De zaak betreft een geschil tussen broer en zus over de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder. De eisende partij stelt dat de boedelgevolmachtigde fouten heeft gemaakt door de nalatenschap zonder toestemming van alle erfgenamen te verdelen, wat heeft geleid tot schade.
De rechtbank oordeelt dat de boedelgevolmachtigde niet bevoegd was om zelfstandig tot verdeling over te gaan zonder instemming van alle erfgenamen. Hierdoor heeft zij onrechtmatig gehandeld. De schade wordt vastgesteld op €1.425, het verschil tussen het ontvangen erfdeel en het bedrag dat de eiser had moeten ontvangen als zijn onkosten van €1.900 waren voldaan.
De vordering tot immateriële schadevergoeding, het ontslag van de boedelgevolmachtigde en het overleggen van stukken worden afgewezen. De rechtbank wijst de overige vorderingen af en bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.