ECLI:NL:RBAMS:2025:8703

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/13/776874 / KG ZA 25-821
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op gebruik van volmacht voor perceel in Suriname in kort geding

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam op 13 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiseres] en [gedaagde]. [Eiseres], de kleindochter van opa, heeft een verbod gevorderd voor [gedaagde] om gebruik te maken van een volmacht die hem is verleend om een perceel land in Suriname te verkopen. De volmacht was afgegeven door [eiseres] en opa, maar [eiseres] stelt dat zij misleid is bij het afgeven van deze volmacht. De achtergrond van de zaak is dat [gedaagde] en zijn broer onterfd zijn bij testament en nu aanspraak maken op hun legitieme portie in de nalatenschap van oma. Dit zou volgens [eiseres] in strijd zijn met de afspraken die gemaakt zijn over de verdeling van de nalatenschap. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het belang van [eiseres] om het gebruik van de volmacht te verbieden, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde]. De vordering van [eiseres] is toegewezen, en [gedaagde] is veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde boete is afgewezen, omdat er geen voldoende grondslag voor was. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/776874 / KG ZA 25-821 MK/EV
Vonnis in kort geding van 13 november 2025
in de zaak van

1.[eiseres] ,

te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [eiseres] ,
2.
[opa],
te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: opa, tezamen met [eiseres] ook [eisers] ,
eisers bij dagvaarding van 20 oktober 2025,
advocaat: mr. P.P. Klokkers,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.H. Heerebout.

1.De procedure

Op de zitting van 3 november 2025 waren [eiseres] en [gedaagde] aanwezig, vergezeld van hun advocaat. [eisers] heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een conclusie van antwoord. [eisers] heeft ook producties en een pleitnota ingediend. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is de kleindochter van opa en [oma] (hierna: oma). Oma is op [overlijdensdatum] 2020 overleden. Sinds haar geboorte is [eiseres] opgevoed door opa en oma in [woonplaats 1] bij wie zij ook in huis heeft gewoond (hierna: het huis). Zij heeft langdurige zorg en ondersteuning verleend aan opa en oma.
2.2.
[gedaagde] en zijn broer [naam broer gedaagde] zijn kinderen van opa en oma, net als de moeder van [eiseres] die is overleden.
2.3.
Bij notariële akte van 11 juli 2013, verleden in Suriname, heeft oma (met volmacht van opa) een perceel land, gelegen aan het [locatie] in het district Suriname, thans district Wanica (hierna: het perceel), verkocht en geleverd aan [eiseres] . Daarbij is ook een levenslang vruchtgebruik gevestigd ten gunste van opa en oma.
2.4.
In 2019 zijn [gedaagde] en [naam broer gedaagde] door opa en oma bij testament onterfd.
2.5.
Op 12 maart 2021 hebben [eiseres] en opa ten overstaan van een notaris in Den Haag een onherroepelijke volmacht afgegeven aan [gedaagde] om, samengevat, hen in alle opzichten te vertegenwoordigen en al hun rechten en belangen uit te oefenen met betrekking tot het perceel (hierna: volmacht).
2.6.
Op 11 augustus 2025 hebben [gedaagde] en [naam broer gedaagde] aanspraak gemaakt op hun legitieme portie in de nalatenschap van oma.
2.7.
[eisers] heeft een verzoekschrift ex artikel 3:74 lid 4 BW ingediend bij deze rechtbank om de onherroepelijk verleende volmacht buiten werking te stellen.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert [gedaagde] te verbieden om van de aan hem verstrekte volmacht ter zake van het perceel gebruik te maken of gebruik te laten maken totdat in de aanhangige verzoekschriftprocedure onherroepelijk zal zijn beslist, en te bepalen dat [gedaagde] een direct opeisbare boete van €100.000 verschuldigd is als hij de volmacht toch gebruikt, met veroordeling in de kosten van deze procedure (plus wettelijke rente).
3.2.
[eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij het afgeven van de volmacht is [eisers] misleid. Het perceel is eigendom van [eiseres] en de volmacht is afgegeven in de veronderstelling dat [gedaagde] en zijn broer afstand doen van hun legitieme portie zodat [eiseres] het huis in [woonplaats 1] zou krijgen (na het overlijden van opa en oma). In ruil kregen de broers het perceel. Daar zijn mondelinge afspraken over gemaakt in 2019. De broers houden zich niet aan die afspraken.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Een afspraak over afstand doen van de legitieme portie is nooit gemaakt en ook nietig. Het zijn twee losstaande onderwerpen, de legitieme portie en de volmacht. De volmacht is bovendien onherroepelijk en intrekken kan niet want de mogelijke gronden daarvoor doen zich niet voor. Verder kan de volmacht vanwege veranderde wetgeving in Suriname niet gebruikt worden zonder nadere documenten van [eiseres] dus bestaat geen belang bij de voorziening. De boete is buitensporig. Als het verbod al wordt toegewezen, moet dit beperkt worden tot zes maanden. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het verbod wordt toegewezen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.2.
Een onherroepelijke volmacht kan in beginsel niet worden herroepen. Lid 4 van artikel 3:74 BW bepaalt evenwel dat de rechtbank op verzoek een dergelijke volmacht wegens gewichtige redenen kan wijzigen of buiten werking kan stellen.
4.3.
Vast staat dat [eisers] een dergelijk verzoek heeft ingediend.
4.4.
Kern van het betoog van [eisers] is dat [eiseres] eigenaar is van het perceel en dat de volmacht, waarmee [gedaagde] feitelijk over het perceel kan beschikken en het kan verkopen, de uitvoering is van de afspraak dat [eiseres] het huis in [woonplaats 1] krijgt en [gedaagde] en [naam broer gedaagde] het perceel in Suriname. Het aanspraak maken van [gedaagde] en [naam broer gedaagde] op hun legitieme portie doorkruist die afspraak.
4.5.
Het is juist, zoals [gedaagde] ook heeft aangevoerd, dat een afspraak voor het overlijden om afstand te doen van een aanspraak op de legitieme portie nietig is. Het is echter niet uitgesloten dat het aanspraak maken van [gedaagde] en [naam broer gedaagde] op de legitieme portie de afgegeven volmacht doorkruist, ook nu deze onherroepelijk is. Anders gezegd, als vast komt te staan dat de volmacht is afgegeven in een bepaalde veronderstelling die later onjuist blijkt te zijn, dan kan het zijn dat de rechtbank op grond van artikel 3:74 lid 4 BW deze volmacht wijzigt of buiten werking stelt. Dat staat los van de nietige afspraak over het afstand doen van een aanspraak op de legitieme portie.
4.6.
Met het vorenstaande is het belang van [eisers] om vooruitlopend op een beslissing van de rechtbank het gebruik van de volmacht te verbieden gegeven. Gebruik van de volmacht kan leiden tot vervreemding van het perceel wat mogelijk niet is terug te draaien als de rechtbank de volmacht buiten werking stelt. Dit belang is bovendien voldoende spoedeisend. Dat op basis van de huidige wetgeving in Suriname [gedaagde] nadere documenten van [eiseres] nodig heeft om de volmacht te kunnen gebruiken, doet dit belang ook niet vervallen. Of dit in de toekomst zo blijft is immers onzeker.
4.7.
Van een hiertegenover staand belang van [gedaagde] dat zwaarder weegt is niet gebleken.
4.8.
De gevorderde boete wordt afgewezen. Een grondslag daarvoor ontbreekt en kon ook desgevraagd niet voldoende concreet worden toegelicht. Voor zover de vordering moet worden begrepen als een vordering om het verbod te versterken met een dwangsom wordt dit afgewezen. Er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat [gedaagde] zich niet aan het verbod zal houden.
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,28
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.761,28
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt [gedaagde] om van de aan hem bij notariële akte van 12 maart 2021 verstrekte volmacht ter zake van het perceel, gelegen aan het [locatie] in het district Suriname, thans district Wanica, zoals nader omschreven in de akte, gebruik te maken of gebruik te laten maken totdat in de aanhangige verzoekschriftprocedure ex artikel 3:74 lid 4 BW onherroepelijk zal zijn beslist,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.761,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 92 extra betalen plus de kosten van betekening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of andere gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025. [1]

Voetnoten

1.type: MK