ECLI:NL:RBAMS:2025:864

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2025
Publicatiedatum
12 februari 2025
Zaaknummer
13-010287-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OLWArt. 6 lid 1 Kaderbesluit 2002/584/JBZArt. 8 lid 1 Kaderbesluit 2002/584/JBZArt. 27 lid 4 Kaderbesluit 2002/584/JBZArt. 1 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van justitie niet-ontvankelijk wegens ontbreken rechterlijke beslissing bij Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam heeft op 28 januari 2025 uitspraak gedaan over een verzoek van de Duitse autoriteiten om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd voor feiten die vóór overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd. Het verzoek was ingediend door het Openbaar Ministerie in Duitsland, maar betrof geen beslissing van een rechterlijke autoriteit zoals vereist onder artikel 6, lid 1, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

De rechtbank baseerde haar oordeel mede op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 mei 2019, waarin werd vastgesteld dat openbare ministeries die risico lopen op beïnvloeding door de uitvoerende macht niet als 'uitvaardigende rechterlijke autoriteit' kwalificeren. Hierdoor voldeed het verzoek niet aan de vereisten van het Kaderbesluit en de Overleveringswet.

Gelet hierop verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het verzoek. Dit betekent dat het verzoek niet ontvankelijk is verklaard omdat het niet door een rechterlijke of justitiële autoriteit was uitgevaardigd en geen rechterlijke beslissing betrof.

De beslissing werd genomen door de rechtbank in aanwezigheid van de voorzitter en twee rechters, met griffiers aanwezig. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de criteria voor rechterlijke autoriteiten bij Europese aanhoudingsbevelen en de tenuitvoerlegging daarvan.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek niet door een rechterlijke autoriteit was uitgevaardigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-010287-25
Datum beslissing: 28 januari 2025
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 10 januari 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door
Der Leitende Oberstaatsanwalt in Detmold,Duitsland op 20 januari 2025 en betreft:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Sovjet-Unie),
thans gedetineerd in Duitsland,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
Het verzoek betreft feiten ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
Het verzoek is uitgevaardigd door
Der Leitende Oberstaatsanwalt in Detmold,Duitsland. Dit is het Hoofd Openbaar Ministerie in Detmold.
Ingevolge artikel 27, vierde lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ juncto artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ dient het verzoek te worden te worden gedaan door een rechterlijke autoriteit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (
hierna: HvJ EU) heeft bij arrest van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (zaak OG) en C-82/19 PPU (zaak PI) de vragen beantwoord van de Ierse
Supreme Courten de Ierse
High Court, of het Openbaar Ministerie in Lübeck en het Openbaar Ministerie in Zwickau in Duitsland rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.
In (de Nederlandse versie van) het arrest is door het HvJ EU geoordeeld onder punt 88 tot en met 90:
“88 Uit het voorgaande volgt dat, aangezien de in de hoofdgedingen betrokken openbare ministeries het risico lopen dat zij worden beïnvloed door de uitvoerende macht bij de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, deze openbare ministeries niet lijken te beantwoorden aan een van de vereisten om te kunnen worden aangemerkt als „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, namelijk het vereiste dat zij garanderen onafhankelijk te handelen wanneer zij een dergelijk aanhoudingsbevel uitvaardigen.
89 In casu is om de in punt 73 van dit arrest vermelde redenen niet van belang dat de openbare ministeries van Lübeck en van Zwickau in het kader van de uitvaardiging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Europese aanhoudingsbevelen, geen individuele instructies hebben ontvangen van de ministers van Justitie van de betreffende deelstaten.
90 Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de openbare ministeries van een lidstaat die het risico lopen dat zij in een individueel geval rechtstreeks of indirect worden aangestuurd door of instructies ontvangen van de uitvoerende macht, zoals een minister van Justitie, in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel.”
Het HvJ EU heeft voor recht verklaard:
“2. Het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de openbare ministeries van een lidstaat die het risico lopen dat zij in een individueel geval rechtstreeks of indirect worden aangestuurd door of instructies ontvangen van de uitvoerende macht, zoals een minister van Justitie, in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel.”
Gelet op het voornoemde staat vast dat:
  • het onderhavige verzoek niet is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en dus niet door een ‘justitiële autoriteit’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, OLW en artikel 5 OLW Pro;
  • het onderhavige verzoek niet een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is en dus niet een beslissing van een justitiële autoriteit in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, OLW.
Onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 december 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:9311) overweegt de rechtbank dat dit ertoe leidt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de vordering strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Die vordering heeft immers geen betrekking op een door een rechterlijke/justitiële autoriteit uitgevaardigde rechterlijke/justitiële beslissing.

2.Beslissing

De rechtbank
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering
strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW.
Deze beslissing is genomen op 28 januari 2025 door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. E.de Rooij en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en M.J.D. Hartman, griffiers,