De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon geboren in 1967 in Polen. Tijdens de zitting van 10 december 2024 werd de procedure gestart en is de gevangenneming bevolen met schorsing tot uitspraak.
Op 24 december 2024 oordeelde de rechtbank in een tussenuitspraak dat er sprake is van een individueel reëel gevaar op schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon in de Poolse detentieomstandigheden. Dit gevaar was niet weggenomen ondanks aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten. De rechtbank stelde een termijn van 30 dagen voor mogelijke wijziging van omstandigheden en verlengde de uitspraaktermijn.
Op 28 januari 2025 werd de behandeling voortgezet waarbij wederom werd vastgesteld dat de aanvullende garanties van de Poolse autoriteiten onvoldoende waren om het individuele gevaar weg te nemen. Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw sloten zich hierbij aan.
De rechtbank concludeerde dat geen gevolg kan worden gegeven aan het EAB op grond van artikel 11, eerste lid, Overleveringswet (OLW). De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en de (geschorste) gevangenneming werd opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.