ECLI:NL:RBAMS:2025:8402

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
11755056 \ CV EXPL 25-8551
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis in incident betreffende bevoegdheid en voorlopige voorzieningen in geschil over uitbouw en erfdienstbaarheid

In deze zaak, die voor de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam is behandeld, heeft eiser [eiser] een vordering ingesteld tegen gedaagden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met betrekking tot de realisatie van een uitbouw aan zijn woning. Eiser is sinds 2 januari 2025 eigenaar van de woning en verhuurt deze aan derden. Gedaagden, die eigenaar zijn van de naastgelegen woning, verzetten zich tegen de uitbouw. Eiser vordert onder andere dat de kantonrechter hem het recht verleent om de uitbouw te plaatsen en dat gedaagden worden veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten. Gedaagden hebben verweer gevoerd en vorderingen in reconventie ingesteld, waaronder het verzoek om te verklaren dat hun lichtopening onder de bescherming van een erfdienstbaarheid valt.

De kantonrechter heeft in het bevoegdheidsincident geoordeeld dat hij niet bevoegd is om van de vorderingen van eiser kennis te nemen, omdat de waarde van de vorderingen mogelijk hoger is dan € 25.000,00. De kantonrechter heeft de vordering tot onbevoegdverklaring van gedaagden toegewezen en eiser veroordeeld in de proceskosten. De hoofdzaak en het incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen zijn verwezen naar de handelskamer van de rechtbank. De proceskosten zijn begroot op € 339,00 en zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eiser en gedaagden zijn erop gewezen dat zij na verwijzing door een advocaat moeten worden vertegenwoordigd en dat er griffierechten verschuldigd zijn.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11755056 \ CV EXPL 25-8551
Vonnis in incident van 4 november 2025
in de zaak van
[eiser],
Wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
hierna samen te noemen (in enkelvoud): [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S.R. Kieffer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 juni 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens houdende i) een incidentele vordering tot onbevoegdverklaring ii) incidentele vorderingen tot het treffen van voorlopige voorzieningen iii) vorderingen in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in de incidenten, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak, tevens houdende akte aanvullend bewijsaanbod, met producties.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis in incident wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is sinds 2 januari 2025 eigenaar van de woning aan de [adres 1] (hierna: de woning). [gedaagde] zijn, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de naastgelegen woning aan de [adres 2] .
2.2.
[eiser] verhuurt de woning aan derden.
2.3.
[eiser] wil een uitbouw aan de achtergevel van de woning realiseren. [gedaagde] is het daar niet mee eens.

3.Het geschil in de hoofdzaak

in conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat [eiser] ten opzichte van [gedaagde] gerechtigd is om een uitbouw te plaatsen achter de woning,
II. [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding vanwege het onrechtmatig handelen van [gedaagde] met betrekking tot de door [eiser] gewenste uitbouw achter de woning,
III. [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] tot betaling van een dwangsom en de proceskosten.
in reconventie
3.3.
[gedaagde] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat de lichtopening van [gedaagde] , zoals omschreven in het lichaam van de conclusie van antwoord:
a. primair: valt onder de werking en bescherming van een erfdienstbaarheid van licht, welke geldt voor de eigenaar van het erf [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 1] (wie de lichtopening met ruimte voor lichtinval dient te dulden als dienden erf) ten gunste van de eigenaar [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 2] (heersend erf),
b. subsidiair: valt onder de werking en bescherming van een overeenkomst – van onbepaalde tijd – welke geldt voor de eigenaar van het erf [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 1] (wie de lichtopening met ruimte voor lichtinval dient te dulden als dienend erf) ten gunste van de eigenaar [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 2] (heersend erf),
c. meer subsidiair: valt onder de werking en bescherming van een erfdienstbaarheid van licht, welke geldt voor de eigenaar van het erf [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 1] (wie de lichtopening met ruimte voor lichtinval dient te dulden als dienend erf) ten gunste van de eigenaar [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 2] (heersend erf), welke door verjaring is ontstaan ex artikel 5:72 BW,
d. uiterst subsidiair: valt onder de werking en bescherming van een erfdienstbaarheid van licht, welke geldt voor de eigenaar van het erf [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 1] (wie de lichtopening met ruimte voor lichtinval dient te dulden als dienend erf) ten gunste van de eigenaar [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 2] (heersend erf), welke door verjaring is ontstaan ex artikel 5:50 BW,
II. verklaart dat een vonnis waarin de vorderingen zoals omschreven in 3.3 I onder c of d worden toegewezen, in de openbare registers kan worden ingeschreven,
III. [eiser] gebiedt mee te werken aan registratie van een akte van verjaring,
IV. voor recht verklaart dat een erfdienstbaarheid voor leidingen geldt voor de eigenaar van het erf [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 1] (dienden erf) ten gunste van de eigenaar [gemeente] [sectienummer 2] (heerstrend erf),
V. [eiser] verbiedt om binnen een straal van twee meter – gemeten vanuit de lichtopening van [gedaagde] zoals omschreven in het lichaam van de conclusie van antwoord – werken of zaken te plaatsen die de lichtinval van [gedaagde] belemmeren,
VI. [eiser] veroordeelt tot betaling van een dwangsom,
VII. [eiser] veroordeelt in de proceskosten.
3.4.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] . met een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4.Het geschil in de incidenten

in het bevoegdheidsincident4.1. [gedaagde] vordert dat de kantonrechter zich bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis onbevoegd verklaart om van de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak kennis te nemen, met een veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.2.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
in het incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen
4.3.
[gedaagde] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. [eiser] gedurende de onderhavige procedure verbiedt om binnen een straal van twee meter, gemeten vanuit de lichtopening van [gedaagde] , zoals omschreven in het lichaam van de conclusie van antwoord, werken of zaken te plaatsen die de lichtinval belemmeren,
II. [eiser] gebiedt de schutting van [gedaagde] tegen de erfgrens, voor zijn rekening en risico, te herstellen, binnen 15 werkdagen na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn,
III. [eiser] veroordeelt tot betaling van een dwangsom,
IV. [eiser] veroordeelt in de proceskosten.
4.4.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] . met een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

5.De beoordeling in het bevoegdheidsincident

5.1.
Volgens [gedaagde] is de kantonrechter niet bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak en moeten die worden voorgelegd aan een de kamer voor andere zaken dan kantonzaken (hierna: de handelskamer) van deze rechtbank. [gedaagde] heeft toegelicht dat de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak van onbepaalde waarde zijn. Verder heeft [gedaagde] erop gewezen dat [eiser] in de randnummers 2.10 en 2.11 van de dagvaarding kostenposten heeft gesteld die tezamen een waarde van € 25.000,00 overstijgen.
5.2.
[eiser] is het daar niet mee eens. Hij betwist dat hij in randnummer 2.10 en 2.11 van de dagvaarding kostenposten heeft gesteld die tezamen een waarde van € 25.000,00 overstijgen. Verder heeft [eiser] naar voren gebracht dat hij – in het kader van zijn schadebeperkingsplicht – de kamer die hij eerder leeg liet staan ten behoeve van de aanbouw inmiddels weer heeft verhuurd. Volgens [eiser] wordt de totale schade daardoor beperkt tot een bedrag tussen € 10.000,00 en € 15.000,00, maar is de totale schade afhankelijk van de uiteindelijke claim van zijn aannemer, de huurderving en de duur van de onderhavige procedure.
5.3.
De kantonrechter begrijpt de stellingen van [gedaagde] zo dat hij vindt dat de kantonrechter zich onbevoegd moet verklaren om kennis te nemen van de hoofdzaak en die moet verwijzen naar de handelskamer van deze rechtbank. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin en legt hierna uit waarom.
5.4.
In de wet staat dat de kantonrechter zaken behandelt en beslist betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. [1]
5.5.
[eiser] heeft in randnummer 2.10 van de dagvaarding toegelicht dat zijn schade onder meer zou kunnen bestaan uit kosten die zijn aannemer ( [naam vof] ) mogelijk aan hem zal doorbelasten, omdat die aannemer niet volgens de planning met het realiseren van de uitbouw kan beginnen. [eiser] heeft in randnummer 2.11 van de dagvaarding toegelicht dat hij ook schade lijdt als gevolg van huurderving, omdat hij de woning leeg moet houden totdat de uitbouw kan worden geplaatst. [eiser] vervolgt in randnummer 2.11 van de dagvaarding:
“Afhankelijk van de uiteindelijke claim van aannemer [naam vof] en de duur van de procedure, verwacht [eiser] een schadepost van ten minste € 20.000,- maar mogelijk dus nog een hoger bedrag.”.
5.6.
Uit randnummers 2.10 en 2.11 van de dagvaarding kan niet zonder meer worden afgeleid dat de schadevergoedingsvordering van [eiser] – zoals hiervoor weergegeven in 3.1 onder II – geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. [eiser] heeft daarin namelijk zelf toegelicht dat deze vordering mogelijk een hogere waarde dan € 20.000,00 vertegenwoordigt. [eiser] voert nu aan dat zijn schade beperkt zal zijn tot een bedrag tussen € 10.000,00 en € 15.000,00. Door daar evenwel aan toe te voegen dat de totale schade afhankelijk is van onder andere de uiteindelijke claim van de aannemer, de huurderving en de duur van onderhavige procedure, blijft de hoogte van zijn schadevergoedingsvordering onzeker. Om iedere twijfel daarover weg te nemen had [eiser] er ook voor kunnen kiezen om zijn vordering nadrukkelijk te beperken tot € 25.000,00. Dat heeft hij niet gedaan.
5.7.
De kantonrechter merkt in dit verband nog op dat ook voor de vordering van [eiser] – zoals hiervoor weergegeven in 3.1 onder I – geen duidelijke aanwijzingen bestaan dat deze geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. [eiser] heeft in randnummer 2.4 van de dagvaarding namelijk toegelicht dat met de uitbouw kosten van tenminste € 90.000,00 gemoeid zijn.
5.8.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter niet bevoegd is om van de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak kennis te nemen. Dit betekent dat de incidentele vordering van [gedaagde] tot onbevoegdverklaring wordt toegewezen.
5.9.
[eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde: € 204,00 (1,0 punt x tarief: € 204,00)
- nakosten:
€ 135,00
- totaal: € 339,00
5.10.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
6. De beoordeling in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen
6.1.
De zaak in conventie wordt in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank. [2] Gezien de verwijzing van de zaak in conventie wordt ook de zaak in reconventie in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank. [3]
6.2.
Omdat de hoofdzaak wordt verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank, wordt ook het door [gedaagde] opgeworpen incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen in de stand waarin deze zich bevindt, verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank.

7.De beslissing

De kantonrechter
in het bevoegdheidsincident
7.1.
wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe,
7.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] , begroot op € 339,00,
7.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen
7.4.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank,
7.5.
verwijst de zaak daartoe naar de civiele rol, niet zijnde de civiele rol voor kantonzaken, van
woensdag 3 december 2025om 10:00 uur,
7.6.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat,
7.7.
wijst [eiser] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht is verschuldigd, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [eiser] van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota met betaalinstructies ontvangt,
7.8.
wijst [gedaagde] erop dat na verwijzing griffierecht is verschuldigd, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [gedaagde] een nota met betaalinstructies ontvangt van het LDCR,
7.9.
deelt mee dat van een partij die onvermogend is een lager griffierecht wordt geheven, indien hij/zij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging, dan wel
- een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging),
7.10.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 93 aanhef en onder b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.Artikel 71 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.Artikel 97 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.