ECLI:NL:RBAMS:2025:9009

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
25/3616
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • L.M. Klinkhamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugvordering bijstandsuitkering niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het terugvorderingsbesluit van 30 januari 2025 waarbij zij werd verplicht een bedrag van €17.662,73 terug te betalen over de periode van 23 november 2023 tot en met 31 januari 2025. Dit besluit volgde op de beëindiging van haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.

De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 behandeld, waarbij eiseres niet aanwezig was. De rechtbank stelde vast dat het beroepschrift van 12 juni 2025 geen gronden van beroep bevatte, terwijl dit op grond van artikel 6:5 Awb Pro verplicht is. Na een schriftelijke waarschuwing en een termijn om dit te herstellen, zijn alsnog geen beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft daarop de gemachtigde van eiseres verzocht de reden van het verzuim toe te lichten. De reactie dat er geen contact meer is met eiseres werd niet als een verschoonbare reden beschouwd. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/3616
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. W.H. Boomstra),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het terugvorderingsbesluit van 30 januari 2025 nadat haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet is beëindigd. Eiseres moet over de periode van 23 november 2023 tot en met 31 januari 2025 een bedrag van € 17.662,73 aan verweerder terugbetalen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 9 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van verweerder op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres, mr. F.M.M. van Eijck, en de gemachtigde van verweerder. Eiseres was niet aanwezig.
1.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op grond van de artikelen 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en 6:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk omdat er zonder verschoonbare redenen geen gronden zijn ingediend. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet een beroepschrift gronden van beroep te bevatten. Het beroepschrift van 12 juni 2025 bevat geen beroepsgronden. Bij bericht van 31 oktober 2025 is de gemachtigde van eiseres hierop gewezen en is een termijn gegeven om dit verzuim te herstellen tot uiterlijk vrijdag 7 november 2025. Ook na dit bericht zijn er geen beroepsgronden ingediend.
2.2.
Op 13 november 2025 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres op de hoogte gesteld dat de gronden van beroep niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen en is gevraagd naar de redenen voor dit verzuim. In de brief staat ook dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als er geen verschoonbare reden voor het verzuim is. Daarop is de reactie gegeven dat geen gronden konden worden geformuleerd, omdat er geen contact meer is met eiseres. Dat is een omstandigheid die naar het oordeel van de rechtbank voor risico van eiseres komt en vormt geen verschoonbare reden.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025 door
mr. L.M. Klinkhamer, rechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.