ECLI:NL:RBAMS:2025:8712

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/13/770238 / HA ZA 25-1116
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van openstaande facturen in het kader van een regieovereenkomst voor aanneming van werk

In deze zaak vordert Leadpa SPRL, een aannemer gevestigd in België, betaling van openstaande facturen van € 27.957,55 exclusief btw van de gedaagde partij, die een regieovereenkomst met Leadpa heeft gesloten. De procedure begon met een dagvaarding op 22 mei 2025, gevolgd door een conclusie van antwoord en een tussenvonnis. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen in 2010 een mondelinge overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten, waarbij Leadpa werkzaamheden heeft verricht voor de gedaagde partij. De werkzaamheden omvatten onder andere het maken van een tuinontwerp en het uitvoeren van renovaties aan verschillende delen van de woning van de gedaagde. Leadpa factureerde haar werkzaamheden op basis van uurtarieven die in de loop der jaren zijn gestegen. De gedaagde heeft de vordering betwist en aangevoerd dat de gehanteerde tarieven niet redelijk zijn en dat er geen overeenstemming was over deze tarieven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door Leadpa gehanteerde prijzen redelijk zijn in de zin van het Burgerlijk Wetboek en dat de gedaagde gehouden is tot betaling van de openstaande facturen. De rechtbank heeft ook de wettelijke rente toegewezen vanaf 30 juli 2024 en de gedaagde veroordeeld in de proceskosten van de procedure. Het vonnis is uitgesproken op 5 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/770238 / HA ZA 25-1116
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
LEADPA SPRL,
gevestigd te Houdeng-Aimeries (België),
eisende partij,
hierna te noemen: Leadpa,
advocaat: mr. S.J. van den Boogert,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. K. van den Berg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 mei 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord van 16 juli 2025,
- het tussenvonnis van 20 augustus 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 september 2025, met de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben in 2010 mondeling een overeenkomst van aanneming van werk op regiebasis gesloten. Op basis daarvan verrichtte Leadpa werkzaamheden voor [gedaagde] . Aanvankelijk zagen die werkzaamheden op het maken van een tuinontwerp voor de woning van [gedaagde] in [plaats] . In 2011 kreeg Leadpa ook de opdracht om achterstallig onderhoud van de keuken op te pakken. Daarna volgden opdrachten aan de tuinopstallen, keuken, woonkamer, garage, slaapkamer, zolder, hal, 1e verdieping, apotheek en wachtkamer, inclusief het dak, leidingwerk, isolatiewerkzaamheden en stucwerk. Leadpa heeft de werkzaamheden in de periode van 2011 tot juli 2024 uitgevoerd.
2.2.
Leadpa factureerde haar werkzaamheden aan de hand van een uurtarief. In de loop der jaren is het uurtarief van de door Leadpa ingeschakelde zzp’ers (hierna: arbeidskrachten) opgelopen van € 38,50 tot € 63,75 exclusief btw per uur en van € 50,00 tot € 110,00 exclusief btw per uur voor de werkzaamheden van de heer [naam] (hierna: [naam] ), bestuurder van Leadpa. Daarnaast bracht Leadpa ook een kilometervergoeding in rekening.
2.3.
In 2013, 2015 en 2016 gaf [gedaagde] Leadpa tussendoor de opdracht om haar appartement in [woonplaats] te renoveren. Dit project is in 2016 afgerond.
2.4.
Op 5 juni 2024 schreef [naam] in een e-mail onder meer dat ‘het fijn zou zijn als [gedaagde] de volgende week de € 50.000 afrekent’. Op 21 juni 2024 schreef [naam] aan [gedaagde] om ‘voor de resterende betaling zorg te dragen’ en ‘Ik ga ervan uit dat alles betaald is, voordat het team weer bij je begint’. Volgens [naam] stond toen een bedrag van € 63.478,35 open. [gedaagde] heeft het openstaande bedrag op 8 en 9 juli 2024 betaald.
2.5.
Op 9 juli 2024 stelde [gedaagde] een werklijst op voor de laatste werkzaamheden aan het pand in [plaats] , waarna Leadpa die werkzaamheden is gaan uitvoeren.
2.6.
[gedaagde] liet Leadpa hierna op 14 juli 2024 per e-mail – voor zover hier relevant – het volgende weten:
“ (…)
Ik ga ook de financiële kant van dit laatste project (Wachtkamer + Apotheek + Schoorsteen) nog een keer goed bekijken, maar op dit moment staat mijn hoofd daar niet naar. In elk geval lijkt me onder de omstandigheden, dat verdere betalingen niet aan de orde zijn, zolang het werk bij mij niet volledig is afgerond.
(…)”
2.7.
Diezelfde dag reageerde [naam] per e-mail op het bericht van [gedaagde] . In die e-mail stond – voor zover hier relevant – het volgende vermeld:
“(…)
Graag zou ik ook het project willen afronden en geef je tot morgen de tijd om op je besluit om mij nu niet te betalen, terug te komen. Mocht ik niets van je horen dan zal ik de jongens morgen wegroepen en op een ander project zetten.
(…)”
2.8.
Op 15 juli 2024 riep Leadpa de arbeidskrachten terug. De werkzaamheden die tot dat moment waren uitgevoerd, heeft Leadpa door middel van twee facturen – die tezamen neerkomen op een bedrag van € 27.957,55 exclusief btw – bij [gedaagde] in rekening gebracht.
2.9.
[gedaagde] liet na nog meer onderlinge correspondentie per e-mail van 31 juli 2024 – voor zover hier relevant – het volgende aan Leadpa weten:
“(…)
Uit je bericht van 24 juli leid ik af, dat je denkt, dat ik alleen maar zou willen wachten tot september om vervolgens zonder meer over te gaan tot betalen van wat je gefactureerd hebt, maar dat lijkt me niet redelijk. Ik denk, dat er eerst een gesprek zou moeten zijn, want het project [plaats] is natuurlijk niet afgerond zoals de bedoeling was. Je stuurde me weliswaar op 25 juli nog een keer een factuur, maar dat is echt niet aan de orde. Die stuur ik je dus hierbij terug. (…)”

3.Het geschil

3.1.
Leadpa vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van [de rechtbank leest:] € 27.957,55 exclusief btw, aan haar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2024 dan wel vanaf 30 juli 2024, met veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.054,58 en de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt Leadpa ten grondslag dat partijen in 2010 een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten in de zin van artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Die overeenkomst werd op regiebasis uitgevoerd. Leadpa hanteerde daarvoor laatstelijk een uurtarief van € 110,00 voor werkzaamheden van [naam] en een uurtarief van € 63,75 voor werkzaamheden van de arbeidskrachten. Die tarieven zijn redelijk in de zin van artikel 7:752 lid 1 BW. Daarnaast is [gedaagde] akkoord gegaan met deze tarieven. Dat maakt dat Leadpa haar werkzaamheden door middel van voornoemde tarieven bij [gedaagde] in rekening mocht brengen. [gedaagde] is daarmee gehouden om de laatste twee facturen van Leadpa – die tezamen neerkomen op een bedrag van € 27.957,55 exclusief btw – te voldoen, aldus Leadpa.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Leadpa, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Leadpa in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente
3.4.
[gedaagde] voert daartoe aan dat partijen de door Leadpa gehanteerde uurtarieven niet zijn overeengekomen en dat die tarieven niet redelijk zijn in de zin van artikel 7:752 lid 1 BW. Ook heeft Leadpa ten onrechte de koffiepauzes van de arbeidskrachten bij [gedaagde] in rekening gebracht. In totaal zijn die koffiepauzes tijdens de opdrachten in [plaats] en [woonplaats] te waarderen op een bedrag € 48.125,00, wat daarmee onverschuldigd aan Leadpa is betaald en kan worden verrekend. Ten slotte heeft Leadpa haar werkzaamheden niet goed uitgevoerd. Zo heeft [naam] vanaf mei 2023 onvoldoende begeleiding aan de arbeidskrachten gegeven en is het door Leadpa geleverde en geïnstalleerde eiken werkblad gebrekkig. Het voorgaande maakt dat [gedaagde] geen betaling meer verschuldigd is aan Leadpa, aldus [gedaagde] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Aangezien Leadpa gevestigd is in België, heeft het geschil tussen partijen een internationaal karakter. Dit roept de vraag op of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. De rechtbank beantwoordt deze vraag aan de hand van Verordening Nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis.). Het uitgangspunt van deze Verordening is dat gedaagden worden opgeroepen voor de rechter van het land waar zij woonplaats hebben (artikel 4 lid 1 van Brussel I bis). [gedaagde] heeft woonplaats in Nederland. Dat betekent dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en in deze bevoegd is.
4.2.
Vervolgens dient zich de vraag aan welk recht er van toepassing is. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat partijen ervan uitgaan dat er Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar ambtshalve anders over te oordelen.
De hoogte van de facturen van Leadpa
4.3.
Leadpa vordert in deze procedure betaling van openstaande facturen. [gedaagde] stelt dat de daarin door Leadpa gehanteerde prijs onredelijk is. De uurtarieven (zie 2.2) zijn volgens [gedaagde] in de loop der jaren meer gestegen dan de gemiddelde inflatie. Daarnaast betwist [gedaagde] dat Leadpa dezelfde prijs rekende voor opdrachten van andere opdrachtgevers en dat daar sprake was van voldoende vergelijkbare werkzaamheden. Ook betwist [gedaagde] dat de gehanteerde tarieven in de relevante markt gangbaar zijn voor vergelijkbare werkzaamheden. Ten slotte stelt [gedaagde] dat Leadpa geen redelijke winstmarges heeft gehanteerd. [gedaagde] heeft namelijk vernomen dat de arbeidskrachten slechts een bedrag van ongeveer € 20,00 per uur betaald kregen, wat door Leadpa niet wordt betwist. Deze uurtarieven zouden Leadpa minstens een winstmarge van 215% opleveren. [gedaagde] stelt dat Leadpa namelijk nauwelijks andere kosten maakte. Zo hoefde Leadpa geen CAR-verzekering af te sluiten, werden de reiskosten en de werkzaamheden van [naam] apart in rekening gebracht, werden de bouwmaterialen op rekening van [gedaagde] aangeschaft en beschikten de arbeidskrachten over hun eigen gereedschappen. Daar komt nog bij dat [naam] volgens [gedaagde] vanaf mei 2023 steeds meer op de achtergrond is gebleven en zijn aansturing te wensen overliet.
4.4.
Leadpa stelt daar tegenover dat zij wel degelijk gebruikelijke én redelijke uurtarieven hanteert. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Leadpa daarnaast toegelicht dat zij een winstmarge realiseert van ongeveer 6%. In tegenstelling tot wat [gedaagde] aanvoert, draagt Leadpa alle overige kosten, zoals de verzekeringskosten, huisvestingskosten, de aansturing van de arbeidskrachten, de administratiekosten en de kosten voor machines en gereedschappen. Ook draagt Leadpa de risico’s, zoals die van een procedure, aldus Leadpa.
4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien partijen geen prijs zijn overeengekomen voor de te verrichten werkzaamheden, is [gedaagde] op grond van artikel 7:752 lid 1 BW een redelijke prijs verschuldigd. Bij de bepaling van een redelijke prijs wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Leadpa toegelicht dat de prijs die zij bij [gedaagde] in rekening bracht dezelfde is als bij al haar andere klanten, waaronder bij een vriendin van [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit niet voldoende concreet weersproken. Ook in het algemeen is niet gebleken dat deze prijzen uitzonderlijk zijn. Dat geldt voor het aanvankelijke en ook voor het recente tarief. Het is een feit van algemene bekendheid dat de loonkosten in de bouw de laatste jaren behoorlijk zijn gestegen. Daarnaast is hier van belang dat [gedaagde] in de periode dat partijen met elkaar samenwerkten de facturen van Leadpa – ook toen de uurtarieven verder opliepen – heeft betaald zonder daarover te klagen. [gedaagde] had dus redelijkerwijs kunnen verwachten dat Leadpa haar werkzaamheden op dezelfde wijze bij [gedaagde] in rekening zou blijven brengen. Het enkele feit dat de bedragen die de arbeidskrachten voor hun werk ontvingen lager waren dan [gedaagde] op basis van het uurloon dat zij aan Leadpa betaalde had verwacht, maakt dat niet anders. Dat is een zaak tussen Leadpa en de arbeidskrachten. Verder acht de rechtbank van belang dat [gedaagde] het aantal door Leadpa in rekening gebrachte arbeidsuren niet betwist. Naar aanleiding daarvan gaat de rechtbank uit van de uren zoals deze in rekening zijn gebracht. Ten slotte speelt hier nog een rol dat [gedaagde] een regieovereenkomst is aangegaan zonder vaste aanneemsom of richtprijs. Daarmee draagt zij – zoals door Leadpa terecht gesteld – als opdrachtgever het financiële risico van de werkzaamheden. Dit alles maakt dat door Leadpa gehanteerde prijzen naar het oordeel van de rechtbank redelijk zijn in de zin van artikel 7:752 lid 1 BW. Dat betekent dat [gedaagde] de facturen van Leadpa in beginsel moet betalen.
4.6.
[gedaagde] heeft verschillende argumenten naar voren gebracht, waarom zij – ook in het geval de prijs naar het oordeel van de rechtbank wél redelijk is – toch geen betaling verschuldigd is aan Leadpa. Die argumenten worden hierna achtereenvolgens besproken.
De aansturing van [naam] en het beroep op opschorting
4.7.
Partijen zijn het er over eens dat als [naam] aanvullende werkzaamheden verrichtte, hij daarvoor zijn honorarium in rekening mocht brengen. De coördinatie of aansturing van de arbeidskrachten door [naam] was vervat in het uurloon van de arbeidskrachten, zoals door [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling erkend.
4.8.
[gedaagde] stelt dat [naam] vanaf april 2023 steeds minder goed functioneerde en tekortschoot in de aansturing van de arbeidskrachten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat dit te verklaren was door het feit dat [naam] een hersen- en hartinfarct heeft gehad. Nadat hij daarvan was hersteld veranderde de mate waarin [naam] de arbeidskrachten aanstuurde. De begeleiding was volgens [gedaagde] duidelijk een stuk minder dan zij gewend was. Het werk duurde te lang en was door de medische problemen van [naam] nog verder vertraagd. Toen [naam] er vervolgens op 15 juli 2024 voor koos om de arbeidskrachten terug te roepen, mocht [gedaagde] haar betalingsverplichtingen opschorten op grond van artikel 6:262 lid 1 BW. Met het terugroepen van de arbeidskrachten schoot Leadpa immers tekort in haar verplichting om op grond van artikel 7:750 lid 1 BW het werk op te leveren. Duidelijk was dat Leadpa ook niet meer vrijwillig zou gaan opleveren waardoor zij op grond van artikel 6:83 sub c BW in verzuim verkeerde, aldus [gedaagde] .
4.9.
Leadpa heeft hiertegen ingebracht dat zij op het moment dat de arbeidskrachten werden teruggeroepen, [gedaagde] op 14 juli 2024 al per e-mail aan Leadpa had laten weten dat zij niet over zou gaan tot betaling zolang het werk niet volledig is afgerond. Door die mededeling kon bij Leadpa de vrees ontstaan dat [gedaagde] haar verplichtingen niet meer zou nakomen. Leadpa mocht haar verplichtingen daarmee op grond van artikel 6:263 BW dan wel 6:80 lid 1 aanhef en sub b BW jo. 6:52 BW jo. 6:262 BW opschorten, aldus Leadpa.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de e-mail van 14 juli 2024 van [gedaagde] worden afgeleid dat zij niet zou gaan betalen. Dit, in combinatie met het feit dat [gedaagde] al eerder een grote betalingsachterstand bij Leadpa had, maakt dat Leadpa haar verplichtingen mocht opschorten en de arbeidskrachten op 15 juli 2024 mocht terugroepen. Als gevolg van de opschorting door Leadpa is [gedaagde] op grond van artikel 6:59 BW direct in schuldeisersverzuim geraakt, waardoor haar geen recht op opschorting meer toekwam. Voor zover [gedaagde] betoogt dat uit haar e-mail van 14 juli 2024 niet kan worden afgeleid dat zij zou tekortschieten in de nakoming van haar verplichtingen omdat zij sowieso pas betaling verschuldigd zou zijn bij oplevering, slaagt dat argument niet. Partijen werkten al jaren op dezelfde manier samen. [gedaagde] stelde werklijsten op en Leadpa maakte een planning en een weekstaat met de uitgevoerde werkzaamheden. Iedere vijf weken werden de tot dat moment verrichte werkzaamheden door Leadpa gefactureerd. Ten aanzien van die facturen is direct een betalingsverplichting ontstaan voor [gedaagde] . Dat sluit aan bij het principe van werken op regiebasis. Uit de mededeling van [gedaagde] dat zij pas bij oplevering zou betalen, mocht Leadpa dus wel degelijk afleiden dat [gedaagde] niet aan die betalingsverplichting zou voldoen en mocht Leadpa haar verplichtingen blijven opschorten. [gedaagde] heeft voor het overige geen rechtsgevolgen verbonden aan haar standpunt dat Leadpa tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en heeft ook niet voldaan aan haar klachtplicht.
De koffiepauzes
4.11.
Verder stelt [gedaagde] nog dat Leadpa ten onrechte de koffiepauzes van de arbeidskrachten bij haar in rekening heeft gebracht. [gedaagde] stelt dat zij geen betaling verschuldigd is voor de koffiepauzes omdat er op die momenten geen werk is verricht. [gedaagde] gaat ervan uit dat Leadpa de koffiepauzes vanaf het moment dat partijen met elkaar samenwerken aan haar heeft doorbelast. Dat geldt ook voor het project in [woonplaats] . [gedaagde] schat dat zij in totaal een bedrag van € 48.125,00 aan Leadpa heeft betaald voor de koffiepauzes. Omdat daar geen rechtsgrond voor bestond, heeft [gedaagde] voornoemd bedrag onverschuldigd aan Leadpa betaald in de zin van artikel 6:203 BW. Daarmee heeft [gedaagde] het recht om de vordering van Leadpa met het onverschuldigd betaalde bedrag te verrekenen, aldus [gedaagde] . Leadpa stelt op haar beurt dat partijen zijn overeengekomen dat de koffiepauzes aan [gedaagde] werden doorbelast. [gedaagde] was ervan op de hoogte dat de arbeidskrachten koffiepauzes hielden. Zij was daar immers zelf bij aanwezig. Uit de facturen bleek dat de koffiepauzes daar niet op in mindering werden gebracht. [gedaagde] heeft de facturen vervolgens – zonder daarover te klagen – voldaan.
4.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is bestendig gebruik dat koffiepauzes in de tijd van de baas worden genoten en lunchpauzes bijvoorbeeld niet. Waarom dat hier anders zou moeten zijn is niet gesteld of gebleken. Het klopt dat de koffiepauzes aan [gedaagde] werden doorbelast, maar dat betekent dus niet dat [gedaagde] daar niet voor hoeft te betalen. Er is daarmee geen sprake van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW. [gedaagde] heeft dus ook niet de mogelijkheid om te verrekenen.
Het eiken werkblad
4.13.
Ten slotte brengt [gedaagde] naar voren dat het door Leadpa geleverde en geïnstalleerde eiken werkblad gebrekkig is. Het werkblad is namelijk scheuren gaan vertonen. Volgens [gedaagde] is dit veroorzaakt doordat het werkblad onvoldoende is gedroogd of niet op de juiste wijze is geïnstalleerd. De kosten voor het vervangen van het werkblad komen neer op een bedrag van ten minste € 1.500,00. Op basis hiervan beroept [gedaagde] zich op opschorting en verrekening. Leadpa stelt hiertegenover dat zij [gedaagde] heeft gewaarschuwd voor het risico op scheurvorming en dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan haar klachtplicht.
4.14.
Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] pas voor het eerst geklaagd over een scheur in een eiken werkblad. Zij heeft Leadpa niet de gelegenheid gegeven om deze klacht te herstellen, wat maakt dat Leadpa niet in verzuim is. Dat zou pas zo zijn als zij een haar geboden hersteltermijn ongebruikt laat voorbijgaan. Tot op heden is daarvan geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] hierdoor nog geen recht op verrekening. Ten aanzien van het beroep op opschorting geldt dat de opschorting alleen het bedrag van de factuur voor het eiken werkblad kan betreffen. De opschorting moet immers proportioneel zijn. [gedaagde] heeft de door haar gestelde kosten voor het vervangen van het werkblad van € 1.500,00 niet onderbouwd. Dat maakt dat [gedaagde] ook op dat punt onvoldoende naar voren heeft gebracht om te bepalen of zij haar betalingsverplichting voor een deel mocht opschorten. Daarmee slaagt dus ook het beroep van [gedaagde] op opschorting niet. Daarnaast heeft Leadpa gesteld dat zij [gedaagde] heeft gewaarschuwd. Om eventuele scheuren zoveel mogelijk te voorkomen heeft Leadpa groeven in de onderzijde van het werkblad aangebracht, wat [gedaagde] niet heeft weersproken. Dit argument kan hier verder onbesproken blijven, van de opschorting of verrekening kan om de hiervoor genoemde redenen geen sprake zijn.
Conclusie
4.15.
Kortom, Leadpa heeft een redelijke prijs in rekening gebracht voor de werkzaamheden die zij voor [gedaagde] heeft uitgevoerd. Die prijs zal [gedaagde] dus moeten betalen. De argumenten die [gedaagde] naar voren heeft gebracht op basis waarvan zij stelt niet gehouden te zijn tot betaling, slagen niet. Dit alles maakt dat de vordering van Leadpa om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 27.957,55 moet worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.16.
Leadpa vordert wettelijke rente vanaf 15 juli 2024 dan wel vanaf 30 juli 2024. De e-mail van [gedaagde] op 14 juli 2024 kan naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een mededeling in de zin van artikel 6:80 lid 1 sub b BW die maakt dat de gevolgen van niet-nakoming al vóór de opeisbaarheid ingaan. Desondanks geldt op grond van artikel 6:80 lid 2 BW dat vergoeding van vertragingsschade eerst mogelijk is vanaf het moment van opeisbaarheid. Ingevolge artikel 6:39 BW zijn de facturen van Leadpa opeisbaar na de betalingstermijn die tot 30 juli 2024 liep. De wettelijke rente zal dus vanaf 30 juli 2024 worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.17.
Leadpa vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Leadpa heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning (de brief van de advocaat van Leadpa van 18 december 2024) wordt namelijk geen bedrag van incassokosten genoemd dat bij niet betaling in rekening zal worden gebracht en evenmin wordt de veertiendagen termijn voor betaling gehanteerd. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding moet daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.18.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Leadpa worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.889,47

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Leadpa te betalen een bedrag van € 27.957,55 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.889,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.