ECLI:NL:RBAMS:2025:8572

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
10221996 \ CV EXPL 22-15758
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing consumentenrecht bij NS abonnement en kortingsproduct met sanctie voor schending informatieplichten

In deze bodemzaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 4 november 2025 uitspraak gedaan in een verstekprocedure tussen NS Reizigers B.V. en een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij, NS Reizigers B.V., vorderde betaling van € 454,68 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten, met betrekking tot abonnementskosten en reiskosten. De gedaagde partij had een NS Flex abonnement afgesloten, waarmee kosteloos op rekening kon worden gereisd, en een kortingsproduct genaamd 'Traject Vrij'. De rechtbank heeft ambtshalve getoetst of de eisende partij haar informatieplichten heeft nageleefd, aangezien de overeenkomsten zijn gesloten tussen een handelaar en een consument. De rechtbank oordeelde dat de informatieplichten niet zijn nageleefd, omdat de bestelknop op de website van de eisende partij niet duidelijk maakte dat de bestelling ook een betalingsverplichting inhield. Dit leidde tot een sanctie van 40% op de betalingsverplichting van de gedaagde partij. De rechtbank heeft de vordering van de eisende partij gedeeltelijk toegewezen, met een hoofdsom van € 272,80, en de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van proceskosten en buitengerechtelijke kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10221996 \ CV EXPL 22-15758
Vonnis van 4 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NS REIZIGERS B.V.,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders (Groningen),
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 november 2022, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 454,68 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten. De vordering heeft blijkens de facturen betrekking op abonnementskosten en op reiskosten.
2.2.
Eisende partij stelt dat gedaagde partij online, via de website, een overeenkomst met haar heeft gesloten. Gedaagde partij heeft een zogenaamd ‘NS Flex’ abonnement afgesloten. Daarmee kan gedaagde partij kosteloos op rekening reizen en de reiskosten achteraf per automatische incasso betalen. Naast dit abonnement heeft gedaagde partij een kortingsproduct aangeschaft, genaamd ‘Traject Vrij’, waarmee op bepaalde reizen met korting kan worden gereisd.
2.3.
Op de overeenkomst zijn de Productvoorwaarden NS Flex (hierna: de productvoorwaarden) van toepassing. Op het vervoer per trein zijn de Algemene Voorwaarden voor het vervoer van Reizigers en Handbagage van NS (hierna: AVR-NS) van toepassing.
2.4.
Nu de overeenkomsten die aan de vordering ten grondslag liggen zijn gesloten tussen eisende partij als handelaar en gedaagde partij als consument, moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Getoetst moet worden of eisende partij haar informatieplichten heeft nageleefd. Daarnaast moeten de overeenkomsten worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.5.
De afzonderlijk gesloten reisovereenkomsten zijn te kwalificeren als overeenkomsten van personenvervoer in de zin van artikel 8:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 6:230h lid 5 BW is bepaald dat op deze overeenkomsten uitsluitend de artikelen 6:230i lid 1, 6:230j, 6:230k lid 1 en 6:230v lid 2 en 3 BW van toepassing zijn.
2.6.
Geoordeeld wordt dat afzonderlijk gesloten reisovereenkomsten tot stand komen binnen een verkoopruimte, door in te checken bij de poortjes van trein- en metrostations en bij de in- en uitcheckapparatuur in bussen en trams. Dat heeft tot gevolg dat de hiervoor genoemde wetsartikelen niet aan de orde zijn omdat die zien op overeenkomsten gesloten op afstand.
2.7.
Ten aanzien van het abonnement met het basisproduct (NS Flex) is de overeenkomst tussen partijen te kwalificeren als een kredietovereenkomst, omdat kosteloos op rekening kan worden gereisd. De reiskosten kunnen maandelijks achteraf worden betaald. Het betreft kosteloos uitstel van betaling. Deze vorm van krediet is op grond van artikel 7:58 lid 2 BW uitgezonderd van de verplichtingen uit Titel 2A van Boek 7 BW. Ook Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 BW is ingevolge artikel 6:230h lid 1 en lid 2 onder b BW niet van toepassing. Ambtshalve toetsing of is voldaan aan de informatieplichten is daarom niet aan de orde ten aanzien van het basisproduct NS Flex.
2.8.
Dat is anders voor het door gedaagde partij aangeschafte kortingsproduct, waarvoor een (periodieke) betalingsverplichting geldt. Ten aanzien daarvan is Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 BW integraal van toepassing, waaronder de verplichtingen die in artikel 6:230v lid 3 BW worden gesteld aan de bestelknop.
2.9.
Eisende partij stelt aan deze informatieplichten te hebben voldaan en verwijst naar schermafdrukken van het bestelproces ter onderbouwing van die stelling. Uit de door eisende partij overgelegde schermafdrukken blijkt echter dat het bestelproces wordt afgerond met een bestelknop, waarop de tekst ‘Bestelling afronden’ staat. Dat voldoet niet aan het bepaalde in artikel 6:230v lid 3 BW, omdat uit de bewoordingen op de knop niet duidelijk en ondubbelzinnig blijkt dat de bestelling ook een betalingsverplichting inhoudt. Voor de beoordeling of hieraan is voldaan mag uitsluitend rekening worden gehouden met de woorden die op de knop staan en niet met de overige omstandigheden van het bestelproces of de context. Dat volgt uit het Fuhrmann-arrest van het Europese Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2022:269). Eisende partij stelt dat zij wel voldoet aan het bepaalde in artikel 6:230v lid 3 BW, omdat een betaling moet worden verricht in de betaalomgeving van de gekozen bankinstelling. Dat betoog wordt niet gevolgd. Het bestelproces op de website van eisende partij eindigt namelijk met het klikken op een knop. Op dat moment wordt het aanbod van eisende partij aanvaard en ontstaat de betalingsverplichting voor de consument. Vervolgens vindt een doorgeleiding plaats naar de digitale betaalomgeving van de bank en wordt de website en daarmee het bestelproces van eisende partij verlaten.
2.10.
Gedurende het bestelproces wordt gedaagde partij ook niet geïnformeerd over het ontbindingsrecht (artikel 6:230m lid 1 onder h BW).
2.11.
Om te kunnen vaststellen dat is voldaan aan de contractuele informatieplichten als bedoeld in artikel 6:230v lid 7 BW moet een gepersonaliseerde bevestiging van de bestelling of overeenkomst met gedaagde partij worden overgelegd. Die ontbreekt, zodat het ervoor wordt gehouden dat niet is voldaan aan de contractuele informatieplichten.
2.12.
Voor de hiervoor beschreven schendingen van essentiële informatieplichten zal overeenkomstig de laatste versie van de landelijke richtlijn sanctiemodel een sanctie worden opgelegd, die in dit geval neerkomt op een vermindering van de betalingsverplichting van gedaagde partij met 40%.
2.13.
Naast reiskosten en abonnementsgelden (waar geen ‘correctietarieven’ deel van uitmaken) maakt eisende partij aanspraak op wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. In artikel 12.6 van de productvoorwaarden staat een rente- en incassokostenbeding. Beide bedingen zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat ze verwijzen naar en aansluiten bij de wettelijke regelingen. Gevolg daarvan is dat eisende partij aanspraak kan maken op de wettelijke regelingen. Aan de bij wet gestelde vereisten heeft eisende partij voldaan, zodat deze nevenvorderingen in beginsel toewijsbaar zijn, zij het dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden gematigd nu een deel van de hoofdsom is afgewezen.
De wettelijke rente is toewijsbaar over het toegewezen gedeelte van de hoofdsom.
2.14.
Het voorgaande leidt met inachtneming van de sanctie in verband met de informatieplichten tot toewijzing van een hoofdsom van € 272,80 (€ 454,68 x 0,6).
2.15.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu een deel van de vordering is afgewezen, worden de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij begroot aan de hand van het toegewezen gedeelte van de vordering. Het door eisende partij meer betaalde blijft voor haar eigen rekening. Met inachtneming hiervan worden de proceskosten van eisende partij begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,22
- griffierecht
128,00
- salaris gemachtigde
82,00
(1 punt × € 82,00)
- nakosten
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
337,22

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 272,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, met ingang van 4 november 2022, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 40,92 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 337,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
991