De eiser sloot in 2008 een doorlopend krediet af bij de rechtsvoorgangster van Hoist Finance AB. Door betalingsachterstanden werd in 2014 een negatieve BKR-registratie geplaatst. Na een succesvol afgeronde wettelijke schuldsanering in 2024 vroeg eiser verwijdering van deze registratie, die vijf jaar zichtbaar blijft.
De rechtbank oordeelt dat de procedure formeel met een verzoekschrift had moeten worden gestart, maar behandelt de zaak op de ingediende wijze. De kernvraag is of de registratie verwijderd moet worden voordat de wettelijke termijn van vijf jaar is verstreken. De AVG en jurisprudentie bieden een toetsingskader waarbij belangen van de betrokkene worden afgewogen tegen die van de verwerkingsverantwoordelijke.
Eiser stelt dat de registratie onrechtmatig is en haar zakelijke groei belemmert. Hoist stelt dat de registratie rechtmatig is en dat de financiële situatie van eiser nog niet stabiel is. De rechtbank concludeert dat de kredietverstrekking niet onrechtmatig was en dat de belangen van Hoist zwaarder wegen. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.