ECLI:NL:RBAMS:2025:8597

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
25/3275
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op een dwangsom na een ingebrekestelling; beoordeling van een aanvraag voor bijzondere bijstand voor dieetkosten

In deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam, gedateerd 12 november 2025, wordt de zaak behandeld van eiseres die een beroep heeft ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Eiseres had op 8 mei 2024 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor dieetkosten, maar het college stelde dat er geen aanvraag was ingediend en weigerde een dwangsom na een ingebrekestelling. Eiseres was het hier niet mee eens en voerde verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelt dat het college binnen twee weken na de ingebrekestelling een beslissing heeft genomen, maar dat de beslissing onjuist was omdat eiseres wel degelijk een aanvraag had ingediend. De rechtbank concludeert dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom, maar dat haar beroep gegrond is, wat betekent dat zij recht heeft op een proceskostenvergoeding. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de aanvraag van 8 mei 2024, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat er geen dwangsom verschuldigd is. Eiseres krijgt een vergoeding van € 1.814,- voor proceskosten en het college moet het griffierecht van € 53,- vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3275

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. D. Ahmed).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het college dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom omdat geen sprake is van een op 8 mei 2024 ingediende aanvraag voor bijzondere bijstand voor dieetkosten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of eiseres recht heeft op een dwangsom naar aanleiding van de door haar verstuurde ingebrekestelling.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom maar dat eiseres wel terecht beroep heeft ingesteld waardoor zij recht heeft op een proceskostenvergoeding
.Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 5 november 2024 heeft eiseres een ingebrekestelling verstuurd aan het college wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag voor bijzondere bijstand van 8 mei 2024.
2.1.
Het college heeft met het besluit van 7 november 2024 vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom omdat er geen aanvraag is ingediend op 8 mei 2024, waardoor eiseres het college ten onrechte in gebreke heeft gesteld. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dit standpunt gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiseres recht op een bestuurlijke dwangsom?
3. Tussen partijen is niet langer in geschil dat eiseres een aanvraag heeft gedaan voor bijzondere bijstand voor dieetkosten op 8 mei 2024. Om die reden heeft het college op
27 februari 2025 alsnog besloten om aan eiseres bijzondere bijstand voor dieetkosten toe te kennen met terugwerkende kracht vanaf 8 mei 2024.
4. Partijen verschillen alleen nog van mening over de verschuldigdheid van een dwangsom naar aanleiding van de ingebrekestelling die eiseres op
31 oktober 2024 heeft verstuurd en op 5 november 2024 door het college is ontvangen.
5. Met het besluit van 7 november 2024 heeft het college in reactie op de ingebrekestelling vastgesteld dat eiseres geen aanvraag heeft ingediend op
8 mei 2024 en dat er om die reden geen dwangsom is verschuldigd. Alhoewel dit besluit onjuist is, omdat eiseres een (incomplete) aanvraag had ingediend op
8 mei 2024, heeft het college met het besluit van 7 november 2024 binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op de aanvraag van eiseres beslist. Ook al was het standpunt van het college dat er geen aanvraag van 8 mei 2024 lag waarop het college had moeten beslissen. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college geen dwangsom is verschuldigd aan eiseres gelet op artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Omdat het college pas op zitting heeft erkend dat eiseres op 8 mei 2024 een (incomplete) aanvraag had ingediend, heeft eiseres wel terecht beroep ingesteld. Het beroep van eiseres is enkel om die reden gegrond.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij is bepaald dat eiseres geen aanvraag heeft ingediend voor bijzondere bijstand voor dieetkosten op 8 mei 2024. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand. Dit omdat er geen dwangsom is verschuldigd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 april 2025 voor zover daarin is beslist dat er geen aanvraag op 8 mei 2024 is ingediend;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van
mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.