ECLI:NL:RBAMS:2025:8520

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
C/13/777503 / KG ZA 25-863
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering voorschot beroepsaansprakelijkheidsverzekering bemiddelaar fosfaatrechten

Q&Q Business heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij CNA. Q&Q trad op als bemiddelaar bij de verkoop van fosfaatrechten van een melkveehouder. Na het sluiten van elf koopovereenkomsten ontkende de melkveehouder de opdracht en leverde niet.

Q&Q vorderde in kort geding een voorschotbetaling van CNA wegens een beroepsfout, omdat zij de mondelinge afspraken niet schriftelijk had vastgelegd. CNA wees de claim af, stellende dat Q&Q zich als partij aan de koopovereenkomsten had verbonden en niet als bemiddelaar handelde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende aannemelijk is dat de beroepsfout binnen de verzekerde hoedanigheid is gemaakt en dat het niet schriftelijk vastleggen van de opdracht niet per definitie een beroepsfout is. De vordering werd afgewezen en Q&Q werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot voorschotbetaling afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van beroepsfout binnen verzekerde hoedanigheid.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/777503 / KG ZA 25-863 EAM/MV
Vonnis in kort geding van 11 november 2025
in de zaak van
Q&Q BUSINESS B.V.,
te Bennekom,
eisende partij bij dagvaarding van 24 oktober 2025,
hierna te noemen: Q&Q ,
advocaat: mr. R.M.W. de Haan,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
CNA INSURANCE COMPANY (EUROPE) S.A.,
te Luxemburg (Luxemburg),
gedaagde partij,
hierna te noemen: CNA,
advocaten: mr. S. Schauwaert en mr. M.A. van der Pool.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 3 november 2025 heeft Q&Q de dagvaarding toegelicht. CNA heeft verweer gevoerd.
Q&Q heeft producties in het geding gebracht en CNA een pleitnota.
Bij de mondelinge behandeling waren – voor zover van belang – aanwezig:
aan de zijde van Q&Q: [naam 1] (indirect bestuurder) met mr. De Haan.
aan de zijde van CNA: [naam 2] (schadebehandelaar) met mr. Schauwaert en
mr. Van der Pool.
Na verder debat is vonnis bepaald op 17 november 2025. Nadien zijn de advocaten van partijen ervan in kennis gesteld dat het vonnis bij vervroeging, op 11 november 2025, wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
[naam 1] (hierna [naam 1] ) is indirect bestuurder van Q&Q. Q&Q is met name actief in de agrarische sector, onder meer in het adviseren en de handel in productierechten.
2.2.
CNA is een schadeverzekeraar; zij biedt onder andere beroepsaansprakelijkheids-verzekeringen aan.
2.3.
Op 1 januari 2021 heeft Q&Q bij CNA een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten. De verzekering biedt een dekking van € 1.000.000,- per aanspraak. Op het polisblad staat onder meer:
HoedanigheidBemiddeling/advisering bij aan- en verkoop alsmede huur/verhuur van particulier, bedrijfsmatig en agrarisch onroerend goed. Het verrichten van taxaties van particulier, bedrijfsmatig en agrarisch onroerend goed. Bemiddeling in productie- en betalingsrechten alsmede beheerIn artikel 1 van Pro de polisvoorwaarden staat onder meer:
1.7 Fout: een nalatigheid, vergissing, verzuim of onachtzaamheid, onjuiste advisering, verkeerd handelen en dergelijke mits door verzekerde begaan bij werkzaamheden binnen de verzekerde hoedanigheid.
Eventuele meerdere fouten die een zelfde oorzaak hebben, uit elkaar voortvloeien of met elkaar verband houden worden als één fout beschouwd. Een dergelijke fout wordt geacht te zijn gemaakt op het moment van de eerste fout uit de reeks.(…)
1.1
Omstandigheid: een of meer fouten, waaruit voor verzekerde een dreiging van een
aanspraak kan worden afgeleid. Van een dreiging is sprake indien het gaat om feiten waarvan verzekerde kan aangeven dat die kunnen leiden tot een aanspraak en waarvan verzekerde concreet kan meedelen uit welke feiten de aanspraak kan voortvloeien en van wie de aanspraak kan worden verwacht.In artikel 2.1 van de polisvoorwaarden staat:
Verzekerd is, met inachtneming van de op het polisblad van toepassing verklaarde
voorwaarden, de aansprakelijkheid van verzekerde voor door derden geleden schade als gevolg
van een fout binnen de verzekerde hoedanigheid, mits de aanspraak tegen de verzekerde voor
het eerst is ingesteld en aan de verzekeraar schriftelijk is gemeld tijdens de contractsduur en de
aanspraak, respectievelijk de fout waaruit de aanspraak voortvloeit, voorafgaand aan deingangsdatum van de verzekering bij verzekerde niet bekend was of behoorde te zijn.
2.4.
Q&Q heeft een zakelijke relatie van ongeveer 20 jaar met een melkveehouder (van wie zij de naam niet bekend maakt). Volgens Q&Q wilde de melkveehouder met zijn bedrijf stoppen en zijn melkveefosfaatrechten verkopen. In de periode van 12 september 2024 tot en met 26 mei 2025 zijn er elf koopovereenkomsten gesloten met negen kopers voor de desbetreffende fosfaatrechten. In de elf koopovereenkomsten (‘koopovereenkomst fosfaatrechten melkvee’) staat Q&Q als volgt aangeduid:
Q&Q (…) ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur dhr. [naam 1] , en optredende in opdracht van de verkoper(s) als bemiddelaar, hierna te noemen “Verkoper”De naam van de melkveehouder is niet in de koopovereenkomsten opgenomen. De kopers zijn er niet van op de hoogte wie de melkveehouder is. Afgesproken is dat de verkoper de fosfaatrechten uiterlijk in 2025 aan de kopers levert.
2.5.
Na het sluiten van de elfde koopovereenkomst ontkende de melkveehouder dat hij Q&Q de opdracht heeft gegeven tot verkoop en heeft hij kenbaar gemaakt de fosfaatrechten niet te zullen leveren. Q&Q heeft de mondelinge afspraken met de melkveehouder niet schriftelijk vastgelegd.
2.6.
Q&Q is van mening dat het niet schriftelijk vastleggen van de mondelinge afspraken met de melkveehouder als een beroepsfout van Q&Q heeft te gelden en heeft hiervan op 5 juni 2025 melding gemaakt bij haar tussenpersoon. Op 10 juni 2025 heeft de tussenpersoon de melding doorgestuurd naar CNA. Op 11 juni 2025 heeft CNA de ontvangst van de melding bevestigd.
2.7.
Op 3 juli 2025 heeft CNA bericht dat zij dekking afwijst met als reden dat Q&Q zichzelf aan de verkoop van de fosfaatrechten heeft gebonden en dat het niet gaat om schade van derden. Nadien is (blijkens productie 11 tot en met 14 van Q&Q) nog gecorrespondeerd tussen (de advocaten van) partijen. Dit heeft niet tot overeenstemming geleid.
2.8.
Bij aangetekende brief van 15 oktober 2025 heeft Q&Q de melkveehouder dringend verzocht de gemaakte afspraken na te komen en de fosfaatrechten te leveren. Deze brief is niet beantwoord.

3.Het geschil

3.1.
Q&Q vordert – kort gezegd – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. CNA te bevelen om – bij wijze van nakoming van de verzekeringsovereenkomst – de reeds ontvangen en/of te verwachten claims van de negen kopers en/of van de verkopende melkveehouder in behandeling te nemen en te verzekeren, op straffe van een dwangsom van € 30.000,- per dag, met een maximum van € 960.000,-;
II. CNA te veroordelen tot betaling van een voorschot van
primair€ 960.000,-, subsidiair € 290.000,-, althans een bedrag dat de voorzieningenrechter geraden acht, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. CNA te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Q&Q legt aan haar vorderingen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. De melkveehouder heeft Q&Q een volmacht gegeven om de fosfaatrechten te verkopen indien kopers bereid waren minimaal een bedrag van € 44,- (ex btw) te betalen per netto kilogram fosfaatrecht. Q&Q heeft vervolgens met elf kopers koopovereenkomsten gesloten die Q&Q telkens in goed overleg met de melkveehouder heeft afgestemd, ofwel telefonisch ofwel op momenten dat [naam 1] van Q&Q de melkveehouder bezocht. Na de elfde transactie ontkende de melkveehouder de opdracht aan Q&Q te hebben gegeven. Vermoedelijk is die ontkenning ingegeven door het feit dat de prijzen voor de fosfaatrechten onverwachts en in korte tijd aanzienlijk zijn gestegen. Q&Q beschikt niet zelf over de fosfaatrechten en kan de melkveehouder bij gebrek aan bewijs niet tot nakoming dwingen. Q&Q heeft weliswaar een brief verzonden naar de melkveehouder (zie 2.8) maar die brief is met een groot kruis erdoor terugbezorgd in de brievenbus van CNA. De melkveehouder blijft dus in zijn ontkenning volharden. De kopers van de fosfaatrechten zullen gezien de aanzienlijk gestegen prijzen Q&Q als bemiddelaar (niet als verkoper) aansprakelijk stellen voor het niet leveren van de fosfaatrechten, hetgeen betekent dat Q&Q die fosfaatrechten alsnog op de markt moet zien te verwerven. Uit een door Q&Q opgesteld overzicht blijkt dat die schade die hiermee is gemoeid – gezien de gestegen prijzen – oploopt tot een bedrag van ongeveer € 961.560 ex btw (uitgaande van een inkooprijs van € 230,- ex btw per netto kilogram). Bij brief van 8 oktober 2025 van de advocaat van een van de kopers is Q&Q reeds aansprakelijk gesteld. Dit is ook gemeld bij CNA. Ook is er een tweede koper die Q&Q reeds aansprakelijk heeft gesteld. De schade ten aanzien van deze twee kopers bedraagt € 290.200 ex btw. Hierop is de subsidiaire vordering van Q&Q op gebaseerd.
3.3.
Q&Q voert verder aan dat het hier gaat om een (beroeps)fout als bemiddelaar die onder de dekking van de verzekeringspolis valt. De fout die Q&Q Business heeft gemaakt, is om haar vertrouwen te laten prevaleren boven een gedraging die — zeker met de kennis van nu — aan de mondelinge opdracht en volmacht verlening had moeten worden gekoppeld, namelijk het schriftelijk bevestigen wat met de verkoper (de melkveehouder) is
besproken. Hierdoor kan Q&Q de melkveehouder niet aan de afspraken houden. In dit kort geding wordt een voorschot op de schade gevorderd, die voortvloeit uit de gemaakte beroepsfout. Q&Q heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van haar vordering omdat de fosfaatrechten voor 1 januari 2026 op naam van de kopers moeten zijn aangemeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Indien dit niet tijdig gebeurt, verbeuren die kopers ook nog eens boetes.
3.4.
CNA heeft verweer gevoerd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar indien de eisende partij hierbij een spoedeisend belang heeft en indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens zal toewijzen.
4.2.
Tussen partijen is in geschil welke rol Q&Q heeft vervuld. Dit is van belang omdat de (beroeps)fout alleen onder de dekking van de verzekering valt indien die door Q&Q is gemaakt in haar
hoedanigheid(zie 2.3) van bemiddelaar. Volgens Q&Q trad zij inderdaad op als bemiddelaar, hetgeen volgens haar blijkt uit de aanhef van de koopovereenkomsten waar staat:
Q&Q (…) ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur dhr. [naam 1] , en optredende in opdracht van de verkoper(s) als bemiddelaar, hierna te noemen “Verkoper”(zie 2.4). Daarnaast heeft Q&Q (onder meer in de e-mail van 16 oktober 2025 van haar advocaat, zie productie 13) gewezen op een aantal andere bepalingen in de overeenkomsten tussen Q&Q en de kopers waarin Q&Q als bemiddelaar is aangeduid:
Op pagina 1 onder h staat vermeld dat “
Q&Q Business bv optreedt als bemiddelaar bij deze
verkoop”;
In artikel 3.3 wordt de hoedanigheid van bemiddelaar en haar rol nogmaals tot uiting gebracht. Hierin staat dat koper de bemiddelaar – Q&Q Business – machtigt om na registratie van de fosfaatrechten de koopprijs aan verkoper uit te keren. Er staat ook dat partijen (koper en verkoper) het bewijs van registratie afgegeven door RVO aan de bemiddelaar dienen te overhandigen; en
In artikel 10 staat Pro vermeld: “
De bemiddelaar draagt zorg voor bemiddeling tussen partijen en stelt daarbij een derdengeldenrekening beschikbaar”.
Omdat dus vaststaat dat Q&Q optrad als bemiddelaar, valt de (beroeps)fout onder de dekking van de polis, aldus Q&Q.
4.3.
CNA heeft hier tegenin gebracht dat Q&Q juist niet als bemiddelaar kan worden aangemerkt (maar zich als partij aan de koopovereenkomsten heeft gebonden) zodat de (beroeps)fout (als hiervan al sprake is) niet onder de dekking van de polis valt. CNA wijst er in dit verband op dat als Q&Q daadwerkelijk (alleen maar) had bemiddeld, de kopers geen vorderingsrecht zouden hebben op Q&Q. De kopers hadden dan de melkveehouder kunnen aanspreken en dat kunnen zij nu niet omdat Q&Q de overeenkomst op eigen naam is aangegaan en de (anonieme) melkveehouder niet aan de koopovereenkomsten heeft toegevoegd. Kenmerkend voor de positie van bemiddelaar is dat hij een tussenpositie inneemt, gericht op het samenbrengen van twee partijen en op het tot stand brengen van een overeenkomst, zonder dat hij zelf verplichtingen uit die overeenkomst aangaat. Dit is hier niet het geval, aldus CNA.
4.4.
Het kan bepaald niet worden uitgesloten dat de bodemrechter het standpunt van CNA zal volgen. Uit het standpunt van Q&Q volgt immers dat zij er door de kopers op kan worden aangesproken dat zij de koopovereenkomsten niet nakomt. De schade die de kopers (stellen te) lijden is dus geen gevolg van een (beroeps)fout in de bemiddeling maar van een (gestelde) wanprestatie. Voorshands is onvoldoende aannemelijk dat dit valt onder de dekking van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
4.5.
Daar komt bij dat het hier nog maar de vraag is of het niet schriftelijk vastleggen van de opdracht van de melkveehouder als een ‘beroepsfout’ kan worden aangemerkt. Ten eerste heeft Q&Q zelf aangevoerd dat de opdracht niet schriftelijk is vastgelegd vanwege de jarenlange vertrouwensrelatie met de melkveehouder en omdat de melkveehouder dit (nog) niet wilde vanwege de (nog onzekere) fiscale afhandeling van de verkoop van zijn bedrijf (zie de brief van 18 september 2025 van de advocaat van Q&Q, productie 12). Dit kan mogelijk legitiem zijn. In zoverre verschilt deze situatie wezenlijk van een ‘klassieke’ beroepsfout (een advocaat die een termijn laat verlopen, een chirurg die het verkeerde been amputeert). Bovendien geldt bij een ‘klassieke’ beroepsfout dat het de derde is die schade lijdt (de cliënt, de patiënt) en niet degene die de beroepsfout maakt zelf (zoals in dit geval).
4.6.
Gezien het door CNA gevoerde verweer is het dus niet voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vorderingen van Q&Q zal toewijzen, zodat deze in dit kort geding afgewezen. Bij deze stand van zaken behoeft de vraag of zij een spoedeisend belang heeft geen verdere bespreking.
4.7.
Q&Q is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CNA worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.146,00
4.8.
Deze kosten worden vermeerderd met de wettelijke rente, zoals CNA heeft verzocht.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt Q&Q in de proceskosten van € 8.146,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Q&Q niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Q&Q tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
Coll: JD