ECLI:NL:RBAMS:2025:8893

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
C/13/762719 / HA ZA 25-80
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling lening en garantieschending in aandelenkoopovereenkomst tussen CWB en gedaagden

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen de rechtspersoon naar buitenlands recht CAPITAL WATERS BEHEER LTD (CWB) en drie besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, gezamenlijk aangeduid als gedaagden. CWB heeft driekwart van de aandelen in een horecazaak verkocht aan gedaagden en daarbij een lening verstrekt voor de betaling van de koopprijs. Gedaagden betwisten de terugbetaling van de lening, stellende dat CWB garanties uit de koopovereenkomst heeft geschonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagden zich niet kunnen beroepen op garantieschendingen, omdat er uitsluitingsclausules in de overeenkomsten zijn opgenomen. De rechtbank heeft beslist dat gedaagden de lening van € 712.500,- moeten terugbetalen, vermeerderd met rente. Daarnaast heeft de rechtbank de vorderingen van gedaagden in reconventie afgewezen, waaronder de ontbinding van de koopovereenkomst en de vordering tot schadevergoeding. De proceskosten zijn voor gedaagden, die in het ongelijk zijn gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/762719 / HA ZA 25-80
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
CAPITAL WATERS BEHEER LTD,
gevestigd te Birkirkara (Malta),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: CWB,
advocaat: mr. E.H. Boucher,
tegen
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1.
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
3.
[gedaagde 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. M. Kashyap.

1.De kern van de zaak

1.1.
CWB heeft driekwart van de aandelen in een horecazaak verkocht aan [gedaagden] , en daarbij aan [gedaagden] een lening gegeven voor de betaling van de koopprijs van die aandelen. In deze zaak vordert CWB van [gedaagden] onder meer terugbetaling van de lening.
1.2.
[gedaagden] is het hier niet mee eens. Zij vindt dat zij de lening niet meer hoeft terug te betalen omdat CWB haar garanties uit de koopovereenkomst heeft geschonden. Zij kan daarom van de overeenkomst af, of in elk geval moet de prijs voor de aandelen worden verminderd. Dat vordert zij als tegenvordering.
1.3.
Het debat tussen partijen spitst zich met name toe op de vraag of [gedaagden] zich kan beroepen op garantieschendingen, omdat er uitsluitingsclausules en beperkingen in de overeenkomsten staan. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagden] zich niet op garantieschendingen kan beroepen en beslist dat [gedaagden] de lening moet terugbetalen. CWB vordert daarnaast ook nog een vergoeding vanwege winstgaranties. Die vordering gaat over iets heel anders en is pas heel laat in deze zaak ingediend. Daarom laat de rechtbank die vordering buiten beschouwing. Hierna legt de rechtbank deze en andere beslissingen verder uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 24 december 2024, met producties,
- de beslagstukken, binnengekomen ter griffie op 28 januari 2025 en op 7 april 2025,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie,
- de akte overlegging producties van [gedaagden] , met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging van eis, met producties,
- het tussenvonnis van 9 juli 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte wijziging van eis van CWB, met productie,
- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt die zich in het dossier bevinden.

3.De feiten

3.1.
CWB houdt zich bezig met het investeren in en het verstrekken van financieringen aan diverse ondernemingen. De bestuurder van CWB is [naam 1] .
3.2.
[gedaagde 1] B.V. houdt zich bezig met het investeren in horeca en vastgoed, met name in [vestigingsplaats 1] . De bestuurder van [gedaagde 1] B.V. is [naam 2] . [gedaagde 2] B.V. en [gedaagde 3] B.V. houden zich bezig met het exploiteren van horecazaken in [vestigingsplaats 1] .
3.3.
In het najaar van 2022 zijn [naam 1] en [naam 2] met elkaar in gesprek gekomen over de aankoop van aandelen in de vennootschap Maxsand B.V. Maxsand exploiteert een horecazaak in [adres] . Ten tijde van de onderhandelingen was de horecazaak een Nutella-zaak.
3.4.
Partijen hebben op 21 februari 2023 een aandelenkoopovereenkomst (hierna: koopovereenkomst) gesloten voor de aankoop van 75 van de 100 aandelen in Maxsand, met CWB als verkoper en [gedaagden] als koper. De koopprijs is vastgesteld op een bedrag van € 750.000,-. CWB heeft daarbij als verkoper garanties afgegeven die staan opgenomen in bijlage 2 van de koopovereenkomst.
3.5.
Partijen hebben op dezelfde dag ook een verkopersleningsovereenkomst (hierna: leningsovereenkomst) gesloten voor het verstrekken van een lening voor de koopprijs van de aandelen in Maxsand, met CWB als kredietgever en [gedaagden] als kredietnemer. In de overeenkomst is onder meer opgenomen dat [gedaagden] zich tegenover CWB hoofdelijk verbindt voor de verplichtingen uit de leningsovereenkomst.
3.6.
Bij notariële akte van 20 juli 2023 (hierna: de leveringsakte) heeft CWB de aandelen in Maxsand aan [gedaagden] geleverd.
3.7.
[gedaagden] heeft een bedrag van € 37.500,- aan CWB betaald, voor het aflossen van het eerste kwartaal van de lening.
3.8.
Partijen zijn daarna overeengekomen dat de maandelijkse aflossingen mochten worden uitgesteld tot 1 september 2024.
3.9.
Bij brief van 30 oktober 2024 heeft de advocaat van CWB [gedaagden] in gebreke gesteld voor het niet tijdig terugbetalen van de lening.
3.10.
CWB heeft conservatoir beslag gelegd op de door [gedaagden] gehouden aandelen in diverse vennootschappen.

4.Het geschil

de vordering (in conventie)
4.1.
CWB vordert na wijziging eis – samengevat – dat [gedaagden] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van:
I. de hoofdsom van € 712.500,-,
II. de beslagkosten,
III. de wettelijke (handels)rente over de vervallen termijnen over september en oktober 2025 vanaf 15 september 2022, en de contractuele overeengekomen vertragingsrente van 12,5% per jaar over de hoofdsom vanaf 22 oktober 2024,
IV. de winstgaranties van € 130.683,60, subsidiair dat elk der gedaagden individueel wordt veroordeeld tot betaling van € 43.561,20,
V. de buitengerechtelijke incassokosten,
VI. de proces- en nakosten.
4.2.
[gedaagden] is het niet eens met de vorderingen en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van CWB in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
de tegenvordering (in reconventie)
4.4.
[gedaagden] vordert na wijziging eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. de koopovereenkomst en/of de leningsovereenkomst en/of leveringsakte te ontbinden,
II. subsidiair deze te wijzigen in die zin dat de koopprijs voor de aandelen wordt verlaagd naar € 0,-, en de verplichting van [gedaagden] om de lening af te lossen komt te vervallen,
III. CWB te veroordelen tot betaling van de door [gedaagden] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
IV. de proces- en nakosten.
4.5.
CWB is het niet eens met de vorderingen en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen en de tegenvorderingen (in conventie en in reconventie) zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
De eiswijziging van CWB
5.2.
CWB heeft twee weken voor de mondelinge behandeling haar eis gewijzigd. Naast terugbetaling van de lening vordert zij nu ook betaling van € 130.683,60 op grond van winstgaranties uit de tussen partijen gesloten aandeelhoudersovereenkomst. [gedaagden] heeft hiertegen tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt en aangevoerd dat deze vordering is gebaseerd op een overeenkomst die tot dusver niet aan orde was, waardoor zij zich hiertegen niet goed kan verdedigen.
5.3.
Uit artikel 130 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek van Rechtsvordering (Rv) volgt dat zolang een rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.
5.4.
In dit geval gaat het niet slechts om een wijziging of aanvulling van de feitelijke en/of juridische grondslag van de vordering, maar om de toevoeging van een geheel nieuw geschil, namelijk de vergoedingsverplichting van [gedaagden] op grond van winstgaranties uit de aandeelhoudersovereenkomst. Dat is dus een uitbreiding van het geschil met een geheel nieuwe grondslag. Omdat de procedure zich al in een stadium bevond waar [gedaagden] niet meer schriftelijk op deze eis mocht reageren, is de rechtbank van oordeel dat de eisvermeerdering niet meer toelaatbaar is vanwege strijd met de goede procesorde. De rechtbank laat daarom deze eiswijziging buiten beschouwing en oordeelt alleen over wat in 4.1 onder I tot en met III, V en VI is gevorderd.
De vordering van CWB tot terugbetaling van de lening
5.5.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagden] een geldleningsovereenkomst heeft gesloten met CWB, die inhoudt dat [gedaagden] € 750.000,- leent voor de aankoop van 75 aandelen in Maxsand en dat [gedaagden] dit bedrag in maandelijkse termijnen terugbetaalt. CWB vordert nu van [gedaagden] hoofdelijk het openstaande bedrag van € 712.500,-, vermeerderd met rente.
5.6.
[gedaagden] betwist op zichzelf niet dat zij de lening moet terugbetalen en dat de hele leensom opeisbaar is, maar voert als verweer dat CWB al voor dat moment tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst, door bepaalde garanties te schenden. Zij doet een beroep op opschorting en ontbinding. Voor zover het beroep op ontbinding niet slaagt, beroept [gedaagden] zich op wijziging van de overeenkomst op grond van dwaling. Zij baseert zich erop dat CWB in de overeenkomst garanties heeft gegeven die niet blijken te kloppen. Vanwege de schending van de garanties vordert [gedaagden] daarnaast ook een schadevergoeding.
5.7.
Omdat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagden] hoofdelijk gehouden is om de lening terug te betalen, betekent dit dat de vordering van CWB voor betaling van € 712.500,- toewijsbaar is, tenzij het beroep van [gedaagden] op ontbinding van de overeenkomst, de vordering tot wijziging van de overeenkomst of de vordering tot schadevergoeding slaagt. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Dat wordt hierna toegelicht.
Het beroep van [gedaagden] op ontbinding slaagt niet
5.8.
[gedaagden] vordert ontbinding van de overeenkomst, omdat sprake is van inbreuken op de garanties. Ontbinding is echter niet mogelijk, omdat CWB terecht het verweer voert dat partijen deze mogelijkheid in de leveringsakte van 20 juli 2023 hebben uitgesloten. Hierin staat immers het volgende (hoofdstuk 3, artikel 8.2):
“Kopers en Verkoper doen afstand van het recht om, uit welken hoofde dan ook, ontbinding van de aan de levering ten grondslag liggende rechtshandelingen te vorderen.”
5.9.
Naar de rechtbank begrijpt vindt [gedaagden] dat zij ondanks het bepaalde in dit artikel zich toch kan beroepen op ontbinding. Zij voert aan dat de onderliggende overeenkomsten zijn gesloten op 21 februari 2023, de geschonden garanties hier betrekking op hebben en dat daarin niets staat over het afstand doen van het recht op ontbinding. Dit verweer gaat niet op. Partijen hebben in de leveringsakte ontbinding uitgesloten van de aan de levering ten grondslag liggende rechtshandelingen. Een dergelijke afspraak kan ook naderhand geldig worden gemaakt. De leveringsakte is gebaseerd op de koopovereenkomst en deze kan dus niet meer worden ontbonden.
5.10.
[gedaagden] heeft ook nog aangevoerd dat partijen alleen ontbinding hebben uitgesloten op grond van de overeengekomen ontbindende voorwaarden en niet op grond van de algemene ontbindingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:265 BW. Dat staat echter niet zo in de leveringsakte (hoofdstuk 3, artikel 8.2). Deze noemt immers geen ontbindende voorwaarden, maar bepaalt enkel dat partijen ontbinding hebben uitgesloten. Dat wijst er juist op dat het om ontbinding op grond van de wet gaat.
5.11.
[gedaagden] heeft verder aangevoerd dat het standpunt van CWB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat er sprake is van opzet en fraude aan de zijde van CWB. Hiermee beroept [gedaagden] zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat een tussen partijen geldende regel niet van toepassing is als dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij moeten alle voor het geval relevante feiten en omstandigheden worden betrokken.
5.12.
Het betoog van [gedaagden] slaagt niet. [gedaagden] heeft namelijk onvoldoende feiten aangedragen waaruit blijkt dat er door CWB bewust verplichtingen uit de koopovereenkomst zijn geschonden. De kwade opzet zou erin zijn gelegen dat CWB wist dat:
  • het gebruik van het pand als Nutella-zaak in strijd was met het bestemmingsplan,
  • de boekhouding niet op orde was,
  • er sprake was van een kwestie met de verhuurder over de voortzetting van de huurovereenkomst,
  • de technische installaties in het pand niet voldeden aan de daarvoor geldende vereisten,
  • tegen de afspraken in, een werknemer in vaste dienst was, waarvoor een ontslagvergoeding moest worden betaald,
  • de Financial Intelligence Unit een onderzoek deed naar de horecazaak in verband met witwassen (hierna: FIU-onderzoek) in combinatie dat de omstandigheid dat [naam 1] was genoemd in een artikel van Follow the Money over vermeende fraude, wat het verlenen van de exploitatievergunning bemoeilijkte.
5.13.
Dit zijn echter allemaal omstandigheden die op de datum van levering van de aandelen op 20 juli 2023 al bij [gedaagden] bekend waren. Zo staat vast dat de technische installaties en de kwestie met de verhuurder over de voortzetting van de huurovereenkomst vóór de levering tussen partijen zijn besproken. Daarnaast heeft op 17 april 2023 een gesprek met de gemeente plaatsgevonden, waarbij de boekhouding van de horecazaak, het FIU-onderzoek en de vermelding van [naam 1] in een artikel van Follow the Money door de gemeente zijn aangekaart. Verder heeft [naam 1] op 24 februari 2023 aan [naam 2] laten weten dat er een werknemer in vaste dienst was bij de horecazaak, met wie op 29 juni 2023 een vaststellingsovereenkomst is gesloten voor de betaling van een ontslagvergoeding. Omdat al deze omstandigheden al vóór 20 juli 2023 bij [gedaagden] bekend waren, ontvalt de grondslag aan haar betoog, omdat [gedaagden] op die datum dus met die wetenschap afstand heeft gedaan van het recht op ontbinding. Wel heeft [gedaagden] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de gemeente pas na de levering van de aandelen heeft meegedeeld dat de indeling van het pand niet voldeed aan de daarvoor geldende bestemming en dat er daarom aanleiding bestond voor een conceptwijziging. Uit niets blijkt echter dat CWB hiervan op de hoogte was en dus bewust een garantie heeft geschonden.
5.14.
[gedaagden] heeft daarnaast nog aangevoerd dat CWB wist dat de horecazaak aan het UWV en de Belastingdienst (terug)betalingen moest verrichten, voor onder andere de NOW-subsidie. Daarvan heeft [naam 1] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat CWB deze kosten overeenkomstig de koopovereenkomst heeft vergoed en zal blijven vergoeden en dat de horecazaak deze kosten niet aan CWB hoeft terug te betalen. Dit is ook in lijn met artikel 9.7 van de koopovereenkomst, dat bepaalt dat partijen hebben afgesproken dat alle schulden, kosten, beslagen en/of vorderingen van derden op de horecazaak die betrekking hebben op de datum voor de overdracht volledig voor rekening en risico van de verkoper komen, ongeacht of partijen hiermee bekend waren.
5.15.
Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat CWB opzettelijk verplichtingen uit de koopovereenkomst heeft geschonden. Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt daarom niet.
5.16.
Het voorgaande brengt mee dat het verweer van CWB tegen vordering I van [gedaagden] slaagt. Die vordering van [gedaagden] wordt daarom afgewezen.
De vordering van [gedaagden] tot wijziging van de overeenkomst slaagt niet
5.17.
Voor het geval het beroep op ontbinding niet slaagt, vordert [gedaagden] wijziging van de overeenkomst op grond van dwaling als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 BW. Zij vordert dat het nadeel wordt opgeheven door de koopprijs te verlagen, omdat de overeenkomst is aangegaan op basis van verstrekte garanties, die achteraf onjuist bleken te zijn.
5.18.
Partijen zijn het erover eens dat zij in de koopovereenkomst vernietiging op grond van dwaling hebben uitgesloten. Zij verschillen echter van mening of [gedaagden] in plaats van vernietiging wel de mogelijkheid toekomt om wijziging van de overeenkomst op grond van dwaling te vorderen voor de opheffing van het nadeel. Of dat het geval is, is een vraag van uitleg aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. [1] Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de taalkundige uitleg, maar ook naar wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.
5.19.
In artikel 9.2 van de koopovereenkomst is het volgende opgenomen:
“Partijen doen over en weer onherroepelijk afstand van het recht om deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) vernietigen.”
5.20.
Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat partijen ook hebben beoogd om wijziging van de overeenkomst op grond van dwaling uit te sluiten. Die bedoeling volgt met name uit het gegeven dat partijen in de overeenkomst naast deze bepaling een stelsel van garanties zijn overeengekomen en afspraken hebben gemaakt over de gevolgen van een schending daarvan. Daartoe behoren onder andere afspraken over vervaltermijnen voor de aansprakelijkheid van de verkoper voor inbreuken op de garanties (artikel 6.6) en over de maximale aansprakelijkheid van de verkoper (artikel 6.7). De aanwezigheid van deze afspraken in de overeenkomst verdraagt zich er niet mee dat via de weg van wijziging van de overeenkomst alsnog een effect kan worden bereikt dat partijen kennelijk juist beoogd hebben uit te sluiten.
5.21.
[gedaagden] heeft voor de gelding van artikel 9.2 uit de koopovereenkomst ook een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Zij baseert dit op dezelfde omstandigheden als hiervoor in overweging 5.11 tot en met 5.14 zijn besproken. Om dezelfde redenen als hiervoor genoemd, slaagt dit beroep niet.
5.22.
Het voorgaande brengt mee dat het de vordering van [gedaagden] tot wijziging van de overeenkomst op grond van dwaling (vordering II) niet kan worden toegewezen.
De vordering van [gedaagden] tot betaling van een schadevergoeding slaagt niet
5.23.
[gedaagden] heeft in de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie gevorderd dat CWB wordt veroordeeld tot betaling van de door [gedaagden] geleden schade, welke schade later in de procedure zou worden gespecificeerd en onderbouwd. Dat heeft [gedaagden] niet gedaan en ook heeft zij haar eis niet gewijzigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] verzocht om een verwijzing naar de schadestaatprocedure. In het midden kan blijven of dit mogelijk is, omdat CWB terecht het verweer voert dat de contractuele klachttermijn van twaalf maanden voor garantieschendingen is verlopen. Daardoor kan de vordering tot betaling van een schadevergoeding niet worden toegewezen.
5.24.
Uit artikel 6.6.3 van de koopovereenkomst volgt dat de aansprakelijkheid van de verkoper voor inbreuken op de garanties vervalt twaalf maanden na de overdrachtsdatum. Dit is slechts anders als de koper de verkoper voor het verstrijken van deze twaalf maanden schriftelijk over de inbreuken op de garanties in kennis heeft gesteld.
5.25.
Volgens CWB heeft [gedaagden] voor het eerst op 1 september 2024 geklaagd over garantieschendingen, dus pas veertien maanden na de levering van de aandelen op 20 juli 2023. [gedaagden] heeft hiertegen ingebracht dat zij voor de schendingen eerder contact heeft gehad met CWB, maar dat zij eerst heeft geprobeerd de kwestie onderling op te lossen. Hoewel het op zichzelf begrijpelijk is dat [gedaagden] niet meteen voor de juridische weg heeft willen kiezen op het moment dat het één en ander tegenviel, heeft [gedaagden] op geen enkel feit kunnen wijzen waaruit blijkt dat zij binnen de overeengekomen twaalf maanden schriftelijk bij CWB heeft geklaagd. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling enkel gewezen op een e-mail van 9 juni 2023 aan de moeder van [naam 1] , die eerst bestuurder van de horecazaak was, waarin zou zijn geklaagd over de technische installaties in het pand. Dat is echter onvoldoende, omdat dit geen e-mail aan CWB is. Los daarvan zou dit slechts gaan om de technische installaties en niet over de overige door [gedaagden] gestelde garantieschendingen. Omdat [gedaagden] pas voor het eerst op 1 september 2024 bij CWB heeft geklaagd over de garantieschendingen, dus ruim na de periode van twaalf maanden na de levering van de aandelen, heeft zij niet voldaan aan haar contractuele klachtplicht. Dit heeft tot gevolg dat zij zich er niet langer op kan beroepen dat CWB garanties niet is nagekomen.
5.26.
[gedaagden] heeft nog aangevoerd dat de termijnbeperking van artikel 6.6.3 niet van toepassing is, omdat er sprake is van opzet, fraude, bedrog dan wel bewuste roekeloosheid door CWB. Zij baseert dit op artikel 6.12 van de koopovereenkomst. Ook dit beroep kan niet slagen, omdat niet kan worden aangenomen dat CWB opzettelijk of bewust verplichtingen heeft geschonden De redenen hiervoor zijn hierboven in de overweging 5.12 tot en met 5.14 vermeld.
5.27.
Omdat het beroep van CWB op schending van de contractuele klachtplicht slaagt, kan de vordering tot schadevergoeding (vordering III van [gedaagden] ) niet worden toegewezen.
Slotsom
5.28.
Dit alles leidt tot de slotsom dat de tegenvorderingen van [gedaagden] worden afgewezen. Dat betekent dat [gedaagden] gehouden is om het openstaande bedrag van de lening terug te betalen.
5.29.
Voor zover [gedaagden] betoogt dat de koopprijs en dus het leenbedrag met € 115.000,- moet worden verminderd, vanwege de schulden van de horecazaak aan het UWV en de Belastingdienst, gaat dit betoog niet op. Zoals hiervoor al in overweging 5.14 is besproken heeft CWB deze kosten aan de horecazaak vergoed en zal zij deze blijven vergoeden. Dat maakt dat er geen aanleiding bestaat om de vordering tot betaling van de hoofdsom te verminderen.
5.30.
Gelet op het voorgaande wordt de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 712.500,- hoofdelijk toegewezen. Hoofdelijk betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Wat de één betaalt hoeft de ander niet meer te betalen.
5.31.
De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking.
Rente
5.32.
CWB maakt aanspraak op de contractuele vertragingsrente van 12,5% per jaar over de hoofdsom vanaf 22 oktober 2024. Dit is volgens CWB de datum waarop [gedaagden] heeft gezegd dat zij de leningsovereenkomst niet verder zal nakomen, waardoor [gedaagden] op grond van de koopovereenkomst vanaf die datum in verzuim is gekomen. Omdat deze contractuele rente niet door [gedaagden] is betwist en ook onweersproken is dat zij vanaf 22 oktober 2024 in verzuim is, is het gevorderde van 12,5% per jaar vanaf 22 oktober 2024 hoofdelijk toewijsbaar.
5.33.
Naast de contractuele vertragingsrente vordert CWB ook de wettelijke handelsrente over de vervallen termijnen van september 2025 en oktober 2025 vanaf 15 september 2022. Naar de rechtbank begrijpt heeft CWB bedoeld de vervallen termijnen september 2024 en oktober 2024. Deze vordering wordt afgewezen, omdat de vordering tot betaling van de contractuele rente al wordt toegewezen. De contractuele rente is een vergoeding voor het beschikbaar stellen van de hoofdsom. Het nadeel als gevolg van latere terugbetaling is daarmee al gecompenseerd, zodat er geen grond is om voor deze termijnen ook nog de wettelijke (handels)rente toe te wijzen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.34.
CWB vordert hoofdelijk een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. CWB heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. CWB heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 5.337,50 hoofdelijk toegewezen.
Beslagkosten
5.35.
CWB vordert [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar, met dien verstande dat de kosten van deurwaardersexploten slechts verschuldigd zijn door de gedaagde ten laste van wie het beslag is gelegd. De beslagkosten worden vastgesteld op:
˗ € 3.977,87 € 3.977,87 voor deurwaardersexploten voor gedaagde onder 1,
˗ € 3.977,87 € 2.106,60 voor deurwaardersexploten voor gedaagde onder 2,
˗ € 3.977,87 € 2.106,60 voor deurwaardersexploten voor gedaagde onder 3,
˗ € 3.977,87 € 688,00 voor griffierecht en € 3.502,00 voor salaris advocaat (1 punt × € 3.502,00), totaal € 4.190,00 voor [gedaagden] hoofdelijk.
Proceskosten
de vordering (in conventie)
5.36.
[gedaagden] is het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CWB worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,12
- griffierecht
6.173,00
- salaris advocaat
7.004,00
(2 punten × € 3.502,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal
13.431,12
5.37.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.
de tegenvordering (in reconventie)
5.38.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten (inclusief nakosten) betalen in reconventie, die vanwege de verwevenheid met de vordering in conventie worden gehalveerd. De proceskosten van CWB worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(2 punten × 0,5 x € 614,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal
753,00
5.39.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.
de vordering en de tegenvordering (in conventie en in reconventie)
5.40.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook meteen moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

6.De beslissing

De rechtbank
de vordering (in conventie)
6.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan CWB te betalen een bedrag van € 712.500,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 12,5% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.190,00 voor alle gedaagden hoofdelijk, vermeerderd met € 3.977,87 voor gedaagde onder 1, € 2.106,60 voor gedaagde onder 2 en € 2.106,60 voor gedaagde onder 3,
6.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan CWB te betalen een bedrag van € 5.337,50 aan buitengerechtelijke kosten,
6.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 13.431,12, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
de tegenvordering (in reconventie)
6.6.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
6.7.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 753,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
voorts
6.8.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 tot en met 6.4, 6.7 en 6.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, rechter, bijgestaan door
mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.

Voetnoten

1.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (