ECLI:NL:RBAMS:2025:9190

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
13/335392-24 (A) en 13/379050-24 (B) (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/004786-24, 13/209116-22 en 23/002189-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een man voor poging tot zware mishandeling en diefstal met een valse sleutel

Op 26 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 31-jarige man, die op 13 augustus 2024 in Amsterdam-Zuid een man tegen het hoofd en gezicht schopte. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden. De zaak omvatte twee hoofdpunten: zaak A, waarin de verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling van een getuige, en zaak B, waarin hij werd beschuldigd van diefstal van een geldbedrag van 25 euro door middel van een valse sleutel en opzetheling van een betaalpas. Tijdens de zitting op 12 november 2025 heeft de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, de vordering ingediend, en de verdediging werd vertegenwoordigd door mr. M.L. van Gaalen. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de poging tot doodslag, maar dat er wel sprake was van voorwaardelijk opzet op zware mishandeling. De verdachte werd vrijgesproken van de diefstal in vereniging, maar schuldig bevonden aan de diefstal met de valse sleutel en opzetheling. De rechtbank hield rekening met het strafblad van de verdachte en de ernst van de feiten bij het bepalen van de straf.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/335392-24 (A) en 13/379050-24 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/004786-24, 13/209116-22 en
23/002189-22
Datum uitspraak: 26 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaken tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [gebroortedag] 1994
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het (post)adres:
[adres] , [woonplaats] ,
(UAH) gedetineerd te: [naam Justitieel Complex] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht. Verder is de door de verdediging meegebrachte getuige, [naam getuige] , op de terechtzitting gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
zaak A:
(primair)poging tot doodslag dan wel
(subsidiair)poging tot zware mishandeling van [naam getuige] op 13 augustus 2024 in Amsterdam;
zaak B, feit 1:
diefstal van een geldbedrag van 25 euro van [slachtoffer] door middel van een valse sleutel op 5 oktober 2024 in Amsterdam;
zaak B, feit 2:
(primair)diefstal in vereniging dan wel
(subsidiair)opzetheling in vereniging van een betaalpas en/of een OV-chipkaart van [slachtoffer] op 5 oktober 2024 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Zaak A:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in zaak A primair tenlastegelegde poging tot doodslag op [naam getuige] (hierna: [naam getuige] ) kan worden bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer viermaal met geschoeide voet tegen het hoofd getrapt. De mate en intensiteit van dat geweld in combinatie met het onvermogen van het slachtoffer op dat moment om zichzelf daartegen te weren, maken dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [naam getuige] , welke kans verdachte bewust heeft aanvaard.
Zaak B:
De officier van justitie heeft aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de in zaak B onder 1 tenlastegelegde diefstal door middel van een valse sleutel. Verdachte heeft op verzoek van een vriend gepind met een bankpas die op naam stond van iemand anders, waarbij hem een beloning is beloofd. Hierdoor kan het niet anders dan dat hij wist dat deze bankpas van diefstal afkomstig was.
Verdachte moet volgens de officier van justitie worden vrijgesproken van de in zaak B onder 2 primair tenlastegelegde diefstal, omdat onvoldoende bewijs voorhanden is voor zijn betrokkenheid bij de woninginbraak waarbij de bankpas is weggenomen. Wel kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde opzetheling, aangezien verdachte een bankpas bij zich heeft gehad, waarvan hij wist dat deze was gestolen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Zaak A:
Volgens de raadsman moet verdachte integraal worden vrijgesproken van dit feit aangezien geen sprake was van opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – op de dood van, of op zwaar lichamelijk letsel bij [naam getuige] . Nu [naam getuige] aan de gedragingen van verdachte geen letsel heeft overgehouden kan bovendien niet worden geconcludeerd dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. Subsidiair kan volgens de raadsman maximaal worden gekomen tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Zaak B:
Primair heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier een medeverdachte, te weten [medeverdachte] , naar voren komt bij wie de bij de woninginbraak gestolen OV-chipkaart is aangetroffen. Nu deze medeverdachte niet is verhoord, dan wel zijn verhoor niet bij het dossier is gevoegd, is het dossier incompleet en moet verdachte worden vrijgesproken van beide in zaak B tenlastegelegde feiten.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die met de gestolen pinpas bij de avondwinkel heeft gepind, zodat hij ook om die reden moet worden vrijgesproken van de in zaak B onder 1 en 2 subsidiair, tenlastegelegde feiten.
Ten aanzien van het in zaak B onder 2 primair tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Zaak A
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 13 augustus 2024 in Amsterdam viermaal tegen het hoofd, waarvan driemaal in het gezicht, van [naam getuige] heeft getrapt. Hoewel [naam getuige] in korte tijd meerdere keren tegen zijn gezicht/hoofd is getrapt en de laatste trap (op de camerabeelden) indringend overkomt, zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er een aanmerkelijke kans op de dood van [naam getuige] bestond. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat de trappen van verdachte van een dusdanige kracht waren dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond dat zodanig letsel zou worden veroorzaakt waardoor [naam getuige] zou komen te overlijden. Uit het schoeisel dat verdachte droeg, te weten gymschoenen, kan dit evenmin worden afgeleid. Ook het letsel van [naam getuige] levert geen contra-indicatie voor het voorgaande oordeel, nu uit de verklaring van [naam getuige] en uit de bevindingen van de ter plaatse gekomen opsporingsambtenaar volgt dat zijn letsel, relatief gezien, licht van aard was.
Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Wel heeft verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat [naam getuige] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Verdachte heeft [naam getuige] , nadat hij door een ander naar de grond was gewerkt, viermaal met geschoeide voet tegen het hoofd en in het gezicht getrapt. Daarbij kan worden vastgesteld dat dit in ieder geval met enige kracht is gebeurd, omdat [naam getuige] bij de laatste trap met zijn hoofd neerviel op de grond en enige tijd (ogenschijnlijk) bewusteloos bleef liggen. Dergelijke geweldshandelingen, gericht tegen een kwetsbaar deel van het lichaam, maken dat naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een aanmerkelijke kans dat [naam getuige] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, bijvoorbeeld in de vorm van (permanent) hersenletsel, oogletsel of een gecompliceerde kaakbreuk. Naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging van verdachte heeft verdachte deze kans bewust aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [naam getuige] .
De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het in zaak A, subsidiair, tenlastegelegde feit.
3.3.2.
Zaak B, feit 1
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte op 5 oktober 2024 in de avondwinkel [naam avondwinkel] in Amsterdam een geldbedrag van 25 euro heeft afgerekend met een bankpas die op naam stond van [slachtoffer] .
Verdachte heeft op de terechtzitting uitdrukkelijk verklaard op die datum en plaats te hebben gepind. Bovendien blijkt het voorgaande ook op basis van de inhoud van het dossier. Zo volgt uit een screenschot van een bankafschrift dat er op 5 oktober 2024 om 05:29 uur 25 euro is afgeschreven van een bankrekening die op naam staat van [slachtoffer] door een betaalautomaat bij Avondwinkel [naam avondwinkel] . Door een medewerker van die avondwinkel zijn camerabeelden verstrekt waarop te zien is dat een persoon, die door een verbalisant is herkend als verdachte, de winkel op voornoemde datum en tijd inloopt. Via een e-mailbericht heeft de medewerker van de avondwinkel verklaard dat er op dat moment geen andere klanten in de winkel waren en dat verdachte de enige persoon was die op dat moment de winkel binnenkwam en 25 euro heeft afgerekend.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die op 5 oktober 2024 met een bankpas van [slachtoffer] heeft gepind waardoor 25 euro van de bankrekening van [slachtoffer] is afgeschreven. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het oogmerk had om zich het gepinde bedrag wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat het om een gestolen bankpas ging acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu daarop de naam van [slachtoffer] stond, onduidelijk was waarom verdachte en niet zijn vriend met de pas moest pinnen en verdachte bovendien als beloning voor het pinnen zelf een pakje sigaretten mocht houden. Na het pinnen heeft hij de pas meteen teruggegeven aan zijn vriend. Verdachte heeft ook op zitting op vragen van de rechtbank hierover geen logische verklaring gegeven, anders dan dat hij en zijn vriend wel vaker iets aan elkaar geven. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een geldbedrag door met de gestolen bankpas te pinnen (Zaak B onder 1).
3.3.3.
Zaak B, feit 2
Vrijspraak van diefstal in vereniging
Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de inhoud van het dossier onvoldoende bewijs voorhanden om enige betrokkenheid van verdachte vast te stellen bij de in zaak B onder 2 primair tenlastegelegde diefstal in vereniging. Verdachte wordt daarom van dit feit vrijgesproken.
Bewezenverklaring van opzetheling
Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder rubriek 3.3.2. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte op 5 oktober 2024 een betaalpas op naam van [slachtoffer] voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze betaalpas door misdrijf was verkregen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde opzetheling.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op medeplegen, omdat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking heeft gehad met een of meer anderen.
Verder is bij verdachte geen OV-chipkaart aangetroffen, zodat niet kan worden bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een OV-chipkaart. Daarom wordt hij ook voor dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak B onder 2, subsidiair, tenlastegelegde opzetheling van een betaalpas.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
zaak A:
op 13 augustus 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam getuige] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd en gezicht heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
zaak B, feit 1:
op 5 oktober 2024 te Amsterdam, giraal geld ter waarde van €25,-, dat aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met de betaalpas van voornoemde [slachtoffer] te pinnen in een avondwinkel;
zaak B, feit 2:
op 5 oktober 2024 te Amsterdam, een betaalpas (ten naam gesteld van [slachtoffer] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de reclassering heeft gerapporteerd dat bij verdachte recent sprake is van een licht positieve verandering in zijn gedrag. Dat is in lijn met wat verdachte op de terechtzitting heeft verklaard; hij heeft een omslagpunt bereikt en wil zijn gedrag veranderen, zodat hij er voor zijn dochter, vriendin en moeder kan zijn. Verder heeft de raadsman de rechtbank verzocht om in de strafmaat rekening te houden met de verklaring van [naam getuige] , waaruit volgt dat verdachte en slachtoffer het met elkaar hebben uitgesproken, en met de omstandigheid dat verdachte voor zijn moeder zorgt.
Gelet hierop heeft de raadsman de rechtbank verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft het slachtoffer viermaal op/tegen zijn hoofd en gezicht getrapt. Verdachte mag van geluk spreken dat het slachtoffer hier geen zwaarder letsel aan heeft overgehouden. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast heeft het feit ongetwijfeld gevoelens van onveiligheid teweeggebracht bij omstanders die hiervan getuige zijn geweest.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal en opzetheling. Door te pinnen met een gestolen bankpas heeft hij er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft hij gehandeld uit persoonlijk financieel gewin.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 oktober 2025. Verdachte heeft een omvangrijk strafblad en is eerder veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Kennelijk hebben eerdere veroordelingen hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de inhoud van de reclasseringsrapporten, waaronder het meest recente rapport van 2 april 2025, opgemaakt door S. van der Hem. Zakelijk weergegeven volgt uit de rapporten dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon van agressie gerelateerde strafbare feiten. Ook staat hij in Amsterdam geregistreerd als veelpleger. De financiën van verdachte, zijn sociaal netwerk, zijn psychosociaal functioneren, zijn houding en mogelijk middelengebruik zijn risicofactoren en lijken te hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de bewezenverklaarde strafbare feiten. Tijdens eerdere reclasseringstoezichten is geprobeerd om verschillende interventies op te starten, maar zijn deze niet van de grond gekomen. Bovendien is een recent reclasseringstoezicht negatief retour gezonden. In de praktijk is gebleken dat verdachte zich niet begeleidbaar opstelt en zich niet aan afspraken houdt. Hoewel zijn Werk, Participatie en Inkomen (WPI) consulent een lichte positieve verandering bij verdachte bemerkt en er sprake lijkt te zijn van enigszins toenemende motivatie, vindt de reclassering dat onvoldoende voor nieuw reclasseringstoezicht. De reclassering ziet dan ook geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Daarom adviseren zij bij een veroordeling om aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De in zaak B bewezenverklaarde feiten bestaan uit één feitencomplex dat zich binnen dezelfde tijd heeft afgespeeld en waarbij de feiten dezelfde strekking hebben, zodanig met elkaar zijn verweven en zozeer in elkaar opgaan dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. De rechtbank constateert daarom dat sprake is van eendaadse samenloop en zal daarmee rekening houden in de strafoplegging.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf is gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft zij aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor zware mishandeling en met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank in strafverminderende zin rekening met het feit dat ten aanzien van feit 1 sprake is van een poging. In strafverzwarende zin daarentegen houdt de rechtbank rekening met het omvangrijke strafblad van verdachte. Ook weegt zij in strafverzwarende zin mee dat verdachte ernstig geweld heeft toegepast door [naam getuige] , terwijl hij weerloos op de grond zat/lag, meermalen tegen zijn hoofd te trappen. Daarnaast weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat het feit op de openbare weg heeft plaatsgevonden. Tot slot zal de rechtbank, gelet op het advies van de reclassering, geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden. De rechtbank wijkt af van de door de officier van justitie geëiste straf, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.

8.De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich in zaak B als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van 3.390 euro aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering. De schadepost van onder meer het afgeschreven geld van de bankrekening van de partner van de benadeelde partij, te weten 25 euro, is al door de verzekeraar vergoed, zodat deze niet meer opnieuw in aanmerking komt voor een vergoeding.
De overige gevorderde schadeposten hebben betrekking op het in zaak B onder 2 primair tenlastegelegde feit en omdat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, is er geen rechtstreeks verband tussen deze schade en de feiten waarvoor verdachte wordt veroordeeld.

9.Tenuitvoerleggingen voorwaardelijke veroordeling

9.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in haar vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd bij parketnummer 23/002189-22, omdat deze al ten uitvoer is gelegd.
Ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen opgelegd bij parketnummers 13/004786-24 en 13/209116-22 heeft de officier van justitie aangevoerd dat aan alle wettelijke voorschriften is voldaan en er daarom aanleiding is om deze vorderingen toe te wijzen.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in haar vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd bij parketnummer 23/002189-22, omdat deze reeds ten uitvoer is gelegd.
Verder heeft de raadsman over de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen opgelegd bij parketnummers 13/004786-24 en 13/209116-22 bepleit dat deze moeten worden afgewezen, omdat, gelet op de Informatiestaat SKDB van verdachte, de mededelingen van de voorwaardelijke veroordelingen naar een onjuist adres zijn verstuurd. Verdachte was daarom niet van op de hoogte van deze vorderingen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering met parketnummer 23/002189-22:
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in haar vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd bij parketnummer 13/004786-24, omdat de door het gerechtshof Amsterdam bij voornoemd parketnummer opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf al ten uitvoer is gelegd.
Ten aanzien van de vordering met parketnummer 13/004786-24:
Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/004786-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 12 april 2024 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot twee weken, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. Deze mededeling is verstuurd naar het adres van verdachte dat op het Aantekening Mondeling Vonnis (AMV) van 12 april 2024 staat vermeld. Daarbij stond verdachte op dat moment op dat adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (Brp). Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de mededeling naar het juiste adres is verstuurd en dat verdachte daarom op de hoogte was van de aan hem opgelegde voorwaardelijke straf. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.
Verder is gebleken dat verdachte zich vóór het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.
Hiermee is voldaan aan alle wettelijke voorschriften.
De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten. Daarbij heeft zij er mede rekening mee gehouden dat verdachte een omvangrijk strafblad heeft en in meerdere proeftijden liep, waardoor hij een gewaarschuwd mens was.
Ten aanzien van de vordering met parketnummer 13/209116-22:
Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/209116-22, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 28 september 2022 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren en gevangenisstraf van één maand, met bevel dat deze gevangenisstraf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De proeftijd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf is op 12 april 2024 door de politierechter met één jaar verlengd.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. Ook deze mededeling is verstuurd naar het adres van verdachte dat op het AMV van 28 september 2022 staat vermeld. Ook op dit adres stond verdachte op dat moment ingeschreven in de Brp. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de mededeling naar het juiste adres is verstuurd en dat verdachte daarom op de hoogte was van de aan hem opgelegde voorwaardelijke straf. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.
Gebleken is dat verdachte zich vóór het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.
Hiermee is voldaan aan alle wettelijke voorschriften.
Ook ten aanzien van deze vordering ziet de rechtbank hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten, waarbij zij er mede rekening mee heeft gehouden dat verdachte een omvangrijk strafblad heeft en in meerdere proeftijden liep, waardoor hij een gewaarschuwd mens was.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 55, 57, 63, 302, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A primair, en in zaak B onder 2 primair, tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A subsidiair, en in zaak B onder 1 en 2 subsidiair, tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het in zaak A subsidiair bewezenverklaarde:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2, subsidiair, bewezenverklaarde:
eendaadse samenloop van:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels
en
opzetheling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeeltverdachte tot een
gevangenisstrafvan
8 (acht) maanden.
Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij] ,
niet-ontvankelijkin zijn vordering.
Verklaart de officier van justitie
niet-ontvankelijkin zijn vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/002189-22.
Wijst toede vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/004787-24 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Wijst toede vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/209116-22 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Deze beslissing is gegeven door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mrs. B.C. Langendoen en J.C.E. Krikke, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 november 2025.