De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 november 2025 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot wapenhandel en het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III. De officier van justitie stelde dat verdachte via een video op Snapchat een vuurwapen aanbood, wat de poging tot wapenhandel zou bewijzen. Verdachte ontkende de intentie tot overdracht, maar gaf toe het wapen voorhanden te hebben gehad.
De rechtbank oordeelde dat het bestanddeel van wapenhandel, namelijk het ontbreken van een erkenning, niet kon worden bewezen. Hierdoor sprak zij verdachte vrij van de poging tot wapenhandel. Het subsidiaire tenlastegelegde, het voorhanden hebben van een vuurwapen, achtte de rechtbank wel bewezen op basis van verklaringen en andere bewijsmiddelen.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de recidive van verdachte en zijn instabiele levensomstandigheden zoals gerapporteerd door de reclassering. Ondanks het advies voor een deels voorwaardelijke straf koos de rechtbank voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank vond geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel vanwege de aard van het feit en de recidive.
Daarnaast verklaarde de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere strafzaak omdat het vonnis nog niet onherroepelijk was. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, bestaande uit drie rechters.