmatig handelt jegens SBK c.s.,
4.4.
[eiser 8]vordert te verklaren voor recht dat:
vii. Hij, noch in zijn hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder van Open Pass, noch als niet-uitvoerend bestuurder van Fortenova Grupa d.d., noch op enige andere wijze of in enig andere capaciteit, onrechtmatig handelt en heeft gehandeld of op enige andere grondslag aansprakelijk is jegens SBK c.s., in verband met het aangaan en effectueren van de MidCo Sale of enige daarmee samenhangende transactie.
4.5.
Alle eisersindividueel en gezamenlijk vorderen
viii. Gedaagden te veroordelen in de proceskosten plus de wettelijke rente over deze kosten,
een en ander zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
4.6.
Fortenova c.s. legt hieraan ten grondslag dat SBK c.s. een waaier aan procedures heeft geïnitieerd die Fortenova c.s. in gevaar brengt. Fortenova c.s. heeft er dan ook belang bij om vast te laten stellen dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens SBK c.s. door uitvoering te geven aan de MidCo Sale.
4.7.
SBK c.s. heeft in de hoofdzaak nog niet van antwoord gediend.

5.Het geschil in incident

5.1.
SBK c.s. vordert in het incident dat de rechtbank een oordeel inzake de vordering tot verklaring voor recht inzake rechtsgeldigheid van besluiten (vordering i) aanhoudt tot is geoordeeld in de drie Nederlandse vernietigingsprocedures, de HvJEU-procedure (en daaropvolgend de Hoge Raad) alsmede de procedure voor het EU Gerecht.
Daarnaast is de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van de overige vorderingen van eisers, althans dient de rechtbank zijn uitspraak inzake die overige vorderingen aan te houden tot de bevoegdheid van de Maltese rechter in de Maltese procedure komt vast te staan, met veroordeling van eisers in de kosten.
5.2.
Fortenova c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering.
5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

6.De beoordeling

in het incident
De Besluiten-Verklaring
6.1.
Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de onder 4.1 weergegeven vordering i die strekt tot een verklaring voor recht dat de daar genoemde besluiten geldig zijn (hierna: de Besluiten-Verklaring). De rechtbank is met partijen van oordeel dat zij bevoegd is voor deze vordering op grond van de exclusieve bevoegdheid van artikel 6 onder h Rv jegens SBK en [gedaagde 2] en op grond van artikel 24 lid 2 Brussel I bis [1] jegens [gedaagde 3] .
6.2.
SBK c.s. stelt dat alhoewel deze exclusieve bevoegdheid tussen partijen vaststaat, een inhoudelijk oordeel over die besluiten iedere zelfstandige betekenis mist omdat er al drie (groepen van) van procedures over deze vraag aanhangig zijn, namelijk:
(1) de vordering tot vernietiging van besluiten inzake de wijziging van de corporate governance van Stichting (zaaknr C/13/749492, rolnr 24/375),
(2) de vordering tot nietigheid en/of vernietiging van diverse besluiten rondom het Lazard verkoopproces (besluiten van juni en oktober 2023) (zaaknr C/13/760257, rolnr 24/1307) en
(3) de op 27 november 2024 ingediende vordering tot nietigheid en/of vernietiging van besluiten inzake de verkoop van MidCo door TopCo aan Iter BidCo en alle bijbehorende transacties (onder andere ook met Open Pass).
Volgens SBK c.s. kan de rechtbank de in dit geding gevorderde verklaring voor recht inzake rechtsgeldigheid van besluiten niet toewijzen zolang de door haar ingestelde vorderingen tot nietigheid en/of vernietiging niet (definitief) zijn afgewezen.
Omdat de vordering onder i iedere zelfstandige betekenis mist kan deze ook niet worden gebruikt als nexus om Nederlandse rechtsmacht te creëren voor de overige vorderingen in onderhavige procedure, aldus SBK c.s.
6.3.
Fortenova c.s. betwist dat de door SBK c.s. genoemde procedures grond kunnen zijn om de onderhavige procedure aan te houden. Eisers hebben een dringend en gerechtvaardigd belang bij een voortvarende afhandeling van deze procedure. Eisers zijn onderhavige procedure gestart met als doel te voorkomen dat Gedaagden doorgaan met het aanspannen van allerhande nieuwe rechtszaken en om het debat te concentreren bij de daartoe geëquipeerde exclusief bevoegde rechter, aldus Fortanova c.s.
6.4.
De door SBK c.s. genoemde door haar ingestelde procedures doen niet af aan de onder 6.1 geconstateerde bevoegdheid van de rechtbank voor vordering i in dit geding.
6.5.
De vraag hoe deze procedure en de door SBK c.s. ingestelde vernietigingsprocedures zoals genoemd onder 6.2 zich tot elkaar verhouden, of zaken gevoegd kunnen worden behandeld dan wel in een nader te bepalen volgorde behoeft in het kader van dit incident nog niet te worden beslist. Omdat de rechtbank op hierna te bespreken andere gronden (zie onder 6.31) tot aanhouding overgaat en ook andere procedures op die grond zijn of mogelijk zullen worden aangehouden, wordt iedere beslissing daarover nu aangehouden.
De OD-verklaringen
6.6.
Partijen zijn het oneens over de vraag of de rechtbank bevoegd is te oordelen over de vorderingen onder ii tot en met vii die de strekking hebben te verklaren voor recht dat bepaalde handelingen van eisers jegens gedaagden niet onrechtmatig zijn (hierna de "OD-verklaringen”).
6.7.
Fortenova c.s. stelt dat de Nederlandse rechter ook bevoegd is kennis te nemen van de gevorderde OD-verklaringen op grond van artikel 24 lid 2 Brussel I bis. Fortenova beroept zich daarbij op het E.ON arrest. [2] Hierin is in de overwegingen 30 -33 het volgende overwogen.
“30 Inzonderheid hebben de in de bepalingen van artikel 22 van verordening nr. 44/2001 [3] vastgestelde exclusieve bevoegdheidsregels tot doel de in die bepalingen bedoelde geschillen voor te behouden aan de gerechten die feitelijk nabij zijn en juridisch een nauwe band hiermee hebben (…) dit wil zeggen aan de gerechten van een lidstaat een exclusieve bevoegdheid toe te kennen in bijzondere omstandigheden waarin, gelet op de aan de orde zijnde materie, deze gerechten het best in staat zijn om kennis te nemen van de desbetreffende geschillen wegens het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen die geschillen en die lidstaat. (…).
31 Het wezenlijke doel van artikel 22, punt 2, van verordening nr. 44/2001 bestaat er dus in de bevoegdheid te centraliseren om te vermijden dat tegenstrijdige beslissingen worden gewezen met betrekking tot het bestaan van de vennootschappen en de rechtsgeldigheid van de besluiten van hun organen (…).
32 De gerechten van de lidstaat waar de vennootschap haar plaats van vestiging heeft, lijken immers het best in staat om van dergelijke geschillen kennis te nemen, met name omdat de openbaarmakingsformaliteiten van de vennootschapsaangelegenheden in diezelfde lidstaat plaatsvinden. De toekenning van een dergelijke exclusieve bevoegdheid aan die gerechten geschiedt dus in het belang van een goede rechtsbedeling (…).
33 Het Hof heeft echter geoordeeld dat daaruit niet kan worden afgeleid dat het voor de toepasselijkheid van artikel 22, punt 2, van verordening nr. 44/2001 voldoende is dat een rechtsvordering op enigerlei wijze verband houdt met een besluit van een orgaan van een vennootschap (…) en dat de werkingssfeer van deze bepaling beperkt is tot geschillen waarbij een partij de geldigheid van een besluit van een orgaan van een vennootschap betwist op grond van het toepasselijke vennootschapsrecht of de statutaire bepalingen betreffende de werking van haar organen (…).”
6.8.
Fortenova c.s. voert aan dat het in deze procedure gaat om SBK, een houder van Nederlandsrechtelijke DRs, die een intern geschil heeft met enkele mede-DR-Holders, de Nederlandse Stichting en de onderliggende Nederlandse TopCo-vennootschap waarin zij de DRs houdt. De besluitvorming rondom de MidCo Sale betreft Nederlands vennootschapsrecht en de geldigheid en rechtmatigheid van Nederlandsrechtelijke interne besluitvorming. Aldus hangen volgens Fortenova de gevorderde OD-verklaringen dusdanig met de Besluiten Verklaring samen, dat de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft over deze samenhangende vorderingen en geldt dat een goede rechtsbedeling gelijktijdige behandeling vereist.
6.9.
SBK c.s. betwist dat de Besluiten Verklaring rechtsmacht kan opleveren voor de gevorderde OD-verklaringen. Voor de vorderingen van Group c.s., Open Pass en [eiser 8] kan dit sowieso niet, omdat zij geen Besluiten-Verklaring hebben gevorderd. Verder geldt dat de exclusieve bevoegdheid op grond van artikel 24 Brussel I bis (alsmede het daarop gebaseerde artikel 6 aanhef en sub h Rv) volgens het E.ON arrest naar zijn aard beperkt uitgelegd dient te worden.
6.10.
De rechtbank dient gezien de hiervoor geciteerde beslissing van het HvJ EU in het E.ON-arrest van de vorderingen ii-vii te onderzoeken of eiser daarbij aan de orde stelt
“de geldigheid van een besluit van een orgaan van een vennootschap … op grond van het toepasselijke vennootschapsrecht of de statutaire bepalingen betreffende de werking van haar organen”.
6.11.
De rechtbank legt de samenhang tussen de vorderingen zo uit dat niet alleen de vorderingen ii en iii voortbouwen op vordering i, maar dat dit ook geldt voor de vorderingen iv tot en met vii. Dit kan worden afgeleid uit de met elkaar overeenstemmende bewoordingen van de vorderingen ii en iii enerzijds en de vorderingen iv en v, vi en vii anderzijds. De vorderingen iv-vii betreffen evenals de vorderingen ii en iii betrokkenen die een rol hebben gespeeld in de totstandkoming van de Midco-sale of daarin direct of indirect partij waren, zodat de beoordeling van hun handelen dus ook samenhangt met de beoordeling van de geldigheid van de besluiten die hebben geleid tot de Midco-sale.
De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van SBK c.s. dat Iter Bidco c.s. (thans Group c.s.), Open Pass en [eiser 8] geen Besluiten-Verklaring hebben gevorderd, zodat ten aanzien van hen geen samenhang tussen de gevorderde Besluit-Verklaring en de OD-Vorderingen zou kunnen worden aangenomen.
De vorderingen onder ii -vii
6.12.
De vorderingen onder ii en iii houden nauw verband met die onder i, immers SBK c.s. stelt zich op het standpunt dat Fortenova c.s. jegens haar onrechtmatig gehandeld heeft door de uitvoering van de in vordering i genoemde besluiten, die volgens haar ongeldig zijn. Daarmee is ook bij vorderingen ii en iii de geldigheid van die besluiten in beginsel beslissend. Op grond van de in het E.ON arrest gegeven uitleg van (thans) artikel 24 Brussel I bis is de rechtbank dus ook voor deze vordering bevoegd, op grond van artikel 24 lid 2 Brussel I bis jegens [gedaagde 3] en op grond van artikel 6 onder h Rv jegens SBK en [gedaagde 2] . Immers is niet goed voorstelbaar dat de uitvoering van een besluit niet onrechtmatig zou zijn als het besluit zelf nietig zou zijn. Anderzijds zal de uitvoering van een geldig besluit vrijwel altijd rechtmatig zijn en zou dat alleen in zeer bijzondere omstandigheden anders kunnen zijn. Dergelijke omstandigheden zijn tot op heden niet gesteld of gebleken.
6.13.
Wat betreft de vorderingen iv-vii geldt dat dit gaat om (rechts)handelingen van Iter BidCo c.s., Open Pass en [eiser 8] die de Midco-sale hebben mogelijk gemaakt, dan wel het direct of indirect deelnemen in de uitvoering daarvan. Daarmee kan worden gezegd dat deze rechtsvorderingen niet slechts
“op enigerlei wijze verband houdt met een besluit van een orgaan van een vennootschap”.Dat zou immers zoals het HvJ EU heeft beslist niet voldoende zijn om voor die vorderingen bevoegdheid op grond van art. 24 Brussel I bis aan te nemen. Daarvoor is nodig dat de beoordeling van de vorderingen in wezen de beoordeling van de geldigheid van een besluit van een orgaan van een vennootschap betreft. Dat is hier het geval. De beoordeling van de Midco-sale kan niet los kan worden gezien van de (rechts)handelingen die de in de vorderingen iii-vii genoemde betrokkenen hebben verricht bij de voorbereiding van dan wel het faciliteren van de Midco-Sale of van hun rol in de Midco-sale zelf. Anderzijds kan de vraag of die handelingen van BidCo c.s., Open Pass en [eiser 8] zoals bedoeld in de vorderingen iii-vii onrechtmatig zijn niet los worden gezien van de vraag of het besluit om over te gaan tot de Midco-sale zelf geldig was in de zin van vordering i. Uitgangspunt is ook hier dat de voorbereiding, het faciliteren of het deelnemen aan de uitvoering van een geldig besluit niet onrechtmatig is en dat dat alleen in zeer bijzondere omstandigheden anders kunnen zijn. Dergelijke omstandigheden zijn tot op heden niet gesteld of gebleken.
6.14.
Dit leidt tot de conclusie dat voor de beoordeling van de vorderingen ii-vii “de geldigheid van een besluit van een orgaan van een vennootschap … op grond van het toepasselijke vennootschapsrecht of de statutaire bepalingen betreffende de werking van haar organen” in beginsel doorslaggevend is. De Nederlandse rechter is gezien zijn bevoegdheid om te oordelen over vordering i gelet op de aan de orde zijnde materie zoals aan de orde in de vorderingen ii-vii het best in staat om kennis te nemen van de desbetreffende geschillen wegens het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen die geschillen en Nederland. Een goede rechtsbedeling vereist dan ook gelijktijdige behandeling van de vorderingen i en de vorderingen ii-vii. De behandeling van de vorderingen ii-vii door een andere rechter dan de vordering i zou tot onverenigbare beslissingen kunnen leiden.
6.15.
De rechtbank komt dus voor alle vorderingen tot de conclusie dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van de exclusieve bevoegdheid van artikel 6 onder h Rv jegens SBK en [gedaagde 2] en op grond van artikel 24 lid 2 Brussel I bis jegens [gedaagde 3] .
6.16.
Hetgeen partijen hebben aangevoerd over de vraag of de rechtbank al dan niet bevoegdheid kan ontlenen aan de bevoegdheidsgronden inzake onrechtmatige daad kan gezien deze beslissing onbesproken blijven.
Conclusie
6.17.
De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring zal worden afgewezen, met voordeling van SBK c.s. in de kosten van het incident. De proceskosten van Fortenova c.s. wordt begroot op:
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.406,00
6.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6.19.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
In de hoofdzaak
Litispendentie
6.20.
SBK c.s. stelt dat indien de rechtbank zich bevoegd acht, zij verdere behandeling van de procedure dient aan te houden omdat er sprake is van litispendentie.
6.21.
SBK c.s. voert aan dat de vorderingen tussen SBK, Stichting, Open Pass en [eiser 8] zien op dezelfde vorderingen tussen dezelfde partijen met dezelfde oorzaak als in de Maltese procedure en dus aangehouden dienen te worden op grond van artikel 29 Brussel I bis. Voor de vorderingen van Stichting, Open Pass en [eiser 8] tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] plus de vorderingen van de overige eisers in de onderhavige procedure vraagt zij aanhouding op grond van artikel 30 Brussel I bis. Volgens SBK c.s. zijn deze vorderingen (nagenoeg) identiek aan de vorderingen die Stichting, Open Pass en [eiser 8] in deze procedure jegens SBK hebben ingesteld. Daarbij gebruikt Fortenova c.s. één dagvaarding en beroepen de eisers zich allemaal op dezelfde feiten en vorderen zij hetzelfde. Aldus zijn het onderwerp en de oorzaak van deze vorderingen jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en de onderhavige vorderingen van de overige eisers samenhangend met de Maltese procedure.
Bovendien geldt dat Fortenova c.s. met elkaar zijn verbonden en dat de gedragingen van Fortenova c.s. ook met elkaar samenhangen. Deze zien namelijk allemaal op gedragingen inzake de MidCo Sale. Vanwege al deze omstandigheden is er een dusdanige nauwe band tussen deze procedure en de Maltese procedure dat een goede rechtsbedeling vraagt om deze gelijktijdig te behandelen, aldus SBK c.s.
6.22.
Fortenova c.s. betwist dat de Maltese procedure inhoudelijk betrekking heeft op (vermeende schade als gevolg van) de MidCo Sale of de goedkeurende besluiten die aan de MidCo Sale ten grondslag liggen en die onderwerp zijn van de onderhavige procedure. Dit volgt ook uit het petitum van de Maltese procedure dat vanaf de
Sworn Applicationop 4 augustus 2023 tot op heden ongewijzigd is gebleven. Dit is ruim voordat de besluiten voor de MidCo Sale zijn genomen, laat staan de transactie is uitgevoerd.
6.23.
De vraag of er sprake is van litispendentie moet worden beantwoord aan de hand van artikel 12 Rv (jegens SBK en [gedaagde 2] ) en volgens Brussel I bis (jegens [gedaagde 3] ).
6.24.
In artikel 12 Rv is bepaald dat, indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling kan aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd.
6.25.
In artikel 29 Brussel I bis is bepaald dat wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht bij wie de zaak het laatst is aangebracht, onverminderd artikel 31 lid 2, zijn uitspraak ambtshalve aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht vaststaat.
6.26.
De rechtbank zal dus moeten onderzoeken of de in Malta aanhangige zaak een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is.
6.27.
Blijkens de Sworn Application waarmee de procedure in Malta is ingeleid is eiser in die zaak SBK ART LLC en zijn gedaagden onder andere Open Pass Limited en Fortenova Group STAK Stichting. Dat zijn dus gedeeltelijk dezelfde partijen als in dit geding.
Het petitum van de genoemde Sworn application luidt als volgt:
“THEREFORE, RESPONDENTS, in view of the facts as premised in this application and
in view of the facts which will result during the hearing of the case, should show cause
why this Honourable Court, after making any necessary declarations, should not:
1. Declare that respondents, or any of them, jointly and severally or otherwise,
abused of their rights as holders of the “depositary receipts” in the group of entities
known as the Fortenova Group, and this to the detriment of claimant;
2. Declare that respondents or any of them, jointly and severally or otherwise, acted
abusively vis a vis claimant, and caused, and are still causing, damage to claimant;
3. Declare that due to their actions, respondents or any of them, jointly and severally
or otherwise, are responsible in damages and for the loss suffered by claimant;
4. Consequently, order respondents to pay the damages assessed and liquidated
by this Honourable Court, including through the appointment of experts, which
damages are consequential to the facts as explained in this sworn application, and
include all the costs incurred by claimant to safeguard its interests, and also loss of
value and profit suffered consequently to the above mentioned action.”
6.28.
De rechtbank gaat ervan uit dat het woordje ‘not’ in de inleidende zin van het petitum een kennelijke verschrijving is. De vorderingen als geheel bezien heeft de strekking dat gedaagden hun macht als houders van DRs hebben misbruikt en daarvoor schadevergoeding moeten betalen. Dit gestelde machtsmisbruik is geen onderwerp van de in dit geding gevorderde verklaringen voor recht, die immers betrekking hebben op de rechtmatigheid van de Midco-sale. Van litispendentie in de zin van art. 12 Rv of art. 29 Brussel I bis is daarom geen sprake.
Aanhouding
6.29.
De rechtbank verwijst naar wat over aanhouding reeds is opgemerkt onder 6.2-6.5.
6.30.
SBK c.s meent dat de zaak pas verder behandeld kan worden nadat het HvJ EU uitspraak heeft gedaan over de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen. [4] Fortenova stelt dat die uitspraak niet behoeft te worden afgewacht. Zelfs als SBK wel mocht meestemmen over de Statutenwijziging, is daarmee niet gezegd dat SBK ook had mogen meestemmen over de verkoop van MidCo.
6.31.
De rechtbank acht de uitspraak van het HvJ EU voor deze zaak wel van belang en zal de behandeling van de zaak aanhouden tot na de uitspraak van het HvJ EU in de zaak C‑465/24.
De rechtbank acht het vooralsnog niet nodig dat met voortprocederen wordt gewacht tot ook de beslissing van de Hoge Raad naar aanleiding van het arrest van het HvJ EU is gewezen. De beslissing van de Hoge Raad zal naar verwachting niet lang na het arrest van het HvJ EU volgen, zodat het arrest van de Hoge Raad zal kunnen worden betrokken bij de mondelinge behandeling van de hoofdzaak.
6.32.
Artikel 30 Brussel I bis bepaalt dat wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak kan aanhouden.
6.33.
SBK stelt dat ook niet kan worden voortgeprocedeerd zo lang geen uitspraak is gedaan in de onder 6.27 genoemde zaak in Malta.
6.34.
De rechtbank ziet geen reden om de zaak aan te houden op de grond dat het om samenhangende vorderingen in de zin van artikel 30 Brussel I bis gaat, omdat de samenhang daarvoor te gering is. De zaak in Malta is gebaseerd op andere feiten dan de onderhavige zaak.
6.35.
SBK c.s. heeft ook aanhouding van de zaak gevraagd tot het Gerecht van de EU uitspraak heeft gedaan over haar vordering tot vernietiging van het besluit van de Raad van de Europese Unie tot plaatsing van SBK Art op de EU sanctielijst. Deze uitspraak is inmiddels gedaan [5] ; de vordering is afgewezen. Er is op deze grond dus geen reden voor aanhouding.
6.36.
SBK c.s. stelt verder dat uitstel van belang is om alle feiten boven water te krijgen. SBK Art en/of [gedaagde 2] hebben in de Verenigde Staten en Frankrijk documenten gevorderd bij diverse adviseurs van Fortenova c.s. Deze zijn in de Verenigde Staten grotendeels toegewezen en het appel daarvoor loopt nog. SBK c.s. verwacht daaruit nieuwe relevante feiten te vergaren.
6.37.
De rechtbank acht aanhouding op deze grond niet wenselijk, omdat dit tot onnodige vertraging van het geding zou leiden.
6.38.
Nadat de onder 6.31 bedoelde uitspraak is gewezen, zal elk van partijen de zaak weer op kunnen brengen, waarna Fortenova c.s. een akte kan nemen over de gevolgen van het arrest voor deze zaak. Daarna zal SBK c.s. een conclusie van antwoord kunnen nemen, waarin zij ook op de betekenis van het arrest kan ingaan.
6.39.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7.Beslissing

De rechtbank
in het incident
7.1.
wijst het gevorderde af,
7.2.
veroordeelt SBK c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.406,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als SBK c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.3.
veroordeelt SBK c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
in de hoofdzaak7.4. verwijst de zaak naar de parkeerrol van
1 april 2026in afwachting van de onder 6.31 bedoelde uitspraak van het HvJ EU,
7.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I bis).
2.HvJ EU 7 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:167, C-560/16 (E.ON Czech Holding)
3.Deze bepaling is inmiddels vervangen door het daarmee overeenkomende artikel 24 Brussel I bis.
4.De vragen zijn gesteld in HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:922). De zaak heeft bij het HvJ EU zaaksnummer C‑465/24; de AG heeft op 25 september 2025 in deze zaak een conclusie genomen.
5.Gerecht EU 30 april 2025, ECLI:EU:T:2025:416.