ECLI:NL:RBAMS:2025:8381

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
757316
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:900 BWArt. 7:904 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot vernietiging bindend advies over aandelenwaardering Top Taste Holding

Partijen zijn sinds 2008 aandeelhouders in Top Taste Holding, een producent van gebakken uitjes. Na een vertrouwensbreuk startten zij een enquêteprocedure die leidde tot een vaststellingsovereenkomst met afspraken over de verkoop van aandelen door eisers aan gedaagden, waarbij een bindend advies de prijs zou bepalen.

Een deskundige werd benoemd om de waarde van de aandelen vast te stellen. Eisers vorderden vernietiging van het bindend advies wegens vermeende ernstige procedurele en inhoudelijke gebreken, waaronder het ontbreken van een bedrijfsbezoek, schending van hoor en wederhoor, onjuiste berekening van productiecapaciteit, een onterechte afslag op capaciteit, een onjuiste concurrentieanalyse en een onjuist beoordelingskader.

De rechtbank oordeelde dat geen aanvullende afspraak over een bedrijfsbezoek was gemaakt en dat het afzien daarvan geen procedureel gebrek vormde. Het beginsel van hoor en wederhoor was gerespecteerd. De deskundige had de productiecapaciteit en afzetprognoses voldoende gemotiveerd, evenals de gehanteerde afslag van 95%. De concurrentiepositie was adequaat geanalyseerd en het beoordelingskader was conform de overeengekomen procedure en de VSO.

De rechtbank concludeerde dat het bindend advies niet vernietigbaar is en dat partijen hieraan gebonden zijn. De vordering van eisers werd afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vernietiging van het bindend advies af en veroordeelt eisers in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/757316 / HA ZA 24-1077
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J.P.M. Borsboom,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
4.
ORION HOLDING B.V.,
gevestigd te Borsele,
5.
[gedaagde 5] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
6.
OREGON BEHEER B.V.,
gevestigd te Borsele,
7.
[gedaagde 7] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
8.
TOP TASTE HOLDING B.V.,
gevestigd te Kapelle,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. R.E.E. van Dekken.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 september 2024 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 16 april 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het (verkort) proces-verbaal van de op 11 september 2025 gehouden mondelinge behandeling met de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen werken sinds 2008 met elkaar samen.
2.2.
Top Taste Holding B.V. (hierna Top Taste Holding) is op 9 mei 2008 opgericht. [eisers] hield aanvankelijk 33,9% van de aandelen in Top Taste Holding en [gedaagden] 66,1%. Top Taste Holding staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die zich richten op het produceren en verkopen van twee typen gebakken uitjes, crispy fried onions (CFO) en french fried onions (FFO).
2.3.
Rond 2020 is er een vertrouwensbreuk ontstaan tussen [eisers] en [gedaagden]
2.4.
Op 15 september 2021 heeft [gedaagden] een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer terzake Top Taste Holding ingesteld.
2.5.
Bij beschikking van 21 december 2021 heeft de Ondernemingskamer onder andere een onderzoek bevolen naar, en onmiddellijke voorzieningen getroffen bij Top Taste Holding, waaronder de benoeming van een extra tijdelijke bestuurder en het bevelen van de overdracht van één van de aandelen van iedere aandeelhouder aan een tijdelijke door de Ondernemingskamer aan te wijzen beheerder.
2.6.
Ter minnelijke beslechting van hun geschil hebben partijen op 14 februari 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten (VSO). Samengevat hield deze VSO afspraken in om te komen tot verkoop van de door [eisers] in Top Taste Holding gehouden aandelen aan [gedaagden] tegen een prijs die door een tweetal deskundigen zou worden vastgesteld.
2.7.
Ter uitvoering van de VSO heeft [gedaagden] deskundige BFI/dr. M. Broekema voorgedragen en [eisers] drs. H. Minnaar van FCF Bedrijfswaarderingen (hierna: Minnaar). Aan dit panel van deskundigen is, op voordracht van de Ondernemingskamer, nog een derde deskundige toegevoegd, te weten H. Oosterhout van Kroll B.V., omdat de eerder genoemde deskundigen het niet eens konden worden over een gezamenlijk advies.
2.8.
Nadat er tussen partijen discussie was ontstaan over de handelwijze van Minnaar heeft [gedaagden] op 19 mei 2022 conservatoir bewijsbeslag laten leggen jegens Minnaar/FCF Bedrijfswaarderingen en is [gedaagden] een zogenaamde 843a Rv kort geding procedure gestart ter verkrijging van inzage in de in beslag genomen bescheiden.
2.9.
Tijdens de schorsing van de ten overstaan van de voorzieningenrechter gehouden zitting op 13 juli 2022 hebben partijen overeenstemming bereikt over een aanvullende minnelijke regeling die is uitgewerkt in een addendum bij de VSO (hierna: het Addendum). Daarbij bleef uitgangspunt de verkoop door [eisers] van zijn aandelen in Top Taste Holding aan [gedaagden] met als peildatum voor de koopprijsvaststelling 1 februari 2022.
Afgesproken werd (onder meer) dat [gedaagden] alvast een voorlopige prijs voor de aandelen aan [eisers] zou betalen. De definitieve prijs zou vervolgens worden bepaald aan de hand van een nieuw bindend adviestraject, uit te brengen door een nieuw door de Ondernemingskamer voor te dragen deskundige. In het Addendum hebben partijen verder afspraken gemaakt over de door de deskundige te hanteren procesregels om te komen tot zijn bindend advies.
2.10.
Conform het verzoek van partijen heeft de Ondernemingskamer op 7 september 2022 de enquêteprocedure, inclusief de daarin getroffen voorzieningen, beëindigd en op
8 september 2022 een nieuwe deskundige als bindend adviseur voorgedragen te weten M.J.J. van Prooijen RV van Economic Real Estate Valuation B.V. handelend onder de naam International Business Valuers (hierna: IBV). Van Prooijen van IBV (hierna: de deskundige) is vervolgens ook daadwerkelijk in opdracht van [eisers] en [gedaagden] als bindend adviseur van partijen aan de slag gegaan, nadat hij daartoe een door [eisers] en [gedaagden] ondertekende opdrachtbevestiging gedateerd 12 september 2022 retour had ontvangen.
2.11.
Op 8 september 2022 heeft [eisers] conform het bepaalde in het Addendum zijn aandelen in Top Taste Holding aan [gedaagden] geleverd, tegen betaling door [gedaagden] van een voorlopige prijs van € 23.426.000,-.
2.12.
Na door partijen gegeven schriftelijke toelichtingen heeft er ten overstaan van de deskundige een hoorzitting plaatsgevonden op 8 november 2022, waarbij beide partijen hun standpunten hebben toegelicht en (de raadslieden van partijen) spreekaantekeningen hebben voorgedragen en overgelegd.
2.13.
De deskundige heeft vervolgens een concept advies opgesteld gedateerd
9 december 2022 en partijen in de gelegenheid gesteld op het concept te reageren. Zowel [eisers] als [gedaagden] hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en schriftelijk op het concept advies gereageerd.
2.14.
Op 23 februari 2023 heeft de deskundige het definitieve bindend advies uitgebracht. Hierin heeft hij de economische waarde van Top Taste Holding op € 71.236.000,- bepaald wat resulteert in een definitieve prijs van € 24.149.000,- voor de aandelen die [eisers] aan [gedaagden] heeft verkocht, te vermeerderen met een rentevergoeding van 4% vanaf de peildatum (rekening houdend met de al gedane betaling € 23.426.000,- op 8 september 2022
).Verder heeft de deskundige de reacties van [eisers] en [gedaagden] op het concept advies integraal opgenomen onder Appendix J en inhoudelijk gereageerd op deze reacties op het concept rapport in Appendix I van het advies.
2.15.
Op 1 maart 2023 heeft [gedaagden] , in lijn met het bindend advies, aan [eisers] een aanvullend bedrag van € 1.328.000,- aan koopsom voor de al geleverde aandelen in Top Taste Holding betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. het bindend advies ex artikel 7:904 BW Pro te vernietigen;
II. [gedaagden] te veroordelen om conform artikel 2.3 onder i Addendum binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis mee te werken aan de benoeming van een nieuwe bindend adviseur die het proces van art. 2.3 onder ii Addendum zal doorlopen (inclusief bedrijfsonderzoek) op straffe van een dwangsom van € 100.000,- voor ieder dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] daarmee in gebreke zijn met een maximum van € 15 miljoen;
III. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
[eisers] stelt hiertoe, samengevat weergegeven, dat het bindend advies tot stand is gekomen op basis van zowel ernstige inhoudelijke- als procedurele gebreken zonder welke het bindend advies anders zou zijn uitgevallen en de waarde van de aandelen fors hoger zou zijn vastgesteld. Het bindend advies is daarom vernietigbaar. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst [eisers] onder meer naar door Deloitte opgestelde rapportages ten aanzien van de productiecapaciteit, de concurrentiepositie en een impactanalyse. Ook wijst [eisers] op eerder uitgebrachte biedingen op de aandelen door gerenommeerde private equity partijen die veel hoger liggen dan de door de deskundige vastgestelde prijs.
3.3.
[gedaagden] voert verweer. Het bindend advies voldoet aan de daaraan te stellen (inhoudelijke en procedurele) eisen alsmede aan de fundamentele eisen van behoorlijke procesorde, waaronder hoor en wederhoor, en is niet voor vernietiging vatbaar. Vernietiging kan slechts in uitzonderingsgevallen en bij ernstige gebreken, waarvan in casu geen sprake is. De rechter mag slechts marginaal toetsen. Er is geen sprake van een situatie waarin geen redelijk handelend adviseur tot de door IBV gekomen prijsvaststelling heeft kunnen komen. De grenzen waarbinnen redelijk handelend adviseurs van oordeel kunnen verschillen zijn niet overschreden. Het enkele feit dat andere visies op de waardering van de aandelen mogelijk zijn, maakt niet dat het bindend advies vernietigbaar is.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het toetsingskader
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat het door de deskundige uitgebrachte definitieve advies kwalificeert als bindend advies, waarin de bindend adviseur in beginsel vaststelt wat tussen partijen rechtens geldt. Op een dergelijk bindend advies zijn dan ook, net zoals op de VSO en het Addendum, de artikelen 7:900 tot en met 7:906 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
4.2.
Op grond van artikel 7:904 lid 1 BW Pro kan een bindend advies worden vernietigd als gebondenheid aan het advies door de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Door deze strikte maatstaf kan een partij niet elke onjuistheid in het advies inroepen om de bindende kracht ervan aan te tasten. Alleen een ernstig gebrek in de inhoud of de wijze van totstandkoming, die zo zeer indruist tegen de redelijkheid en billijkheid dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om aan dit advies te worden gehouden, kan leiden tot vernietiging van een bindend advies. Dat betekent dat voor vernietiging geen ruimte is als de grenzen waarbinnen een redelijk bindend adviseur kan handelen niet zijn overschreden. Het uitgangspunt is dat partijen aan een bindend advies zijn gebonden. De rechter aan wie vernietiging van een bindend advies
wordt voorgelegd, moet dan ook terughoudend (marginaal) toetsen. Bij de beoordeling is mede van belang of, en zo ja in welke mate, nadeel is toegebracht.
4.3.
[eisers] stelt in deze procedure dat er sprake is geweest van zodanig ernstige processuele en inhoudelijke tekortkomingen, zoals hiervoor bedoeld, die bovendien hebben geleid tot substantieel nadeel, die maken dat het bindend advies vernietigbaar is. [gedaagden] betwist dat met klem. De rechtbank zal de door [eisers] aangedragen vermeende processuele- en inhoudelijke gebreken in het hierna volgende achtereenvolgens bespreken.
Ten aanzien van de gestelde processuele gebreken
Met betrekking tot het niet plaatsvinden van een bedrijfsbezoek
4.4.
[eisers] beroept zich op een tussen partijen gemaakte aanvullende afspraak tot het houden van een bedrijfsbezoek, die is gemaakt tijdens de ten overstaan van de deskundige op 8 november 2022 gehouden mondelinge behandeling. De deskundige heeft echter ten onrechte afgezien van een dergelijk bedrijfsbezoek, welke beslissing bovendien onvoldoende is gemotiveerd. Als een dergelijk bedrijfsbezoek wel zou hebben plaatsgevonden, dan zouden bepaalde inhoudelijke fouten niet zo snel zijn gemaakt, zoals ten aanzien van het niet meenemen van de FFO lijn, waarmee een grote machine is gemoeid.
4.5.
[gedaagden] betwist dat sprake is geweest van een aanvullend gemaakte afspraak tot het houden van een bedrijfsbezoek en verwijst naar de VSO en het Addendum waarin een dergelijke verplichting niet is opgenomen. Slechts over de mogelijkheid hiertoe is tijdens de mondelinge behandeling gesproken. De deskundige heeft daarom mogen afzien van een bedrijfsbezoek en zijn beslissing is vervolgens voldoende gemotiveerd. Uit niets blijkt verder dat de beslissing anders zou zijn geweest indien er wel een bedrijfsbezoek zou hebben plaatsgevonden, aldus [gedaagden]
4.6.
De rechtbank constateert met [gedaagden] dat in de VSO en/of in het Addendum niet tussen partijen was afgesproken dat de bindend adviseur gehouden was tot het afleggen van een bedrijfsbezoek. Deze stukken vermelden daarover immers niets. Tussen partijen staat verder vast dat er tijdens de mondelinge behandeling tegenover de deskundige wel is gesproken over
de mogelijkheidvan een bedrijfsbezoek, en ook dat er daarna tussen partijen discussie is ontstaan over de vraag of [eisers] daarbij aanwezig mocht zijn van [gedaagden] Ook staat vast dat de deskundige uiteindelijk heeft afgezien van een bedrijfsbezoek, welke beslissing hij als volgt heeft toegelicht, als reactie op het door [eisers] dienaangaande geuit bezwaar/commentaar op het concept rapport, op pagina 173 van het definitieve advies:
“Op de hoorzitting is inderdaad gesproken over een bedrijfsbezoek. Door het verloop van de procedure is door de deskundige afgezien van dit bezoek. Het afzien van een bedrijfsbezoek, een activiteit die niet was beschreven in het Addendum als overeengekomen onderdeel in de totstandkoming van het bindend advies, kwalificeert niet als een procedureel gebrek.”
Dat er tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over
de mogelijkheidvan een te houden bedrijfsbezoek maakt nog niet dat de deskundige hiertoe vervolgens ook verplicht was over te gaan. Dat hierover een definitieve afspraak is gemaakt in aanvulling op het bepaalde in de VSO en het Addendum is niet komen vast te staan. In het licht van het door [gedaagden] op dit punt gevoerde verweer heeft [eisers] onvoldoende gesteld en geconcretiseerd waaruit een dergelijke aanvullend gemaakte afspraak blijkt. Nu een dergelijke aanvullende afspraak niet is komen vast te staan, heeft de deskundige ertoe mogen besluiten van een bedrijfsbezoek af te zien, en kon hij volstaan met de gegeven toelichting als hiervoor geciteerd. Door af te zien van een bedrijfsbezoek is geen sprake van een processueel gebrek en zeker niet van een zodanig gebrek dat het bindend advies hierdoor voor vernietiging in aanmerking komt.
Hoor en wederhoor
4.7.
[eisers] stelt dat de deskundige in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor heeft gehandeld door ten aanzien van essentiële en dragende overwegingen en ten aanzien van belangrijke pijlers voor de prijsvaststelling pas voor het eerst in het definitieve advies te verwijzen naar Appendix K en naar enkele citaten uit het document ‘
Verslag bijeenkomst ivm prognose 2022’en door deze citaten vervolgens onjuist te interpreteren. Beide citaten zeggen niets over de (toekomst van de) CFO-productie op de FFO-lijn. Gelet op het grote belang en de waarde die IBV hecht aan Appendix K en de citaten uit het verslag had de deskundige partijen alsnog in de gelegenheid moeten stellen om daarop te reageren alvorens tot zijn definitieve advies te komen, maar dat is niet gebeurd.
4.8.
[gedaagden] betwist dat er sprake is geweest van schending door de deskundige van het beginsel van hoor en wederhoor. De deskundige heeft de juiste procedurestappen gevolgd, en partijen ruim gelegenheid gegeven op elkaars standpunten en op het concept advies te reageren. Het document dat als Appendix K is aangehecht, evenals het verslag waarnaar [eisers] verwijst, waren beide al opgenomen in de dataroom en waren ook al onderdeel van het concept advies. [eisers] heeft hierop wel degelijk al kunnen reageren en heeft dat ook gedaan, onder meer in zijn reactie op het concept advies en in zijn schriftelijke toelichting van 15 oktober 2022. Verder heeft ook de deskundige eerder al in zijn concept advies naar de tabel uit het in Appendix K aangehechte document verwezen. De deskundige was niet gehouden om [eisers] nogmaals te laten reageren op zijn reactie op de opmerkingen van [eisers] op het concept advies. Van een onjuiste interpretatie van het verslag is verder geen sprake.
4.9.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [eisers] dat sprake zou zijn geweest van schending door de deskundige van het beginsel van hoor en wederhoor.
In algemene zin constateert de rechtbank dat de deskundige de in het Addendum overeengekomen procedurestappen correct heeft gevolgd. Beide partijen hebben eerst een schriftelijke toelichting gegeven en er heeft ten overstaan van de deskundige een hoorzitting plaatsgevonden. Beide partijen hebben hun standpunten tijdens de hoorzitting naar voren gebracht, waarbij door de raadslieden van partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd, en partijen hebben op elkaars standpunten kunnen reageren. Vervolgens heeft de deskundige beide partijen in de gelegenheid gesteld om op het door hem opgestelde concept advies schriftelijk te reageren, van welke gelegenheid beide partijen ook gebruik hebben gemaakt. Deze reacties zijn in het definitieve advies integraal opgenomen in appendix J. Ook is de deskundige inhoudelijk ingegaan op de reacties van partijen op het concept advies in appendix I. Met deze gang van zaken heeft de deskundige op correcte wijze invulling gegeven aan de procedure en het in acht te nemen beginsel van hoor en wederhoor.
4.10.
Ten aanzien van appendix K en het verslag, waarnaar de deskundige in appendix I verwijst in zijn reactie op de opmerkingen van partijen op het concept advies, merkt de rechtbank op dat [eisers] niet heeft betwist dat deze documenten al onderdeel vormden van de dataroom (documentnummers 1.11.1, 2.12.1 en 1.7.3). Ook betwist [eisers] niet dat de deskundige in zijn concept advies ook al had verwezen naar (de tabel uit) het in appendix K aangehechte document en evenmin dat [eisers] zelf ook al eerder in zijn reactie op het concept advies en in zijn schriftelijke toelichting deze documenten heeft genoemd en/of naar deze documenten heeft verwezen. Dat de deskundige deze documenten vervolgens gebruikt voor zijn redenering of reactie op de opmerkingen van partijen op het concept advies, kennelijk op een wijze waarmee [eisers] geen rekening heeft gehouden en waarmee [eisers] het inhoudelijk oneens is, brengt niet mee dat de deskundige partijen nogmaals had moeten laten reageren op deze stukken alvorens tot een definitief advies te komen. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor door de deskundige is geen sprake.
Ten aanzien van de gestelde inhoudelijke gebreken
Ten aanzien van de productiecapaciteit
4.11.
[eisers] stelt dat de deskundige de productiecapaciteit onjuist heeft berekend, wat heeft geleid tot het vaststellen van te lage afzetprognoses en vervolgens tot een te lage prijsvaststelling. Volgens [eisers] heeft de deskundige ten onrechte productie van FFO op de FFO-lijn niet meegenomen, deze ligt voor het jaar 2022/2023 3.800 ton hoger.
De deskundige gaat voor de jaren 2022/2023 en 2023/2024 uit van een afzet van 40.800 ton voor CFO en FFO (37.000 ton CFO en 3.800 ton FFO). De deskundige is in zijn uitwerking de FFO lijn (met een eigen productie van 3.800 ton) uit het oog verloren en gaat ten onrechte uit van een productiecapaciteit van 37.645 ton voor CFO en FFO samen, terwijl dat op dat moment slechts de productiecapaciteit van uitsluitend CFO betreft. In de visie van [eisers] ligt de totale productiecapaciteit voor CFO en FFO samen in het jaar 2022/2023 3.800 ton hoger, dat heeft vervolgens ook zijn weerslag op de opgestelde prognoses die zien op de jaren erna.
Daarnaast heeft de deskundige de CFO productie op de FFO lijn ten onrechte niet/althans onvoldoende meegenomen en uitsluitend aangemerkt als noodgreep. De productie van CFO op de FFO lijn is echter een volwaardige vorm van productie, de geproduceerde CFO op de FFO lijn kan worden bijgemengd met standaard CFO. In het verleden is de overcapaciteit op de FFO lijn ook herhaaldelijk en stelselmatig gebruikt voor additionele CFO-productie, zo stelt ook Deloitte vast in haar overgelegde capaciteitsanalyse.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisers] nog toegelicht dat het met name ook erom gaat dat de deskundige voor de jaren 2023/2024, volgens [eisers] ten onrechte, niet ook een afzetgroei van 2500 ton heeft aangenomen terwijl de capaciteit voor een dergelijke groei wel voorhanden was, in tegenstelling tot waar de deskundige vanuit gaat, en dat dat vervolgens doorwerkt in de prognoses voor de daarop volgende jaren die hoger zouden moeten liggen. Volgens [eisers] komt dat omdat IBV niet heeft gekeken naar de (over) capaciteit op de FFO lijn en de deskundige de productie van CFO op de FFO lijn ten onrechte niet structureel meeneemt.
4.12.
[gedaagden] betwist dat de deskundige uitgaat van een onjuiste productiecapaciteit en, belangrijker, van onjuist vastgestelde afzetprognoses. De afzet is direct van invloed op de prijsvaststelling, niet de productiecapaciteit als zodanig. Een hogere productiecapaciteit, indien daar al sprake van zou zijn, leidt niet automatisch tot een hogere afzet, zo heeft ook de deskundige dat in zijn bindend advies uiteengezet.
IBV heeft de FFO productielijn wel meegenomen in de geprognosticeerde afzet. Deze prognoses zijn door de deskundige zelf opgesteld en deze afzet wordt niet beperkt door de capaciteit maar (mede) door andere componenten zoals de vraag vanuit de markt en het aantal afnemers. De door Deloitte gehanteerde prognoses zijn veel te hoog en ook fors hoger dan eerder door partijadviseurs als Minnaar gehanteerde prognoses. Deloitte heeft daarbij niet onderzocht of een verhoogde productiecapaciteit ook leidt tot meer productie en tot een daadwerkelijk hogere afzet. Hogere omzet resulteert bovendien ook niet direct tot hogere winstgevendheid. De deskundige heeft zijn afweging om de CFO productie op de FFO lijn niet structureel mee te nemen gemotiveerd en daarbij toegelicht dat en waarom het gebruik van de FFO lijn voor CFO als een uitzondering/noodgreep wordt gezien. Ook al is een andere visie hierop mogelijk, dat maakt de visie van de deskundige niet onjuist of zo onredelijk dat een redelijk handelend deskundige niet hiervan uit heeft mogen gaan.
4.13.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het gegeven dat de deskundige voor de jaren 2022/2023 en 2023/2024 uitgaat van een afzet van 40.800 ton voor CFO en FFO samen, wat meer is dan de genoemde productiecapaciteit van 37.645 ton voor uitsluitend CFO, blijkt al dat de deskundige wel degelijk ook de FFO lijn heeft meegenomen en niet uit het oog heeft verloren. De rechtbank constateert, verwijzend naar met name de pagina’s 48-50 van het definitieve bindend advies, dat de deskundige zelf afzetprognoses heeft opgesteld. Dat stond hem vrij om te doen. Voor het jaar 2022/2023 heeft hij blijkens het advies aansluiting gezocht bij de door het management zelf genoemde prognoses, wat al een zeer sterke groei inhield ten opzichte van het jaar ervoor. Vervolgens heeft de deskundige eigen prognoses opgesteld voor de daarop volgende jaren. Daarbij is hij ervan uitgegaan dat CFO niet duurzaam geproduceerd zou gaan worden op de FFO lijn, maar dat de jaren 2021/2022 en 2022/2023 daarop een uitzondering vormden die wel door hem werd aanvaard. In zoverre is dus wel degelijk rekening gehouden met de productie van CFO op de FFO lijn. Alhoewel ook andere visies mogelijk zijn, heeft de deskundige in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen om die uitzondering (ook wel door de deskundige aangeduid als noodgreep) slechts voor de jaren 2021/2022 en 2022/2023 toe te passen maar niet meer voor de daarop volgende jaren, mede gelet op de extra investeringen die daarna zouden plaatsvinden ter uitbreiding van de CFO capaciteit. In zijn definitieve rapport heeft de deskundige dat toegelicht door onder meer het volgende te schrijven op pagina 49 en 50:
“Uit de processtukken blijkt dat aan partijdeskundigen is medegedeeld dat de verwachte productieplanning voor 2022/2023 is gesteld op 37.000 ton CFO en 3.800 FFO. De totale productie komt dan op 40.800 ton. De geprognosticeerde productie voor het boekjaar 2022/2023 is hoger dan de beschikbaar geachte productiecapaciteit van 37.645 ton. Dit betekent dat de FFO-lijn wordt omgezet naar gebruik voor CFO. Dit valt uit de planningsmeeting van 19 januari 2022 af te leiden als toegepaste “uitzondering”. Gelet de toepassing van de “uitzondering” in de tijdelijke omzetting van de FFO-productielijn voor CFO-productie is deze prognose afgegeven. Belangrijk om te vermelden is dat er sprake is van bijmengen waardoor de kwaliteit verminderd. Zie ook de opmerkingen zoals vastgelegd in de planningsmeeting van 19 januari 2022, document 1.11.2 VDR.
Op basis van het bovenstaande concluderen wij dat de productieplanning van in totaal 40.800 ton voor 2022/2023 in onze prognoseperiode kunnen opnemen. Hierbij is tevens het uitgangspunt dat de geprognosticeerde productie gelijk is aan de geprognosticeerde afzet in de markt. Dit betekent dat de afzet voor FFO voor het boekjaar 2022/2023 op 3.800 ton wordt geprognosticeerd. Dit is een toename van meer dan 100% ten opzichte van de afzet van FFO die over het boekjaar 2021/2022 is geprognosticeerd. De gerealiseerde afzet van FFO over de boekjaren 2019/2020 en 2020/2021 zijn respectievelijk 1.640 en 2.036 ton.
Omdat wordt verondersteld dat de nieuwe productielijn in 2024/2025 in gebruik genomen zal worden is de toepassing van de noodgreep noodzakelijk. Zoals in de alinea hierboven is beschreven is de toepassing van de noodgreep binnen Top Taste geaccepteerd.
Derhalve veronderstellen wij met betrekking tot de productiefaciliteiten van Top Taste NL voor de boekjaren 2022/2023 en 2023/2024 een afzet van 40.800 ton per boekjaar.
Vanaf het boekjaar 2024/2025 stijgt de beschikbare productiecapaciteit van 37.645 ton naar 51.000 ton. Vanaf dit boekjaar veronderstellen wij dat de afzet van CFO jaarlijks zal toenemen met 2.500 ton per jaar. Dit is een afgeronde, gewogen gemiddelde stijging van de afzet over de jaren 20217/2018 tot en met 2020/2021. Hierbij heeft het boekjaar 2019/2020 in verband met de 1e fase van de Coronapandemie de laagste weging gekregen in verband met de uitgebreide lockdowns. Dit gewogen gemiddelde is als volgt bepaald: […]
Door ons wordt een jaarlijkse afzetgroei van 2.500 ton verondersteld tot een maximum van 48.300 ton, na ingebruikname van de uitbreidingsinvesteringen in het boekjaar 2024/2025”
Hiermee heeft de deskundige zijn overwegingen voldoende toegelicht. Niet kan worden geconcludeerd dat geen redelijk handelend deskundige tot dit oordeel heeft kunnen komen. De deskundige heeft er, bij het opstellen van de afzetprognoses, voor mogen kiezen om de CFO productie op de FFO lijn niet structureel jarenlang mee te nemen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen in 4.10 heeft hij zich daarbij ook mogen baseren op citaten uit het in de dataroom opgenomen document ‘Verslag bijeenkomst ivm prognose 2022’ zonder daarop eerst nog een reactie van partijen te vragen.
Ook heeft de deskundige in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat voor het jaar 2023/2024 geen groei in afzet werd geprognosticeerd en dat pas na gedane investeringen in de productiecapaciteit van CFO uit wordt gegaan van een afzetgroei van 2500 ton per jaar gedurende aan aantal opvolgende jaren tot aan 2026/2027. Datzelfde geldt voor de vaststelling dat de beschikbare productiecapaciteit stijgt tot 51.000 ton. Dat dit oordeel zou zijn gebaseerd op een door de deskundige onjuist vastgestelde productiecapaciteit wordt uitdrukkelijk door [gedaagden] betwist en kan de rechtbank ook niet afleiden uit het bindend advies. Met andere woorden, uit het bindend advies kan niet worden afgeleid dat de afzetprognose voor 2023/2024 ten onrechte te laag is berekend
doordatde productie aan z’n maximum capaciteit zat en deze capaciteit onjuist is berekend. De deskundige kijkt immers veel breder en merkt onder meer op dat een grotere productiecapaciteit niet automatisch leidt tot een grotere afzet en dat ook vele andere (markt)omstandigheden een rol spelen. Voor zover er sprake is van een grotere productiecapaciteit rechtvaardigt dat niet de conclusie dat
dusook de afzet hoger zou zijn geweest/had moeten worden geprognotiseerd.
4.14.
Gelet op het voorgaande deelt de rechtbank niet de conclusie van [eisers] dat het bindend advies vernietigbaar is wegens een apert onjuist berekende productiecapaciteit en dat geen redelijk handelend adviseur tot deze berekeningen heeft kunnen komen. Het bindend advies is om die reden dan ook niet voor vernietiging vatbaar.
Ten aanzien van de gehanteerde afslag van 95%
4.15.
[eisers] stelt dat de deskundige bij het vaststellen van de productiecapaciteit ten onrechte een afslag van 95% heeft gehanteerd vanaf 2025 voor onverwacht uitval, die bovenop de al gehanteerde
downtimekomt waarmee al rekening was gehouden in verband met mogelijke uitval en onderhoud door te rekenen met 49 (in plaats van 52) productieweken van 110 uur (in plaats van 120 uur). Door ook nog eens een afslag van 95% te hanteren wordt er ten onrechte dubbelop gecorrigeerd voor onverwachte uitval, aldus [eisers]
4.16.
[gedaagden] voert hiertegen aan dat de deskundige zijn beslissing om niet van 100% maar slechts van 95% van de productiecapaciteit uit te gaan voldoende heeft toegelicht. Ook op de door [eisers] op het concept rapport geuite bezwaren is de deskundige ingegaan in zijn definitieve advies. Dat er op dit punt verschillende visies mogelijk zijn, maakt nog niet dat het advies voor vernietiging in aanmerking komt. Het stond de deskundige vrij hierin zelf een gemotiveerde keuze te maken, en het was ook in lijn met de eigen bedrijfsvoering van Top Taste Holding om niet uit te gaan van het benutten van 100% van de productiecapaciteit, maar rekening te houden met onderhoud en eventuele uitval. De mate waarin hiermee rekening dient te worden gehouden, is een keuze van de bindend adviseur.
4.17.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat sprake is geweest van een foutieve dubbeltelling en dat geen redelijk handelend deskundige tot een afslag van 95% heeft kunnen komen, bovenop het rekenen met slechts 49 weken van 110 productie uren is niet komen vast te staan. Ook aan deze stelling van [eisers] gaat de rechtbank voorbij.
Allereerst wordt opgemerkt dat het management van Top Taste Holding zelf ook niet uitgaat van het 100% kunnen benutten van de productiecapaciteit en dat er rekening gehouden moet worden met onverwachte uitval en onderhoudswerkzaamheden. Over de mate waarin hiermee rekening moet worden gehouden, kan verschillend worden gedacht. Hierin is de deskundige tot een eigen gemotiveerde afweging gekomen, wat hem ook vrij stond. Hij heeft dit als volgt toegelicht op, onder meer op pagina 51 van het definitieve bindend advies:
“In bovenstaande groeiverwachting veronderstellen wij dat de beschikbare productiecapaciteit ultimo 2026/2027 voor 95% benut zal zijn (is (48.300 ton afzet gedeeld door 51.000 productiecapaciteit) *100%). De bezettingsgraad van 95% wordt door ons als plafond verondersteld. Dit plafond sluit aan bij de door het management veronderstelde afzet gedeeld door de productiecapaciteit voor het boekjaar 2021/2022, namelijk 35.580 ton gedeeld door de thans geldende maximale productiecapaciteit van 37.645 ton maal 100% is 95%.”
In zijn reactie op de opmerkingen van [eisers] op het concept advies schrijft hij het volgende op pagina 149 onderaan:
“Door diverse oorzaken kan uitval en onderhoud van de productiecapaciteit voorkomen. Er dient rekening te worden gehouden met een lagere bezettingsgraad dan 100% zoals ook door het bestuur van de onderneming wordt gedaan (Zie appendix K). IBV acht, mede gelet op de aangeleverde documenten een bezettingsgraad van 95% als reëel.”
Hiermee heeft de deskundige zijn oordeel voldoende toegelicht. De deskundige mag ingevolge zijn opdracht een eigen beredeneerde visie hebben op het hanteren van deze afslag, ook indien die niet volledig aansluit bij hoe [eisers] of de onderneming zelf hierover denkt en in het verleden in de praktijk hiermee is omgegaan. Het niet logisch vinden van de keuzes die de deskundige hierin maakt door [eisers] en/of Deloitte maakt deze keuzes nog niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dat sprake is van een ongeoorloofde dubbeltelling en/of van een evidente fout en dat geen redelijk handelend adviseur tot deze afslag heeft kunnen komen, is niet komen vast te staan. Het bindend advies is hierdoor niet voor vernietiging vatbaar.
Ten aanzien van de concurrentiepositie
4.18.
[eisers] stelt dat de concurrentiepositie van Top Taste Holding gebrekkig en onjuist is geanalyseerd door de deskundige, ten gevolge waarvan hij ten onrechte een opslag van 1,25% heeft gehanteerd bij het vaststellen van de vermogenskostenvoet vanwege de beperkte bedrijfsomvang in relatie tot de concurrentie. Ook haar adviseur Deloitte concludeert dat de in het rapport genoemde bedrijven nauwelijks concurrenten zijn te noemen. Valaki en Kühne zijn geen directe concurrenten en [bedrijf] en FoodMan bieden niet hetzelfde maar een alternatief product aan. Kühne is verder een afnemer van Top Taste Holding en geen concurrent. Ook gaat IBV er ten onrechte niet vanuit dat TopTaste marktleider is, daar waar zij elders in het bindend advies wel marktleider wordt genoemd. [eisers] meent daarom dat de opslag van 1,25% in het kader van de vermogenskostenvoet onjuist is en is gebaseerd op een aantoonbaar onjuiste feitelijke grondslag. Ook dat leidt tot de vernietigbaarheid van het advies, aldus [eisers]
4.19.
[gedaagden] betwist dat dit onderdeel van de vermogenskostenvoet onjuist is berekend althans betwist dat geen redelijk handelend adviseur tot deze opslag heeft kunnen komen. IBV heeft in het bindend advies voldoende gemotiveerd hoe zij op basis van de door haar verrichte analyses en aannames tot de door haar gehanteerde vermogenskostenvoet van 14,75% is gekomen, met een premie voor bedrijfsspecifieke factoren van 7,75% en een daarbinnen gehanteerde opslag van 1,25% voor concurrentierisico’s. Dat anderen, waaronder Deloitte, mogelijk een andere visie hierop hebben, maakt het bindend advies nog niet vernietigbaar. Bovendien heeft Deloitte geen volledige concurrentieanalyse gemaakt. Losse elementen uit de vermogenskostenvoet kunnen verder niet los van elkaar worden gezien maar hangen met elkaar samen. Als één element daaruit wordt gewijzigd, kan dat tevens de wijziging van overige elementen tot gevolg hebben, wat Deloitte en [eisers] miskennen. IBV heeft een en ander zorgvuldig en in samenhang met elkaar beoordeeld en toegelicht in het concept rapport en vervolgens hoor en wederhoor daarop toegepast. Op de reactie van [eisers] op het concept heeft IBV vervolgens afdoende gereageerd in het definitieve bindend advies. Ook het eigen oordeel van de deskundige over het wel of niet zijn van (aanhoudend) wereldmarktleider heeft hij afdoende gemotiveerd. Dat de deskundige daarover een andere visie heeft dan [eisers] of haar adviseur Deloitte, maakt het advies nog niet vernietigbaar. Er is geen sprake van een beslissing waartoe geen redelijk handelend adviseur heeft kunnen komen. De deskundige heeft als redelijk handelend adviseur afwegingen gemaakt van de risico’s en daar percentages aan toebedeeld. Uit niets blijkt dat hij daarbij de grenzen heeft overschreden waarbinnen redelijk handelend adviseurs met elkaar van oordeel kunnen verschillen.
4.20.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens [eisers] is (een onderdeel van) de vermogenskostenvoet foutief vastgesteld door de deskundige wegens het onjuist inschatten van in het advies genoemde concurrenten als (met name) Kühne. Aan deze stelling gaat de rechtbank voorbij. In de eerste plaats is het, zoals [gedaagden] terecht opmerkt, maar de vraag of een element uit die kostenvoet eruit kan worden gelicht en kan worden gewijzigd zonder dat dat invloed heeft op de hoogte van de overige componenten ervan. Ook de door [eisers] geraadpleegde partijdeskundige Deloitte onderkent dat en zegt dat de verschillende parameters met elkaar kunnen samenhangen en dat alle aannames in een bedrijfswaardering zorgvuldig en in samenhang met elkaar dienen te worden geëvalueerd. Dat de overige parameters in dit geval niet ook aangepast zouden moeten worden bij wijziging van één component uit de vermogenskostenvoet, staat daarmee niet vast. Maar wat daar verder ook van zij, niet is komen vast te staan dat de deskundige in redelijkheid niet tot een percentage van 1,25% voor de concurrentiepositie heeft mogen komen. Bij het bepalen van deze sub component voor de concurrentiepositie, dat een klein onderdeel vormt van de vermogenskostenvoet, heeft de deskundige het wereldwijde speelveld waarin Top Taste Holding opereert betrokken en in kaart gebracht. Zijn oordeel is niet specifiek gestoeld op de positie van Top Taste Holding als concurrent van Kühne, Valaki, [bedrijf] en/of FoodMan, die de deskundige als voorbeelden aanhaalt. Zo heeft de deskundige bij zijn visie expliciet benoemd dat deze partijen, in tegenstelling tot Top Taste Holding, meerdere producten aanbieden. In zoverre zijn zij dus niet volledig maar slechts gedeeltelijk concurrenten van elkaar, hetgeen de deskundige heeft onderkend.
4.21.
Ook aan het voornaamste bezwaar van [eisers] dat Kühne geen concurrent maar een afnemer van Top Taste Holding is, gaat de rechtbank voorbij. Ook indien Kühne geen directe concurrent van Top Taste Holding zou zijn, brengt dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog niet automatisch met zich mee dat het onderdeel van de kostenvoet ad 1,25% daarmee pertinent onjuist zou zijn vastgesteld en dat geen redelijk handelend deskundige dat onderdeel van de vermogenskostenvoet op dat percentage heeft kunnen stellen. Daar komt bij dat [gedaagden] ter zitting heeft aangegeven dat Kühne weliswaar uitjes inkoopt van anderen, waaronder soms ook van Top Taste Holding, en daardoor ook afnemer van Top Taste Holding is, maar dat dat niet wegneemt dat Kühne met haar eindproduct wel degelijk concurreert met de producten van Top Taste Holding.
4.22.
Dat Top Taste Holding volgens [eisers] wel degelijk (wereld) marktleider zou zijn en het bindend advies op dat punt tegenstrijdige mededelingen bevat, maakt evenmin dat daarmee vaststaat dat dit onderdeel van de kostenvoet evident onjuist is berekend. De deskundige heeft zijn visie hierover afdoende toegelicht en daarover onder meer het volgende geschreven op pagina 29 van het bindend advies:
“De concurrentie van TopTaste is verspreid over de wereld. Enkele concurrenten betreffen gevestigde namen die (in) tegenstelling tot Top Taste wel een bredere productmix aanbieden. Wij hebben niet kunnen vaststellen dat Top Taste wereldwijd marktleider is”.
Naar aanleiding van de reacties van [eisers] op het concept schrijft de deskundige vervolgens, op pagina 166 van het bindend advies nog het volgende:
“De bewering van [eisers] omtrent de conclusie van IBV is derhalve onjuist.
Verder heeft Top Taste slechts een product waar concurrenten meerdere producten aanbieden. Een
voorbeeld hiervan is Valaki Exports, Ahmedabad, Gujarat, India. Zij produceert tussen de $ 50 miljoen en $ 100 miljoen gebakken uien en aanverwante producten, en is daarmee groter in omzet dan Top Taste.
Onder verwijzing naar externe analyse in het rapport blijft de conclusie IBV op dit punt ongewijzigd.”
en op pagina 167:

De onderdelen in de SWOT-analyse worden door middel van de confrontatiematrix tegen over elkaar geplaatst. IBV doet dit vanuit een economisch (mondiaal) perspectief. Onze deelconclusie op pagina 29 beschrijft onze observaties van de spelers (en potentiële) concurrenten van Top Taste, die een aanhoudend marktleiderschap niet onderschrijven.”
Hiermee heeft de deskundige zijn oordeel op dit punt voldoende toegelicht. Dat een andere visie hierop mogelijk is, maakt het rapport nog niet evident onjuist en vernietigbaar.
4.23.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat geen redelijk handelend deskundige dit onderdeel van de vermogenskostenvoet op 1,25% heeft kunnen stellen omdat daaraan een onjuiste feitelijke onderbouwing ten grondslag zou liggen. Het bindend advies wordt ook op dit punt niet vernietigbaar geacht.
Ten aanzien van het beoordelingskader
4.24.
[eisers] stelt dat het bindend advies is gestoeld op een onjuist beoordelingskader. De VSO en het Addendum schrijven voor hoe de prijsvaststelling dient te gebeuren. Verwezen wordt naar artikel 9 lid 1 sub c en Pro verder van de Statuten en onderdeel IV.2 van de aandeelhoudersovereenkomst, op grond waarvan de prijs door deskundig(en) voornamelijk dient te worden vastgesteld ‘
aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden’waarbij serieuze aanbiedingen van externe partijen bij de prijsvaststelling dienen te worden meegenomen, waaronder dus ook het bedrag dat een ‘imaginaire koper’ op enig moment bereid is te betalen voor de onderneming. Door vervolgens een ‘synthetische prijsvorming’ te hanteren is de deskundige afgeweken van het toe te passen beoordelingskader. Het bindend advies geeft er geen blijk van dat alle relevante feiten en omstandigheden in de waardering zijn betrokken en ontbeert daarom een deugdelijke grondslag. Ook is het passeren van de uitgebrachte biedingen onvoldoende gemotiveerd, aldus, samengevat weergegeven, [eisers]
4.25.
[gedaagden] betwist dat de deskundige een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd. Gelet op het bepaalde in het Addendum, dat voorgaat op het bepaalde in de aandeelhoudersovereenkomst, stond het de deskundige vrij om geen betekenis toe te kennen aan de gedane biedingen en de deskundige heeft voldoende toegelicht waarom hij niet heeft aangehaakt bij die biedingen. Een redelijk handelend deskundige heeft tot een prijsvaststelling kunnen komen op de door de deskundige gehanteerde wijze. Dat de deskundige zijn vaststellingswijze benoemt als synthetische prijsvorming doet daar niet aan af en betekent nog niet dat hij zich niet aan de opdracht heeft gehouden. et En e4
4.26.
De rechtbank constateert dat de deskundige in zijn bindend advies heeft toegelicht waarom de vast te stellen prijs in zijn visie een zogenaamde synthetische prijsstelling betreft. De deskundige heeft in dat verband onder meer in zijn advies vermeld, op pagina 11/12 van het bindend advies:

De prijsbepaling zoals deze door IBV dient te worden bepaald, betreft een zogeheten synthetische prijsvorming. Van vrijwillige onderhandelingen is immers geen sprake. [eisers] heeft zich middels de VSO verplicht gesteld de via [eiser 1] B.V. gehouden aandelen in Top Taste Holding B.V. te leveren, waarbij [gedaagden] zich verplicht hebben gesteld de via [eiser 1] B.V. gehouden aandelen af te nemen. Vanwege deze aanbiedings- en afnameplicht achten wij, in lijn met de jurisprudentie, het redelijk dat een pro rata parte van de berekende, synthetische prijs wordt betaald voor de voorgenoemde aandelen.”
Ook in zijn reactie op de opmerkingen van [eisers] ten aanzien van het volgens hem onjuist gehanteerde beoordelingskader heeft de deskundige nog het volgende toegelicht op pagina 170-171 van het bindend advies:

Een synthetische prijs is een prijs die niet via een onderhandelingsproces op basis van vrijwilligheid tot stand gekomen transactie tot stand komt. In een bindend adviestraject is per definitie geen sprake meer van een onderhandelingsproces. Dat maakt de uitkomt van een bindend adviesrapport een synthetische prijs.
Voorts blijkt uit de VSO dat sprake is van een leveringsplicht aan de zijde van [eisers] en een afnamelicht. Dit in afwijking van hetgeen in artikel 9 van Pro de statuten is opgenomen.
De leverings- en afnameplicht resulteren in een pro rata parte. Er vindt derhalve geen discount plaats op de waarderingsuitkomst. Dit is in lijn met de bepalingen in de aandeelhoudersovereenkomst, considerans IV-2. […]”
In het Addendum zijn verder de tussen partijen gemaakte afspraken rondom de door de deskundige in acht te nemen procedureregels opgenomen. Voor zover deze afwijken van eerder gemaakte afspraken in bijvoorbeeld de VSO of in de statuten en/of in de aandeelhoudersovereenkomst rondom het bepalen van de waarde van de aandelen, prevaleren de bepalingen in het Addendum. Uit het bepaalde in het Addendum volgt dat het de deskundige vrijstaat om zelf te bepalen welke betekenis hij toekent aan de eerder door derden uitgebrachte biedingen. Het Addendum luidt immers, onder meer:
“3.3[...] Het is aan de Deskundige te bepalen of en, zo ja, in hoeverre enige betekenis dient te worden toegekend aan de - in de ogen van [gedaagden] - vermeende biedingen en [eisers] zal in het kader van het prijsvaststellingstraject de onderhavige kwijting op geen enkele wijze tegenwerpen aan [gedaagden] ”
Dat betekent dat het de deskundige ook vrij stond om aan de eerder uitgebrachte biedingen geen betekenis toe te kennen in het kader van de prijsvaststelling van de aandelen. De deskundige heeft in het definitieve bindend advies hierover verder nog het volgende toegelicht op pagina 11:
“in de beschikbare documentatie ten aanzien van de interesse van dan wel (indicatieve) biedingen door derden zien wij geen concrete aanknopingspunten voor een prijsvaststelling anders dan op basis van een synthetische prijsvorming gebaseerd op economische grondslagen. Onze overwegingen luiden als volgt:
-De niet bindende (vrijblijvende) interesse van dan wel (indicatieve) biedingen op 100% van de aandelen in Top Taste door derden zijn gebaseerd op een informatiememorandum dat uitging geeft aan niet gezamenlijk gedragen uitgangspunten;
-De uitgangspunten in het informatiememorandum, die het uitgangspunt vormen voor de indicatieve waarderingen/biedingen zijn nog niet getoetst in een due diligence onderzoek;
-De in de (indicatieve) biedingen gepresenteerde prognoses achten wij niet in lijn met de historische realisaties van Top Taste en de plannen voor de toekomstige jaren zoals deze blijken uit de aan ons beschikbaar gestelde informatie. Deze bindende prijsvatstelling is derhalve gebaseerd op een synthetische prijsvorming gebaseerd op economische grondslagen.”
Daarmee heeft de deskundige voldoende gemotiveerd waarom hij niet heeft aangeknoopt bij de uitgebrachte biedingen.
Met welke andere relevante feiten en omstandigheden, anders dan de gedane biedingen, de deskundige dan ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden, heeft [eisers] verder niet geconcretiseerd. Het enkel gebruiken van een eerder door partijen niet genoemd woord
synthetische prijsvaststellingis onvoldoende voor de conclusie dat de deskundige een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd en hij zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden. Dat maakt in ieder geval niet dat geen redelijk handelend adviseur tot deze wijze van prijsvaststelling had kunnen komen.
De rechtbank gaat gelet op het voorgaande dan ook voorbij aan de stelling van [eisers] dat het bindend advies vernietigbaar is wegens het hanteren door de deskundige van een onjuist beoordelingskader.
Slotsom
4.27.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bindend advies niet vernietigbaar, zodat partijen hieraan, en aan de door IBV vastgestelde prijs van de aandelen, zijn gehouden. Van (zodanig ernstige) gebreken in de inhoud of wijze van totstandkoming van het bindend advies die maken dat geen redelijk handelend adviseur tot dit advies heeft kunnen komen is de rechtbank niet gebleken.
4.28.
Dat betekent dat het gevorderde zal worden afgewezen.
Ten aanzien van de proceskosten
4.29.
[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht € 688,-
- salaris advocaat € 1.228,- (2 punten × tarief II)
- nakosten €
178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.094,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.094,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eisers] € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eisers] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Singeling, rechter, bijgestaan door mr. C.L. de Rijke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.