ECLI:NL:RBAMS:2025:8461

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
764262
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.C.J. Hamming
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot voorlopig deskundigenonderzoek in de kinderopvangtoeslagenaffaire

In deze zaak hebben de ouders, erkend als gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire, een verzoek ingediend voor een voorlopig deskundigenonderzoek. Dit verzoek is ingediend naar aanleiding van de erkenning van aansprakelijkheid door de Staat der Nederlanden voor onrechtmatige besluiten met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2014. De ouders hebben schade geleden door besluiten van de Staat die hebben geleid tot financiële en emotionele gevolgen voor henzelf en hun minderjarige kinderen. De rechtbank heeft op 30 oktober 2025 besloten om een psychiater, dr. J.W. Peterse, te benoemen voor het uitvoeren van het deskundigenonderzoek. Dit onderzoek is bedoeld om de mentale gevolgen van de kinderopvangtoeslagaffaire voor de ouders en kinderen vast te stellen. De rechtbank heeft ook de kosten van het onderzoek ten laste van de Staat gesteld, gezien de erkende aansprakelijkheid. De ouders hebben aangegeven dat de besluiten van de Staat ernstige gevolgen hebben gehad voor hun mentale gezondheid en de ontwikkeling van hun kinderen. De rechtbank heeft de vraagstelling van de ouders grotendeels overgenomen en benadrukt dat het onderzoek ook rekening moet houden met andere mogelijke schadeveroorzakende omstandigheden. De beslissing over het verzoek om een arbeidsdeskundig onderzoek is aangehouden, totdat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/764262 / HA RK 25-45
Beschikking van 30 oktober 2025
in de zaak van

1.[verzoeker 1] ,2. [verzoeker 2] ,

namens henzelf, alsmede in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen
[minderjarige 1]en
[minderjarige 2],
3.
[verzoeker 3],
alle wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partijen, hierna te noemen: [verzoeker 1] , [verzoeker 2] (ook gezamenlijk de ouders), [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [verzoeker 3] (de laatste drie personen ook gezamenlijk de kinderen), en allen gezamenlijk verzoekers,
advocaat: mr. C.L.J.A. Spiertz,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon,
STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN FINANCIËN,
zetelend in Den Haag,
verwerende partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. H.J.S.M. Langbroek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties, binnengekomen bij de griffie op 12 februari 2025,
- de e-mail en de brief van de Staat van 19 maart 2025,
- de tussenbeschikking van 15 mei 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 september 2025.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire. [verzoeker 1] heeft de kinderopvangtoeslag aangevraagd.
2.2.
In een beschikking van 28 april 2023 heeft de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) aan de ouders een compensatiebedrag toegekend van € 60.681,00.
2.3.
Op 28 augustus 2023 hebben de ouders de Staat per brief aansprakelijk gesteld voor schade die zij hebben geleden door besluiten met betrekking tot de vaststelling, verlaging, nihilstelling en terugvordering van kinderopvangtoeslag over de periode 2011 tot en met 2014 en de daarmee samenhangende maatregelen. De ouders stellen zich in die brief op het standpunt dat hun schade hoger is dan de schadevergoeding die zij hebben ontvangen.
2.4.
Op 7 november 2023 heeft de Staat bij brief aansprakelijkheid jegens de ouders erkend voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de UHT compensatie is toegekend. De Staat verwijst de ouders voor aanvullende schade naar de Commissie Werkelijke Schade.
2.5.
Op 26 augustus 2024 is de Staat ook namens de kinderen [minderjarige 1] (2007) en [minderjarige 2] (2009) aansprakelijk gesteld voor schade die zij als gevolg van de hiervoor genoemde besluiten hebben geleden. [verzoeker 3] (2005) is tijdens het indienen van het verzoek meerderjarig. De Staat betwist aansprakelijkheid tegenover de kinderen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De ouders verzoeken - samengevat - de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een aan expertisebureau WPEX verbonden psychiater en de heer T. van Summeren, arbeidsdeskundige, als deskundigen te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden, en te bepalen dat de Staat de kosten (het voorschot) van de onderzoeken moet betalen.
3.2.
Aan het verzoek leggen de ouders het volgende ten grondslag. [verzoeker 2] kampt door de voornoemde besluiten met ernstige angstklachten, slapeloosheid, verminderde belastbaarheid en concentratieproblemen. Ze is constant bang om haar bedrijf kwijt te raken. [verzoeker 1] heeft ook ernstige angstklachten en is in behandeling bij een psycholoog. [verzoeker 3] is sinds zijn twaalfde sterk beïnvloed door de toeslagenaffaire. In de beginperiode heeft hij bij zijn oma moeten intrekken. De besluiten hebben ertoe geleid dat hij chronische slaapproblemen heeft, waardoor hij is gestopt met school. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn opgegroeid in een onstabiele gezinssituatie, met gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid. Ook zij hebben studievertraging opgelopen. Verzoekers zijn door de voornoemde besluiten belemmerd in hun persoonlijke en professionele ontwikkeling, aldus de ouders. De ouders willen door deskundigen laten vaststellen welke mentale gevolgen de kinderopvangtoeslagaffaire op verzoekers heeft gehad en de gevolgen daarvan op het sociaal emotioneel functioneren en op het inkomen, de studie en/of het carrièreperspectief. De ouders willen zo hun civielrechtelijke rechtspositie ten opzichte van de Staat nader bepalen, met het oog op een vervolgprocedure of minnelijke regeling.
3.3.
De Staat kiest ervoor om formeel geen verweer te voeren, maar om in de schriftelijke reactie en ter zitting een aantal punten onder de aandacht te brengen. De Staat heeft bezwaar tegen onderzoek door een arbeidsdeskundige naar de kinderen. De Staat vindt het niet doelmatig en efficiënt om ten aanzien van de kinderen een onderzoek te gelasten, omdat de aansprakelijkheid jegens hen niet vaststaat. In verband daarmee voert de Staat verweer tegen het verzoek om haar te belasten met de kosten van het onderzoek naar de kinderen. Verder kan de Staat zich niet geheel vinden in de voorgestelde vraagstelling. Zo vindt de Staat de door verzoekers voorgestelde vraag 3 te breed geformuleerd (“
Is het aannemelijk dat de stoornissen die bij betrokkene worden gevonden in causaal verband kunnen worden gebracht met het voorval?”). Daarnaast vindt de Staat dat de vraagstelling te weinig rekening houdt met andere potentieel schadeveroorzakende omstandigheden. [verzoeker 2] heeft vanuit haar onderneming met de Belastingdienst invorderingsgeschillen gehad, die mogelijk ook de nodige impact hebben gehad. Dit moet volgens de Staat ook in het onderzoek worden meegenomen.

4.De beoordeling

Toetsingskader voorlopig deskundigenbericht
4.1.
Het doel van een voorlopig deskundigenbericht is onder andere een partij de mogelijkheid te geven om met een onderzoek door een deskundige zekerheid of duidelijkheid te krijgen over feiten en omstandigheden die voor de beslissing van een geschil van belang kunnen zijn. Zo kan een partij een standpunt bepalen en beoordelen of het wenselijk is een procedure te beginnen of daar mee door te gaan.
4.2.
Een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 202 lid 1 Rv wordt in beginsel toegewezen, als dat verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is alleen anders als verzoekers geen belang bij het verzoek hebben, zoals bedoeld in artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (BW), of als sprake is van strijd met de goede procesorde, misbruik van recht of een andere gewichtige reden die zich tegen toewijzing van het verzoek verzet.
Deskundigenonderzoek door psychiater toegewezen
4.3.
De Staat verzet zich niet tegen het verzoek tot de benoeming van een psychiater voor het verrichten van een deskundigenonderzoek naar de ouders. Het verzoek voldoet aan de daaraan te stellen eisen en zal ten aanzien van de ouders worden toegewezen.
4.4.
De rechtbank ziet, ondanks de door de Staat geuite bezwaren, toch aanleiding om het verzoek tot benoeming van een psychiater ook ten aanzien van de kinderen toe te wijzen. Deze verzoekschriftprocedure leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of de Staat ook tegenover de kinderen onrechtmatig heeft gehandeld. In de onderhavige procedure dient de rechtbank het verzoek te toetsen aan het hiervoor weergegeven ruime beoordelingskader. Gelet op de ter zitting gegeven toelichting over de gezinssituatie en de impact die (de nasleep van) de genoemde besluiten op het gehele gezin hebben gehad, kan er ook sprake zijn van schadelijke gevolgen bij de kinderen (hetgeen ook weer van invloed is op de ouders). In zoverre is er sprake van een wisselwerking en samenhang, waardoor het niet is uit te sluiten dat de kinderen een vorderingsrecht hebben jegens de Staat. Dat betekent dat de kinderen net als de ouders belang hebben bij het verzochte deskundigenonderzoek.
4.5.
De rechtbank merkt op dat de mogelijkheid dat er ook andere schadeveroorzakende omstandigheden zijn geweest – volgens de Staat problemen bij “het blauwe deel” van de Belastingdienst – niet wegneemt dat er belang bestaat bij onderzoek naar de klachten van de verzoekers. Het is daarbij aan de psychiater om in zijn beoordeling zo nodig aandacht te besteden aan eventuele andere gebeurtenissen of pre-existente (psychiatrische) problematiek. Het uitgangspunt is dat de deskundige, en niet de rechtbank of partijen, heeft te bepalen welke door partijen te verschaffen gegevens voor de uitvoering van het hem opgedragen onderzoek noodzakelijk zijn.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de verzoeken tot de benoeming van een psychiater voor het verrichten van een deskundigenonderzoek naar de ouders en de kinderen toewijst. Ter zitting is besproken dat de door verzoekers genoemde klachten mogelijk liggen binnen het vakgebied van een psycholoog (waarbij de ouders ook onder behandeling zouden zijn geweest). Verzoekers blijven erbij dat zij (primair) onderzoek door een psychiater aangewezen achten.
4.7.
De ouders hebben voorgesteld om een psychiater van WPEX te benoemen. De Staat heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. Dr. J.W. Peterse, psychiater werkzaam bij WPEX, heeft de griffier laten weten dat hij bereid is en in de gelegenheid is het onderzoek te verrichten. Hij zal dus in deze beschikking als deskundige worden benoemd. Dr. Peterse is voornemens GZ-psycholoog mevrouw M. Kramp te betrekken in het onderzoek. Voor het onderzoek naar de kinderen zal H. Bijsterbosch (klinisch neuropsycholoog kind & jeugd) worden ingeschakeld.
De vraagstelling
4.8.
In het verzoekschrift hebben de ouders vragen opgenomen die zij aan de deskundigen willen voorleggen. De rechtbank zal voor het overgrote deel aansluiten bij deze vraagstelling, die overigens eerder ook is gehanteerd door rechtbanken in eerdere vergelijkbare zaken (zoals de beschikking van deze rechtbank van 26 juni 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:6697). De rechtbank zal echter bij vraag 3 “in hoeverre” toevoegen. Ook geeft de rechtbank de psychiater in overweging om bij beantwoording van vraag 4 aandacht te besteden aan het standpunt van de Staat dat de eventuele invorderingsproblematiek met de Belastingdienst ook een mogelijke oorzaak van de door verzoekers genoemde klachten kan zijn geweest. Tot slot heeft de Staat gewezen op het feit dat de kwestie weliswaar gaat over de toeslagjaren 2011-2014, maar dat de (nadelige) besluiten waar de gestelde schade op ziet zijn genomen na 25 januari 2013 en dat deze waren gericht tot de aanvrager, [verzoeker 1] (en niet tot [verzoeker 2] ).
Deskundigenonderzoek door een arbeidsdeskundige
4.9.
Onder meer gelet op de bezwaren van de Staat tegen een arbeidsdeskundig onderzoek zal de rechtbank op dit moment alleen een onderzoek gelasten door een psychiater. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk bij uitstek relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is en voldoet aan het in 4.2 genoemde toetsingskader. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten. De beslissing op het verzoek om een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden.
Voorschot
4.10.
Het voorschot op de kosten van het onderzoek wordt bepaald op het nader door de deskundige op te geven bedrag.
4.11.
De ouders hebben verzocht te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigenonderzoeken door de Staat wordt betaald. De Staat heeft in haar brief van
19 maart 2025 aangegeven dat, in het geval dat aansprakelijkheid jegens de kinderen wordt afgewezen, het de Staat voorkomt dat de op de kinderen betrekking hebbende kosten van het onderzoek door verzoekers worden gedragen.
4.12.
De rechtbank ziet gelet op de erkende aansprakelijkheid jegens de ouders en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken van de ouders en de kinderen aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek toch door de Staat dient te worden betaald. Dit neemt niet weg dat de Staat terecht heeft gewezen op het risico dat op een later moment (afhankelijk van het verdere verloop) terugvordering kan plaatsvinden.
Slotopmerkingen
4.13.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
4.14.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, moet zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij verstrekken.
4.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een onderzoek door de volgende deskundige:
als psychiater
de heer dr. J.W. Peterse verbonden aan WPEX
Adres: [adres]
Telefoon: [telefoonnummer]
E-mail: [e-mailadres]
5.2.
bepaalt dat aan de psychiater de volgende vraagstelling ter beantwoording wordt voorgelegd:
Inleiding
Verzoekers, [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn erkend gedupeerden van de zogenoemde kinderopvangtoeslagen-affaire. Bij brief van 7 november 2023 heeft de Staat ten aanzien van de ouders de aansprakelijkheid erkend voor onrechtmatige besluiten met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren waarvoor UHT compensatie is toegekend. Het betreft de toeslagjaren 2011 tot en met 2014. De onrechtmatige besluiten (vaststelling, verlaging, nihilstelling en terugvordering) en daarmee samenhangende maatregelen zijn genomen vanaf 2013. Om een beeld te krijgen van de mogelijke gevolgen voor [verzoeker 1] en [verzoeker 2] van het hiervoor omschreven onrechtmatig handelen door de Staat bij de genoemde besluiten en maatregelen (hierna: ‘het voorval’), wordt u verzocht hen te onderzoeken en de volgende vragen te beantwoorden.
Om in beeld te krijgen wat de mogelijke gevolgen zijn voor de kinderen, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [verzoeker 3] , van het hiervoor genoemde onrechtmatig handelen van de Staat en de mogelijke impact die dat op hen heeft gehad, wordt u verzocht ook hen te onderzoeken en de volgende vragen te beantwoorden. U wordt verzocht de vragen per persoon te beantwoorden. Zo er samenhang/verband bestaat wordt u verzocht deze te beschrijven en toe te lichten.
Voorvraag
A. Heeft u voor beoordeling van deze casus en/of de beantwoording van de onderstaande vragen alle relevante medische informatie ontvangen? Zo nee, wilt u dan aan (een van de) partijen door tussenkomst van belangenbehartiger(s) van (een van de) partijen de benodigde informatie opvragen?
Vragen
1. Wat is uw diagnose en, voor zover relevant, kunt u eventueel eerder gestelde diagnose(s) bevestigen?
2. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentaal functioneren van betrokkene, zoals:
• het reguleren van emoties;
• cognitief functioneren, het opnemen en weergeven van informatie;
• taalgebruik;
• helderheid van bewustzijn;
• gedrag?
3. In hoeverre is het aannemelijk dat de stoornissen die bij betrokkene worden gevonden in causaal verband kunnen worden gebracht met het voorval?
4. Zijn er wellicht andere oorzaken dan het voorval (al dan niet ermee samenhangend), die een verklaring kunnen zijn voor de aangetoonde stoornissen?
De rechtbank geeft in overweging om hierbij aandacht te besteden aan de door De Staat geschetste problemen die [verzoeker 2] zou hebben ondervonden met de Belastingdienst op het gebied van invordering (al dan niet in verband met haar eigen onderneming).
5. Indien de aangenomen stoornissen kunnen worden toegeschreven aan de gevolgen van het voorval, wat zijn dan de beperkingen in het functioneren van betrokkene die daardoor zijn ontstaan?
Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
6. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde klachten en afwijkingen?
a. Zo ja, welke verbetering of verslechtering vetwacht u?
b. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
c. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 5)?
7. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
U wordt verzocht uw antwoorden uitgebreid te motiveren en waar mogelijk te onderbouwen met verwijzing naar medisch-wetenschappelijke literatuur.
5.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
5.4.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
- de deskundige dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,
- de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen,
- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,
- als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,
- als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld,
5.5.
bepaalt dat de Staat het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
5.6.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
5.7.
bepaalt dat verzoekers zo spoedig mogelijk het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
5.8.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
5.9.
bepaalt dat verzoekers in de gelegenheid worden gesteld hun blokkeringsrecht in te roepen (zoals nader omschreven onder 5.13) en dat een concept-fase wordt ingelast (zoals nader omschreven onder 5.13 en 5.14);
5.10.
wijst de deskundige er op dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek wordt verzocht kennis te nemen van de Leidraad deskundige in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
- indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt, welke verzoeken zij hebben gedaan en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,
5.11.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
5.12.
draagt de deskundige op om uiterlijk vier maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
5.13.
wijst de deskundige er op dat:
- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- dat de deskundige de ouders (voor henzelf en voor hun minderjarige kinderen) in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van hun inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien de ouders als eerste kennis wensen te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan de ouders (eventueel onder gesloten couvert via hun advocaat) moet toesturen en de ouders daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik willen maken van hun blokkeringsrecht (waarbij de ouders zich van commentaar op het concept moeten onthouden),
- dat, indien de ouders binnen die termijn mededelen gebruik te maken van hun blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen,
- dat, indien de ouders geen gebruik maakt van hun inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden,
5.14.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het conceptrapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het conceptrapport te reageren,
5.15.
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
5.16.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.C.J. Hamming, rechter, bijgestaan door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.