ECLI:NL:RBAMS:2025:8818

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
C/13/771390 / FA RK 25-4740 C/13/776833/FA RK 25-7730
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van gezag en vaststelling hoofdverblijf na overlijden van de moeder

Op 8 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven in een zaak betreffende de wijziging van het gezag en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De vader van de kinderen verzocht om het eenhoofdig gezag over beide kinderen en om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen, na het overlijden van de moeder op [overlijdensdatum]. De rechtbank heeft kennisgenomen van de verzoeken van de vader en de Raad voor de Kinderbescherming, die de GI (Jeugdbescherming Regio Amsterdam) als voogd voor [minderjarige 1] wenste aan te wijzen. Tijdens de mondelinge behandeling op 8 oktober 2025 zijn de betrokken partijen, waaronder de vader, de Raad en vertegenwoordigers van de GI, gehoord. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kinderen, na het overlijden van hun moeder, in verschillende situaties verkeren: [minderjarige 1] woont in een gezinshuis, terwijl [minderjarige 2] bij zijn vader woont. De rechtbank heeft besloten dat de vader het gezag over [minderjarige 2] kan uitoefenen, terwijl de GI belast blijft met de voogdij over [minderjarige 1]. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem vast te stellen afgewezen, omdat dit niet in het belang van [minderjarige 1] zou zijn. De rechtbank benadrukt het belang van de onderlinge verhoudingen tussen de kinderen en de vader, en heeft de GI gevraagd om waar nodig hulpverlening in te zetten.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Zaak- en / rekestnummers:
C/13/771390 / FA RK 25-4740 (AL/NN)
C/13/776833 / FA RK 25-7730 (AL/NN)
Beschikking van 8 oktober 2025 betreffende wijziging van het gezag en vaststelling hoofdverblijf
In de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/771390 / FA RK 25-4740 van:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. M.B. Chylinska te Zaandam,
met als belanghebbenden:
de
Raad voor de Kinderbescherming regio Noord-Holland,locatie [locatie] , gevestigd te Den Haag, hierna te noemen de Raad,
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI.
En in de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/776833 / FA RK 25-7730 van:
de
Raad voor de Kinderbescherming regio Noord-Holland,locatie [locatie] , gevestigd te Den Haag, hierna te noemen de Raad,
met als belanghebbenden:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
[de vader] , voornoemd.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoek van de vader, ingekomen op 19 juni 2025;
  • het rapport van de Raad van 25 augustus 2025, ingekomen op 8 oktober 2025;
  • het verzoekschrift van de Raad, zoals mondeling ter zitting van 8 oktober 2025 gedaan en schriftelijk ingekomen op 9 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025.
Tijdens deze behandeling zijn verschenen:
  • de vader en zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is bekend geworden dat de Raad onderzoek gedaan heeft naar de definitieve voorziening in het gezag van de minderjarigen en een verzoekschrift hiertoe bij de rechtbank Noord-Holland, locatie [locatie] ingediend heeft. De vertegenwoordiger van de Raad heeft het verzoek ter zitting mondeling bij deze rechtbank aangebracht en nader toegelicht. Gelet op de onderlinge samenhang heeft de rechtbank besloten om beide verzoeken gezamenlijk te behandelen.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben direct voorafgaand aan de mondelinge behandeling hierover een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdatum] 2025 is overleden:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
die van rechtswege alleen het gezag uitoefende over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], hierna te noemen [minderjarige 1] ,
  • [minderjarige 2], hierna te noemen [minderjarige 2] ,
hierna tezamen te noemen de kinderen.
2.2.
De kinderen zijn erkend door de vader.
2.3.
[minderjarige 1] woont in een gezinshuis in [woonplaats 1] en [minderjarige 2] woont bij zijn vader in [woonplaats 2] .
2.4.
Bij beschikking van 17 juni 2025 van de rechtbank Noord-Holland, locatie [locatie] is de GI belast met de voorlopige voogdij over de kinderen.

3.De verzoeken

In de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/771390 / FA RK 25-4740
3.1.
De vader verzoekt de rechtbank om bij beschikking:
  • de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ;
  • de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vader te bepalen;
  • dan wel beslissingen te nemen in goede justitie;
  • de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Het verzoek is als volgt onderbouwd. De moeder is op [overlijdensdatum] 2025 overleden. De moeder oefende tot haar overlijden alleen het gezag uit over de kinderen. [minderjarige 2] verblijft sinds het overlijden van zijn moeder bij de vader en wordt door hem verzorgd en opgevoed. Zoals ook in andere gezinnen gaat dat met ups en downs. Het is wennen, maar het gaat overall goed. [minderjarige 1] verblijft in een gezinshuis. De vader vindt dat hij als vader zijnde het zijn plicht is om ook het gezag over [minderjarige 1] te vragen. Maar hij kan zich er ook in vinden als de voogdij over [minderjarige 1] bij de GI komt te liggen. Zeker als dit de wens van [minderjarige 1] is en daarnaast wordt zij in maart aanstaande meerderjarig.
Ondanks toezeggingen dat de GI een rol zou spelen in het contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] is dit niet gebeurd. Gelukkig is het contact nu wel weer hersteld omdat [minderjarige 1] en de vader zelf toenadering hebben gezocht en gevonden. Hij zou graag zien dat ook het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hersteld wordt. Verder wil de vader nog kwijt dat hij niet boos op de GI is, wel is hij soms geïrriteerd omdat de GI moeilijk bereikbaar is, beloftes niet nagekomen worden en de GI soms afspraken willen maken op tijden of termijnen die voor hem niet haalbaar zijn.
In de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/776833 / FA RK 25-7730
3.3.
De Raad verzoekt de rechtbank om uitvoerbaar bij voorraad:
  • de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, tot voogd te benoemen over [minderjarige 1] , en
  • de vader te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
3.4.
De Raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De Raad is wat [minderjarige 1] betreft van mening dat de voogdij bij de GI moet blijven totdat zij meerderjarig is. [minderjarige 1] woont momenteel op een groep, wat ook met zich meebrengt dat er belangrijke praktische zaken geregeld moeten worden. Wanneer de vader het gezag over [minderjarige 1] zou hebben, zou dit het zowel praktisch als emotioneel lastiger maken. Praktisch doordat de vader moeilijk bereikbaar is en er het contact tussen [minderjarige 1] en de vader wel hersteld is, maar nog pril. Emotioneel doordat er eerder veel angst, onbegrip en stress zat bij [minderjarige 1] jegens haar vader. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat zij in alle rust beslissingen kan nemen wat betreft het verdere contactherstel met haar vader, zonder dat zij hiertoe gedwongen wordt doordat hij beslissingen over haar moet nemen. Daarbij merkt de Raad op dat er, mede door de voorlopige voogdij, rust is ontstaan bij [minderjarige 1] , wat haar gezondheid heeft bevorderd.
Wat betreft [minderjarige 2] is de Raad van mening dat de vader het gezag over hem kan krijgen. De Raad houdt hierbij rekening met de voorkeurspositie van de vader en dat [minderjarige 2] bij zijn vader woont en zelf ook wil dat zijn vader gezag over hem krijgt. Daarnaast krijgt de Raad geen concrete signalen waardoor de indruk ontstaat dat de vader het gezag over [minderjarige 2] niet kan uitoefenen. Dat de samenwerking tussen vader en de GI niet soepel verloopt is een belemmering, maar dat maakt nog niet dat de vader het gezag niet zou kunnen uitoefenen. Daarbij komt dat het alternatief, namelijk de voogdij beleggen bij de GI, niet beter is. Tijdens de voorlopige voogdij is namelijk niet gebleken dat het voor [minderjarige 2] van meerwaarde is geweest. Wel is het van belang dat er meer zicht komt op [minderjarige 2] en wat hij nodig heeft, hier kan de hulpverlening mogelijk iets in betekenen.
Van belang is verder dat het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hersteld wordt. De GI kan hierin een rol spelen waarbij goed gekeken moet worden wanneer de kinderen hier klaar voor zijn gelet op de rouwverwerking.

4.De standpunten van de kinderen en de GI

4.1.
[minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag wil dat de GI met de voogdij over haar belast blijft. Ze woont niet bij haar vader, maar in een gezinshuis. Dit voelt goed voor haar. Tussen [minderjarige 1] en haar vader is er weer contact, maar dat verloopt nog moeizaam.
4.2.
[minderjarige 2] woont bij zijn vader en hij vindt het niet meer dan logisch dat zijn vader met het gezag over hem belast wordt.
4.3.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zij in de veronderstelling zijn dat de voorlopige voogdij voor drie maanden afgesproken is en dat deze derhalve tot 17 september jl. liep. Nadien heeft de GI dan ook geen bemoeienis meer gehad.
Via een leerplichtzaak is de GI eerder betrokken geraakt bij [minderjarige 2] . Hij heeft Toezicht & Begeleiding opgelegd gekregen, de betrokken jeugdreclasseerder is echter in augustus jl. uitgevallen. Dat verklaart dat er de laatste tijd geen contact geweest is.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:241 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vervalt de maatregel van de voorlopige voogdij na verloop van drie maanden, tenzij voor het einde van deze termijn om een (meer definitieve) voorziening in het gezag over het kind is verzocht.
5.2.
Nu op 19 juni 2025 bij de rechtbank Amsterdam (verzoek vader) en op 26 augustus 2025 bij de rechtbank Noord-Holland (verzoek Raad) verzoeken binnengekomen zijn om in een definitieve voorziening in het gezag over de kinderen te voorzien, is de voorlopige voogdij van rechtswege verlengd tot er bij onherroepelijke beslissing definitief in het gezag over de kinderen is voorzien.
5.3.
Op grond van artikel 1:253g van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt de rechtbank, indien de ouder met eenhoofdig gezag is overleden, dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over de minderjarige(n) wordt belast. Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien het belang van de minderjarige(n) zich tegen inwilliging verzet.
Inhoudelijke beoordeling met betrekking tot het gezag
5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zowel de vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als de Raad en de GI zich kunnen vinden om de vader met het gezag over [minderjarige 2] te belasten en de GI met de voogdij over [minderjarige 1] te belasten. Het komt de rechtbank voor dat deze uitkomst niet strijdig is met de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen zijn er namelijk bij gebaat dat de voor hen benodigde gezagsbeslissingen genomen worden door de mensen die het dichtst bij hen betrokken zijn. Voor [minderjarige 2] is dat de vader en voor [minderjarige 1] is dat de GI. De rechtbank zal daarom dienovereenkomstig beslissen.
Inhoudelijke beoordeling met betrekking tot de hoofdverblijfplaats
5.5.
Nu de vader bij deze beschikking belast wordt met het (eenhoofdig) gezag over [minderjarige 2] , is een beslissing over de hoofdverblijfplaats niet meer aan de orde. Immers, op grond van artikel 1:12 BW volgt een minderjarige woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats dan ook bij gebrek aan belang af. Nu [minderjarige 1] niet bij de vader woont en de vader niet belast wordt met het gezag over haar, is de rechtbank van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is dat haar hoofdverblijf bij de vader vastgesteld wordt. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vader tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem afwijzen.
5.6.
Tot slot wil de rechtbank nog het volgende benadrukken. Gebleken is dat de onderlinge verhoudingen tussen zowel de vader en [minderjarige 1] als tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet optimaal zijn en aandacht nodig hebben. De rechtbank vertrouwt erop dat de GI daar waar nodig en wenselijk, hulpverlening inzet om de onderlinge verhoudingen te bevorderen.
5.7.
Mitsdien wordt als volgt beslist.

6.De beslissing

De rechtbank:
In de zaak met zaak- en rekestnummer: C/13/771390 / FA RK 25-4740
6.1.
wijst het verzoek van de vader inzake de hoofdverblijfplaats van de kinderen af;
In de zaken met zaak- en rekestnummers: C/13/771390 / FA RK 25-4740 en C/13/776833 / FA RK 25-7730
6.2.
belast de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,gevestigd te Amsterdam met de uitoefening van het gezag over:
- [minderjarige 1],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2008;
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
6.3.
belast de vader met de uitoefening van het gezag over:
- [minderjarige 2],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2010;
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
6.4.
vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025 door de rechter mr. A. van Luijck, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Nauta, griffier, en op schrift gesteld op 13 oktober 2025. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).