Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met productie 1,
- het instructievonnis van 10 juni 2025,
- de aanvullende producties 13-17 van Rochdale, ontvangen op 2 oktober 2025.
Rechtbank Amsterdam
Rochdale vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens vermeende woonfraude, omdat de huurder zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde zou hebben. Rochdale baseert dit op meldingen van omwonenden en huisbezoeken waarbij de huurder niet werd aangetroffen, en op het ontbreken van persoonlijke spullen die duiden op hoofdverblijf.
De huurder voert verweer dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf in de woning heeft, ondanks zijn frequente afwezigheid vanwege sociale activiteiten en de situatie met zijn drugsverslaafde zoon die tijdelijk bij hem woonde. Hij verklaart op de bank te slapen en legt verklaringen van derden over zijn sociale betrokkenheid over.
De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat de huurder zijn hoofdverblijf elders heeft. De huisbezoeken en omstandigheden sluiten niet uit dat hij de nachten in de woning doorbrengt. Ook het feit dat een scootmobiel bij de woning staat, ondersteunt zijn stelling. De vorderingen van Rochdale worden daarom afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de huurder zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft.