ECLI:NL:RBAMS:2025:8589

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
11894770 \ KK EXPL 25-640
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executie kort geding inzake huurachterstand en derdenbeslag op AOW-uitkering

In deze zaak heeft eiseres, die een bedrijfsruimte huurde van gedaagde, een kort geding aangespannen tegen gedaagde die op basis van een eerder vonnis uit 2014 derdenbeslag had gelegd op haar AOW-uitkering wegens huurachterstand. Eiseres stelt dat er na het vonnis van 2014 nieuwe afspraken zijn gemaakt, waar zij aan heeft voldaan, en vordert dat gedaagde het beslag opheft en het vonnis niet uitvoert. De voorzieningenrechter heeft op 10 november 2025 geoordeeld dat eiseres niet volledig heeft voldaan aan de gemaakte afspraken en heeft de vorderingen van eiseres afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat gedaagde niet misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 2014, en dat het beslag rechtmatig is. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, die zijn begroot op € 678,-.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Voorzieningenrechter
Zaaknummer: 11894770 \ KK EXPL 25-640
Vonnis in kort geding van 10 november 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.P. van Oosten (Van der Hoeden/Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen).

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding van 30 september 2025, met producties, heeft [eiseres] een voorziening gevorderd. [gedaagde] heeft daarop geantwoord, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2025. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan zijn zijde was ook zijn partner.
1.3.
De gemachtigde van [eiseres] heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd. Partijen zijn daarna gehoord en hebben vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die eveneens in het dossier zijn gevoegd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De kern

2.1.
[eiseres] heeft van [gedaagde] de bedrijfsruimte aan de [adres] gehuurd. [gedaagde] heeft op 13 augustus 2025, op grond van een vonnis van 14 november 2014 van deze rechtbank (hierna: het vonnis van 2014), derdenbeslag gelegd op de AOW-uitkering van [eiseres] . [eiseres] stelt dat partijen na betekening van het vonnis van 2014 nieuwe afspraken hebben gemaakt waaraan zij heeft voldaan. Daarom mag [gedaagde] het vonnis niet meer ten uitvoerleggen en is het beslag – mede vanwege een aantal technische punten – onrechtmatig, aldus [eiseres] .
2.2.
[eiseres] vordert in deze procedure, kortgezegd, dat het [gedaagde] wordt verboden om het vonnis van 2014 ten uitvoer te leggen, dat [gedaagde] het beslag binnen 24 uur opheft (tegen een dwangsom) en dat [gedaagde] alle bedragen sinds het beslag terugbetaalt. Voor het geval de zaak wordt verwezen naar de bodemrechter vordert [eiseres] dat het beslag wordt geschorst totdat onherroepelijk is beslist. Tot slot vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
2.3.
Het verweer van [gedaagde] , namelijk dat [eiseres] niet aan de gemaakte afspraken heeft voldaan, slaagt. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af.

3.De beoordeling

De achtergrond
3.1.
[eiseres] is bij vonnis van 14 november 2014 (met zaaknummer 2825062 CV EXPL 14-5498) door deze rechtbank veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van € 1.456,66 aan huurachterstand over de maanden mei en juni 2014 met rente, € 4.500,- aan boetes en
€ 820,59 aan buitengerechtelijke incassokosten. Ook is [eiseres] veroordeeld in de proceskosten.
3.2.
Partijen zijn na het vonnis van 2014 overeengekomen dat [gedaagde] af zou zien van tenuitvoerlegging van het vonnis onder de voorwaarde dat [eiseres] de bedrijfsruimte (correct) zou ontruimen en een gedeelte van de vordering aan hem zou voldoen. [eiseres] heeft de bedrijfsruimte op 2 januari 2015 opgeleverd en de overeengekomen betalingen in termijnen betaald.
3.3.
Het vonnis is vervolgens op 24 juni 2015 aan [eiseres] betekend, waarna er gedurende langere tijd geen contact is geweest tussen partijen. Bij brief van 22 oktober 2020 heeft [gedaagde] aan [eiseres] een betalingsregeling van € 50,- per maand aangeboden. Dit voorstel is bij brief van 2 november 2020 afgewezen vanwege de geringe inkomsten van [eiseres] . [gedaagde] heeft op 13 augustus 2025 derdenbeslag gelegd op de AOW-uitkering van [eiseres] . [eiseres] is daarna deze procedure gestart.
Het toetsingskader
3.4.
In dit geval vraagt [eiseres] schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel (meer) openstaat. De veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging ter discussie staat is dus definitief. In dat geval bestaat slechts grond voor schorsing ingeval– kort gezegd – misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW) wordt gemaakt.
De afspraak na het vonnis van 2014
3.5.
Om te beoordelen of [gedaagde] misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid op grond van het vonnis van 2014, en dus op grond van dat vonnis beslag kan leggen, is van belang welke afspraken partijen na het vonnis van 2014 hebben gemaakt.
3.6.
[eiseres] stelt dat partijen na het vonnis, tegen finale kwijting, hebben afgesproken dat zij de bedrijfsruimte zou ontruimen en een bedrag van € 1.000,- aan [gedaagde] zou betalen. [gedaagde] erkent dat er na het vonnis nadere afspraken zijn gemaakt, maar stelt dat hij slechts af zou zien van executie als [eiseres] de bedrijfsruimte correct zou opleveren, de lopende huur tot het moment van ontruiming tijdig en volledig zou worden betaald en [eiseres] € 1.630,- (in drie gelijke termijnen) aan [gedaagde] zou betalen. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat die afspraak is gemaakt omdat [gedaagde] – als er correct zou worden opgeleverd – de waarborgsom zou kunnen verrekenen.
3.7.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling e-mailcorrespondentie tussen de (toenmalige) gemachtigden van partijen overgelegd. In een e-mail van 12 december 2014 schrijft van Van den Hoeden/Mulder aan de toenmalige gemachtigde van [eiseres] (hierna: [toenmalige gemachtigde] ): “
Als er op 1 januari correct wordt opgeleverd, dan kan de borg in mindering strekken op het verschuldigde zodat er nog slechts € 1.630,- zal resteren. [gedaagde] is bereid om toe te staan dit laatste bedrag in 3 maandelijkse termijnen van €543,33 af te lossen. (…)”. In een vervolgmail van 23 december 2014 van Van den Hoeden/Mulder aan [toenmalige gemachtigde] is onder meer vermeld: “
De heer [gedaagde] heeft mij bevestigd dat de huur van november inmiddels is voldaan. [gedaagde] is bereid om vooralsnog de eerder overeengekomen schikking gestand te doen en (voorlopig) af te zien van executiemaatregelen onder de volgende voorwaarden:
  • De huur van december dient voor 1 januari te zijn voldaan;
  • Er dient op 2 januari correct te worden opgeleverd;
  • De restschuld dient in 3 maandelijkse termijnen van € 543,33 te worden afgelost;
  • De eerste aflossing geschiedt uiterlijk op 1 februari 2015;
  • De aflossingen worden stipt uiterlijk op de 1e van de maand voldaan;
Indien mevrouw [eiseres] zich niet stipt aan bovenstaande eisen houdt, dan komt de regeling te vervallen en zal [gedaagde] het volledig verschuldigde bedrag op grond van het tussen partijen gewezen vonnis opeisen. Bovendien zal [gedaagde] dan overgaan tot het nemen van executiemaatregelen.
3.8.
[eiseres] heeft, afgezien van een algemene verklaring van haar zoon, niets aangevoerd om haar stelling kracht bij te zetten. Daar staat tegenover dat [gedaagde] de gemaakte afspraken ter zitting uitvoerig heeft toegelicht en zijn stelling heeft onderbouwd met e-mailcorrespondentie. Hoewel de afspraken lang geleden gemaakt zijn en [eiseres] stelt dat zij haar administratie inmiddels heeft vernietigd, acht de voorzieningenrechter het gezien de e-mailcorrespondentie voldoende aannemelijk dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] slechts af zou zien van executie van het vonnis van 2014 als er naast de lopende huur (tijdig) 3 termijnen van € 543,33 (dus in totaal € 1.630,-) zouden worden betaald en de bedrijfsruimte correct opgeleverd zou worden, zodat [gedaagde] de waarborgsom met het overige kon verrekenen.
‘Correct’ opleveren
3.9.
Verder is van belang of [eiseres] de gemaakte afspraken (volledig) is nagekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] de overeengekomen betaling van € 1.630,- heeft voldaan en dat de bedrijfsruimte op 2 januari 2015 is opgeleverd. Wel is in geschil of [eiseres] de bedrijfsruimte correct heeft opgeleverd.
3.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat met ‘correct opleveren’ is bedoeld dat de bedrijfsruimte zonder schade zou worden opgeleverd. Omdat geen omschrijving van de staat van het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst is overgelegd, wordt op grond van de tweede volzin van artikel 7:224 lid 2 Burgerlijk Wetboek vermoed dat de bedrijfsruimte in de juiste staat (en dus correct) is opgeleverd. Het is dus – vanwege de zinssnede ‘behoudens tegenbewijs’ – aan [gedaagde] om te stellen en te bewijzen dat de staat van de bedrijfsruimte anders was bij aanvang van de huur, dat [eiseres] het volgens die ‘oorspronkelijke staat’ had moeten opleveren en dat niet heeft gedaan.
3.11.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling een (door zijn makelaar opgesteld) eindinspectierapport van 13 januari 2015, met foto’s, overgelegd. In dat rapport staat onder meer: “
Geconstateerde gebreken of wijzigingen met eventuele opmerkingen en afspraken:
  • Groene platen op de vloer (laminaat verwijderd).
  • Stickers op raam en deur nog aanwezig
  • Wastafel (geplaatst door huurder) nog aanwezig (zijn bij ondertekening op 13 januari 2015 verwijderd)
  • (….)
  • Wand tussen tochtportaal niet teruggeplaatst (zie huurkontrakt).
  • Wand bij meterkast niet teruggeplaatst (zie huurkontrakt).
  • Raam in toegangsdeur is gebarsten.
  • Grote raam aan de voorzijde is gebarsten.
3.12.
[eiseres] heeft de in het eindinspectierapport genoemde gebreken en wijzigingen, behoudens de ruitschade, niet betwist. Bovendien is ter zitting gebleken dat [eiseres] tijdens de huurperiode stickers op de ramen heeft aangebracht en is op de foto’s bij het eindinspectierapport te zien dat die stickers nog (grotendeels) op de ramen zitten. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat [eiseres] de stickers niet heeft verwijderd, terwijl dit wel van haar verwacht mocht worden. Daarom acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [eiseres] de bedrijfsruimte niet correct heeft opgeleverd. Dat [eiseres] niet bij de eindinspectie aanwezig was, zoals zij stelt, doet daar niet aan af.
Het derdenbeslag
3.13.
Gelet op het voorgaande kan in dit kort geding niet worden geoordeeld dat [gedaagde] misbruik van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 2014 maakt. Dat [gedaagde] lange tijd heeft gewacht met het executeren van het vonnis verandert daar niets aan. Het vonnis is namelijk niet verjaard en de afwachtende houding van [gedaagde] levert op zichzelf, hoewel die houding niet wenselijk is, geen misbruik van recht op.
3.14.
Het gevorderde verbod tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 2014 en de gevorderde veroordeling tot opheffing van het beslag worden daarom afgewezen. Ook de overige vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.
3.15.
Omdat [eiseres] niet gebaat is met opheffing van het beslag op de door haar aangevoerde technische punten (zoals het niet tijdig gemotiveerd overleggen van een berekening van de beslagvrije voet en de mededing dat het beslag zou worden bevroren) blijft onbesproken of het beslag op die gronden al dan niet rechtmatig is. Partijen worden met opheffing immers onnodig op kosten gejaagd, als het beslag zou worden opgeheven. Uit het voorgaande blijkt immers dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] gerechtigd is tot beslaglegging.
3.16.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Uit de beslagexploten blijkt dat momenteel een hoger bedrag is vermeld dan waartoe [eiseres] is veroordeeld. Het (derden)beslag kan slechts strekken tot het bedrag waarvoor [gedaagde] krachtens het vonnis van 2014 een executoriale titel heeft verkregen, verminderd met de reeds door [eiseres] betaalde bedragen.
Proceskosten
3.17.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 678,-, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (€ 543,-) en de nakosten (€ 135,-).

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op van € 678,-, eventueel te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 10 november 2025.
64183