ECLI:NL:RBAMS:2025:9150

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
11469073
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incident voorlopige voorziening afgewezen in internationale rechtszaak met Deense procedure

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in een incident tot voorlopige voorziening. De eiser, die in persoon procedeert, vorderde een voorschot op loon en proceskosten in verband met een lopende procedure in Denemarken. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen op grond van litispendentie, aangezien er al een Deense procedure aanhangig was tussen de partijen. De kantonrechter oordeelde dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd was om van de provisionele vorderingen kennis te nemen, omdat de hoofdzaak was aangehouden en de Deense rechter zich nog niet onbevoegd had verklaard. De kantonrechter benadrukte dat de internationale bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam niet kon worden vastgesteld op basis van het forumkeuzebeding of de Brussel I-bis Verordening, omdat de hoofdzaak nog niet was beoordeeld. De eiser had niet aangetoond dat er geen restitutierisico was verbonden aan de gevorderde voorschotten, wat ook een reden was voor de afwijzing. De eiser werd veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde partijen, die op € 949,00 werden vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11469073 \ CV EXPL 24-16515
Vonnis in het incident van 28 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen

1.PAYMENT HOLDING APS,

gevestigd te [postcode] Copenhagen (Denemarken),
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] (Denemarken),
gedaagde partijen in de hoofdzaak en in het incident,
hierna samen te noemen: Payment c.s.
gemachtigde: mr. S.B. Metzelaar.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure is als volgt. De kantonrechter heeft op 6 mei 2025 vonnis gewezen in het opgeworpen incident tot aanhouding. In dat vonnis is de door Payment c.s. verzochte aanhouding van de hoofdzaak toegewezen. [eiser] heeft een voorwaardelijk incident ingesteld voor het geval de aanhouding zou worden toegewezen. Nu dat het geval is, dient op het voorwaardelijke incident te worden beslist. Omdat Payment c.s. nog niet hadden gereageerd op het voorwaardelijke incident, hebben zij daartoe een akte genomen.
1.2.
Ten slotte is vonnis in incident bepaald.

2.Het geschil in incident

2.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (i) Payment c.s. voor de duur van het geding hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op hetgeen hij vordert in de hoofdzaak (zoals vermeld in punt 3.1. van het vonnis in incident van 6 mei 2025) en (ii) Payment c.s. te veroordelen tot betaling van een voorschot op de redelijke werkelijke kosten van [eiser] in de Deense procedure tot een bedrag van € 12.500,00.
2.2.
[eiser] stelt – kort gezegd – dat van hem niet in redelijkheid kan worden gevergd dat hij moet wachten tot de Deense rechter een oordeel heeft gegeven. [eiser] heeft een voldoende dringend belang bij toewijzing van de provisionele vordering, nu hij het geld nodig heeft en de vordering tot toewijzing van zijn loon vaststaat. De internationale bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam blijkt uit het nietige forumkeuzebeding, dan wel uit artikel 23 of artikel 35 Verordening (EU) 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-bis). [eiser] heeft er daarnaast belang bij dat Payment c.s. veroordeeld worden in betaling van de proceskosten van [eiser] in de Deense procedure, omdat evident sprake is van misbruik van procesrecht zijdens Payment c.s. door het instellen van een kansloze vordering bij de Deense rechter. Dit is onrechtmatig en hierdoor lijdt [eiser] schade, omdat hij zich moet verweren in deze procedure.
2.3.
Payment c.s. voeren verweer. Payment c.s. concluderen tot afwijzing van de provisonele vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
2.4.
Payment c.s. stellen dat [eiser] met de provisionele vordering beoogt de geldende procedureregels te omzeilen. De vordering die [eiser] in dit incident instelt, is immers inhoudelijk gelijk aan hetgeen hij in de hoofdzaak heeft gevorderd. Een inhoudelijke beoordeling van de provisionele vordering zou daarom feitelijk neerkomen op een beoordeling van de hoofdzaak zelf, terwijl de Deense rechter bevoegd is om daarover te oordelen. Toewijzing van de provisionele vordering zou daarmee de bevoegdheid van de Deense rechter doorkruisen. Voor zover het door [eiser] gevorderde voorschot op de Deense proceskosten, geldt dat uit het vonnis van 6 mei 2025 reeds volgt dat er geen sprake is van misbruik van procesrecht aan de zijde van Payment c.s.. [eiser] heeft bovendien niet, althans niet gemotiveerd, gesteld dat Payment c.s. onrechtmatig zou hebben gehandeld. Van enig misbruik of onrechtmatige daad is dan ook geen sprake. Voorts betwist Payment c.s. de stelling van [eiser] dat sprake zou zijn van loon. Deze vraag maakt onderdeel uit van de procedure die in Denemarken aanhangig is. Nu de Nederlandse rechter onbevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen totdat de Deense rechter zich onbevoegd heeft verklaard, dient een kwalificatie van de gevorderde geldbedragen als loon thans achterwege te blijven. De gevraagde voorlopige voorzieningen zien daarmee op de betaling van een geldsom, waarbij het restitutierisico in aanmerking moet worden genomen. Ten slotte heeft [eiser] niet gesteld dat sprake is van enig spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorzieningen. Voor zover [eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij het voorschot op de proceskosten, brengt dit een groot restitutierisico met zich mee, omdat [eiser] dit voorschot direct zal uitgeven aan proceskosten en deze dan niet meer terug kan betalen aan Payment c.s..
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Het verweer van Payment c.s. komt er in de kern op neer dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd is om van de provisionele vorderingen van [eiser] kennis te nemen. Het oordeel van de kantonrechter is dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd is om daarvan kennis te nemen. De kantonrechter overweegt hiertoe het volgende.
3.2.
Vooropgesteld wordt dat tussen partijen vaststaat, zoals reeds is geoordeeld in r.o. 4.1 van het vonnis van 6 mei 2025, dat de zaak een internationaal karakter heeft en daarom op grond van de Brussel I-bis Verordening beoordeeld moet worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de provisionele vorderingen.
3.3.
Voor zover [eiser] betoogt dat uit het – naar zijn mening nietige – forumkeuzebeding en uit artikel 23 van de Brussel I-bis-Verordening zou volgen dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om van de provisionele vorderingen kennis te nemen, volgt de kantonrechter hem daarin niet. De hoofdzaak is immers reeds aangehouden. Dat betekent dat de kantonrechter zich op dit moment niet bevoegd acht om op de hoofdzaak te beslissen, zolang de Deense rechter zich niet onbevoegd heeft verklaard. De bevoegdheidsregels die zouden kunnen voortvloeien uit het gestelde forumkeuzebeding of artikel 23 Brussel I-bis, zijn daarom thans niet aan de orde.
3.4.
Artikel 35 Brussel I-bis bepaalt daarentegen dat ook indien de rechter niet bevoegd is kennis te nemen van het bodemgeschil, hij voorlopige of bewarende maatregelen kan gelasten. Onder ‘voorlopige of bewarende maatregelen’ in de zin van artikel 35 Brussel I-bis moeten worden verstaan de maatregelen die, met betrekking tot de onder het toepassingsgebied van Brussel I-bis vallende materies, bedoeld zijn om een feitelijke situatie of rechtssituatie in stand te houden ter bewaring van rechten waarvan de erkenning voor het overige wordt gevorderd voor de rechter die van het bodemgeschil kennisneemt. De rechter moet optreden met bijzondere behoedzaamheid en een gedegen kennis van de concrete omstandigheden waarin de maatregel effect moet sorteren, hetgeen impliceert dat hij zijn toestemming moet kunnen beperken in de tijd en, meer in het algemeen, aan zijn toestemming alle voorwaarden moet kunnen verbinden die het voorlopige of bewarende karakter ervan garanderen (zie HvJ EG 26 maart 1992, C-261/90,
NJ1996/315 (
Reichert/Dresdner Bank II) en HvJ EG 28 april 2005, C-104-03,
NJ2006/636 (
St. Paul Diary/Unibel).
3.5.
Voor beantwoording van de vraag of de provisionele vorderingen van [eiser] als voorlopige of bewarende maatregelen op grond van artikel 23 Brussel I-bis kunnen worden toegewezen, geldt het volgende.
Voorschot loonvordering
3.6.
[eiser] vordert allereerst betaling van een voorschot op, zoals hij stelt kort gezegd, loon. [eiser] gaat bij deze provisionele vordering echter voorbij aan het feit dat de rechtbank Amsterdam de hoofdzaak heeft aangehouden en daardoor (nog) niet heeft kunnen oordelen over de kwalificatie van de overeenkomst. Dat betekent dat niet vaststaat dat het hier gaat om een loonvordering. Als de kantonrechter zich in dit incident wel zou wagen aan de kwalificatie van de vordering, zou het oordeel de beslissing van de kantonrechter in de bodemrechter kunnen doorkruisen waardoor de bevoegdheidsregels van Brussel I-bis kunnen worden omzeild. Het gaat hier dus niet om een loonvordering, maar om betaling van een voorschot op een contractuele tegenprestatie. Een dergelijke vordering kan niet op grond van artikel 35 Brussel I-bis worden gelast, tenzij gegarandeerd is dat het toegewezen bedrag aan de verweerder wordt terugbetaald als de eiser in het bodemgeschil in het ongelijk mocht worden gesteld (HvJ EG 17 november 1998, nr. C-391/95, Jur. 1998, p. I-7091, NJ 1999, 339 (
Van Uden Maritime/Deco-Line). Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Payment c.s. hebben gemotiveerd gesteld dat er hier sprake is van een restitutierisico. [eiser] heeft op geen enkele wijze gegarandeerd (bijvoorbeeld door een bankgarantie of borgtocht) dat de provisionele vordering kan worden terugbetaald als hij in de bodemzaak ongelijk krijgt. Dit staat reeds in de weg aan het treffen van een voorlopige maatregel op grond van art. 35 Brussel I-bis.
Voorschot proceskosten
3.7.
De provisionele vordering van [eiser] strekt tevens tot een voorschot op de proceskosten die hij in de Deense procedure moet maken. [eiser] stelt dat hij hierbij belang heeft, nu hij zich moet verweren tegen wat hij aanduidt als een onrechtmatige procedure in Denemarken. Volgens [eiser] maken Payment c.s. misbruik van procesrecht door het instellen van die procedure, waardoor hij schade lijdt. Ter dekking van zijn proceskosten vordert [eiser] daarom een voorschot ‘die het voor hem mogelijk zal maken om deugdelijk te participeren in de Deense procedure’. De kantonrechter heeft in het vonnis van 6 mei 2025 (r.o. 4.21.–4.24.) reeds vastgesteld dat van misbruik van procesrecht door Payment c.s. geen sprake is. [eiser] kan aan zijn vordering dan ook geen onrechtmatige daad ten grondslag leggen. Wat resteert, is in wezen een vordering tot betaling van een geldsom ter financiering van zijn proceskosten in de Deense procedure. Een dergelijke vordering kan niet worden aangemerkt als een voorlopige of bewarende maatregel in de zin van artikel 35 Brussel I-bis. Dat [eiser] vergoeding van die proceskosten in de vorm van een voorschot vordert, maakt dit niet anders. Payment c.s. hebben er in dit verband terecht op gewezen dat [eiser] het gevorderde bedrag zal aanwenden om de procedure in Denemarken te bekostigen, hetgeen betekent dat de gelden zullen worden uitgegeven en dit een restitutierisico met zich brengt. Hoewel hier niet wordt verzocht om een voorschot in het kader van een contractuele rechtsverhouding, bestaat wel aanleiding om bij de daarbij gehanteerde maatstaf aan te knopen, nu hier sprake is van een geldbedrag waarvan de verschuldigdheid nog niet vaststaat en dat bovendien een aanzienlijk restitutierisico meebrengt. Reeds omdat terugbetaling niet is gegarandeerd als [eiser] in het Deense bodemgeschil in het ongelijk mocht worden gesteld, kan hij niet in zijn provisionele vordering ontvangen worden.
Conclusie
3.8.
De conclusie is dat beide provisionele vorderingen niet als voorlopige maatregel in de zin van artikel 35 Brussel I-bis kunnen worden aangemerkt en de kantonrechter zich daarom onbevoegd zal verklaren om daarvan kennis te nemen.
3.9.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Payment c.s. in het incident. De kosten van Payment c.s. worden begroot op € 949,00 (1 punt salaris gemachtigde en nakosten).

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
verklaart zich onbevoegd de incidentele vorderingen te behandelen en daarover te beslissen,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, aan de zijde van Payment c.s. tot op heden vastgesteld op € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
4.3.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289