ECLI:NL:RBAMS:2025:8476

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
C/13/759855 / HA ZA 24-1279
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van de bankrelatie tussen Motivo NL B.V. en Rabobank na klantonderzoek

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 22 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen de besloten vennootschap Motivo NL B.V. en de coöperatie Rabobank U.A. Motivo vorderde dat de opzegging van de klantrelatie door Rabobank onrechtmatig was en dat de bankrelatie ongewijzigd in stand moest worden gehouden. De rechtbank oordeelde dat Rabobank, na een klantonderzoek, de relatie met Motivo op 6 maart 2024 had opgezegd. Motivo had in de periode van mei 2023 tot februari 2024 ernstige onduidelijkheden in haar bedrijfsvoering laten zien, waaronder een evr-registratie wegens verduistering en fraude. De rechtbank concludeerde dat de opzegging van de klantrelatie door Rabobank rechtmatig was, omdat Motivo niet voldoende had aangetoond dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De rechtbank wees de vorderingen van Motivo af en veroordeelde haar in de proceskosten, die op € 2.094,00 werden begroot. De wettelijke rente over de proceskosten werd eveneens toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/759855 / HA ZA 24-1279
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
MOTIVO NL B.V.,
te Alkmaar,
eisende partij,
hierna te noemen: Motivo,
advocaat: mr. F.F.J. Froger,
tegen
de coöperatie met uitsluiting van aansprakelijkheid
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. E.H.C. Verstraaten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
˗ de dagvaarding van 20 september 2024 met de producties 1-3;
˗ de conclusie van antwoord met de producties 1-23;
˗ het tussenvonnis van 9 april 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
˗ de op vrijdag 5 september 2025 ontvangen akte overlegging producties van Motivo met de producties 4-12;
˗ de mondelinge behandeling van 8 september 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, en de spreekaantekeningen van Motivo.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Motivo exploiteert een uitzendbureau en detacheert vooral buitenlandse medewerkers in de agrarische en bloemensector. Motivo verzorgt ook het vervoer en het huisvesten van haar medewerkers. In het laagseizoen heeft zij ongeveer 220 medewerkers in dienst en in het hoogseizoen ongeveer 430 medewerkers. Motivo huurt huizen voor huisvesting van personeel.
2.2.
Motivo bankiert sinds 2019 bij Rabobank en houdt bij Rabobank een G-rekening, een rekening-courant en een bedrijfsspaarrekening aan. Op de klantrelatie tussen Motivo en Rabobank zijn onder meer de algemene voorwaarden van Rabobank van toepassing.
2.3.
In de periode van mei 2023 tot en met februari 2024 heeft Rabobank een klantonderzoek uitgevoerd naar Motivo. Naar aanleiding van de bevindingen van dat onderzoek heeft Rabobank bij brief van 6 maart 2024 de relatie met Motivo opgezegd.
2.4.
Motivo heeft geprobeerd elders een zakelijke bankrekening te krijgen. Op 15 augustus 2024 heeft Bunq haar geweigerd als klant.
2.5.
Op 22 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank Rabobank veroordeeld om de effectuering van de opzegging op te schorten, totdat in een bodemprocedure in eerste aanleg is vastgesteld dat de opzegging rechtmatig is (ECLI:NL:RBAMS:2024:5239).

3.Het geschil

3.1.
Motivo vordert te verklaren voor recht dat de opzegging van de klantrelatie onrechtmatig is en om Rabobank te veroordelen om de klantrelatie met Motivo ongewijzigd in stand te houden, op straffe van een dwangsom.
3.2.
Motivo baseert deze vordering op de ver strekkende gevolgen die opzegging zou hebben. Zonder bankrekening kan zij haar onderneming niet voortzetten. Bunq heeft haar geweigerd als klant en ABN Amro reageert niet op verzoeken om een rekening te openen. Bij Revolut heeft zij wel een rekening, maar deze is niet geschikt voor automatische incasso’s, voor betalingen met iDeal en voor koppeling aan het boekhoudsysteem van Motivo. Verder stelt Motivo dat zij alle vragen van Rabobank afdoende heeft beantwoord. Kort voor de mondelinge behandeling heeft zij bovendien haar jaarrekeningen gedeponeerd bij de kamer van koophandel.
3.3.
Rabobank voert verweer. Rabobank concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Motivo, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Motivo, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Motivo in de kosten van deze procedure.
3.4.
Volgens Rabobank mag zij in beginsel zelf bepalen of zij de relatie met een klant voortzet. Uit het klantonderzoek bij Motivo blijken ernstige onduidelijkheden over de bedrijfsvoering. Rabobank voert verder aan dat onduidelijk is waarom Bunq Motivo als klant heeft geweigerd. Ook blijkt nergens uit dat ABN Amro niet heeft gereageerd of dat een rekening bij Revolut minder mogelijkheden zou bieden dan bij Rabobank.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt voorop dat Rabobank een relatie met een klant in beginsel mag opzeggen. In het algemeen geldt dat duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd opzegbaar zijn. In dit geval bepaalt bovendien artikel 35 van de algemene voorwaarden dat Rabobank de relatie kan opzeggen. Opzegging mag echter niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het is aan Motivo om feiten en omstandheden te stellen en zo nodig te bewijzen die in haar geval tot die conclusie leiden.
4.2.
Daarvoor is niet genoeg welke problemen de opzegging voor Motivo meebrengt, maar weegt anderzijds het belang van Rabobank mee om geen klant te hoeven houden die zij niet wenst. Op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme moest Rabobank onderzoek verrichten dat haar in staat stelt om het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie met Motivo vast te stellen (artikel 3 lid 2 onder c). Anders moet Rabobank de klantrelatie met Motivo beëindigen (artikel 5 lid 3). Ook los daarvan heeft een bank een maatschappelijke verantwoordelijkheid bij het signaleren van mogelijke financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Ook heeft zij er belang bij om risico’s voor haar eigen reputatie te kunnen overzien.
4.3.
Uit het klantonderzoek bleek onder andere het volgende:
˗ Motivo stond geregistreerd in het door de Nederlandse vereniging van banken gevoerde externe verwijzingsregister (evr). Die registratie is door de leasemaatschappij Pon Financial Services gedaan wegens de verduistering van een voertuig en fraude.
˗ Motivo had haar jaarrekeningen over 2021, 2022 en 2023 niet gedeponeerd bij de kamer van koophandel.
˗ De jaarrekening over 2020 vermeldde voor de G-rekening een saldo van € 30.123,63, terwijl dat in werkelijkheid slechts € 112,63 bedroeg.
˗ In strijd met de algemene voorwaarden van Rabobank zijn de zakelijke rekeningen van Motivo gebruikt voor privéuitgaven en deze zijn niet geadministreerd.
˗ Er zijn vele contante betalingen gedaan voor de huur van vakantiehuisjes. De daarvoor getoonde betaalbewijzen zijn inconsistent en vermelden geen omzetbelasting (btw).
4.4.
Voor de gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging van de klantrelatie onrechtmatig was is beslissend of de opzegging op 6 maart 2024 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was (
ex tunc). Motivo heeft bij dat deel van haar vordering echter geen zelfstandig belang. De bankrelatie is immers tot op heden voortgezet.
4.5.
Voor de gevorderde instandhouding van de klantrelatie neemt de rechtbank alle ontwikkelingen in aanmerking tot aan de dag van de mondelinge behandeling in deze procedure (
ex nunc). De instandhouding geldt immers voor de toekomst. Enerzijds heeft Motivo inmiddels een aantal aandachtspunten uit het klantonderzoek opgehelderd. Anderzijds weegt echter zwaarder welke vragen ondanks het tijdsverloop en de uitspraak van de voorzieningenrechter nog niet zijn beantwoord.
4.6.
In het voordeel van Motivo spreekt dat de jaarrekeningen inmiddels zijn gepubliceerd. Anderzijds is dit pas gebeurd één werkdag voor de mondelinge behandeling en dus duidelijk met het oog op deze procedure en niet uit eigen beweging. Bovendien blijft het bezwaar van Rabobank overeind dat de jaarrekeningen te laat zijn gepubliceerd. Wel is inmiddels het saldo van de Grekening in de jaarrekening van 2020 gecorrigeerd en wordt deze niet meer gebruikt, maar eveneens pas naar aanleiding van deze procedure.
4.7.
De contante betalingen voor vakantiehuisjes liggen inmiddels twee jaar in het verleden en niet is gebleken dat Motivo sindsdien opnieuw grote bedragen contant heeft betaald. Bovendien zijn contante betalingen niet verboden en hoeft omzetbelasting niet op betaalbewijzen te worden vermeld, maar alleen op de factuur. Daarin ziet de rechtbank dus geen aanleiding meer om de klantrelatie te beëindigen.
4.8.
Anders ligt dit echter voor de evr-registratie. Motivo heeft gesteld dat deze ten onrechte is gedaan omdat zij een lease-auto bij een garage in reparatie heeft gegeven en vervolgens geen geld had om de leasetermijnen te betalen en ook niet om de garage te betalen. De leasemaatschappij kon vervolgens de auto niet terugkrijgen omdat de garage een retentierecht uitoefende, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Motivo. Onduidelijk blijft echter waarom Motivo de evr-registratie dan niet inmiddels heeft weten te beëindigen.
4.9.
Motivo heeft aangevoerd dat zij geen geld had voor een procedure voor beëindiging van de evr-registratie en ook niet om de jaarrekeningen tijdig te laten opmaken. Het ging financieel zo slecht dat de eigenaar van Motivo geld moest lenen bij familie.
4.10.
De rechtbank vindt dit echter niet geloofwaardig. Uit de administratie van Rabobank blijkt dat Motivo in 2021 in totaal € 16.730,53 aan een consultant in Dubai heeft betaald. Volgens Motivo was dit een bevriende consultant, maar een dergelijk bedrag past niet bij haar stelling dat zij tegelijkertijd geen boekhouder kon betalen. In de jaren 2021-2023 heeft zij bovendien in totaal € 34.246,39 voorgeschoten voor privéuitgaven van haar bestuurder in Mexico. En in 2021 en 2022 is € 22.257,73 uitgegeven om met het personeel in Abu Dhabi in een vip-lounge de formule 1 wedstrijden te bezoeken.
4.11.
Deze uitgaven maken niet alleen ongeloofwaardig dat Motivo in dezelfde periode geen boekhouder en juridisch adviseur kon betalen. Ook zijn ze voor Rabobank voldoende reden om te twijfelen aan de aard van de onderneming van Motivo. Deze twijfel heeft Motivo niet weggenomen gedurende het klantonderzoek en ook niet in deze procedure.
4.12.
De rechtbank oordeelt alles bij elkaar dat de opzegging door Rabobank van de klantrelatie rechtmatig is.
4.13.
Motivo wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten inclusief nakosten betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging vermeld in de beslissing)
totaal
2.094,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van Motivo af,
5.2.
veroordeelt Motivo in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Motivo niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Motivo tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.