In deze zaak, die voor de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam is behandeld, heeft eiser [eiser] een vordering ingesteld tegen gedaagden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met betrekking tot de realisatie van een uitbouw aan zijn woning. Eiser is sinds 2 januari 2025 eigenaar van de woning en verhuurt deze aan derden. Gedaagden, die eigenaar zijn van de naastgelegen woning, verzetten zich tegen de uitbouw. Eiser vordert onder andere dat de kantonrechter hem het recht verleent om de uitbouw te plaatsen en dat gedaagden worden veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten. Gedaagden hebben verweer gevoerd en vorderingen in reconventie ingesteld, waaronder het verzoek om te verklaren dat hun lichtopening onder de bescherming van een erfdienstbaarheid valt.
De kantonrechter heeft in het bevoegdheidsincident geoordeeld dat hij niet bevoegd is om van de vorderingen van eiser kennis te nemen, omdat de waarde van de vorderingen mogelijk hoger is dan € 25.000,00. De kantonrechter heeft de vordering tot onbevoegdverklaring van gedaagden toegewezen en eiser veroordeeld in de proceskosten. De hoofdzaak en het incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen zijn verwezen naar de handelskamer van de rechtbank. De proceskosten zijn begroot op € 339,00 en zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eiser en gedaagden zijn erop gewezen dat zij na verwijzing door een advocaat moeten worden vertegenwoordigd en dat er griffierechten verschuldigd zijn.