ECLI:NL:RBAMS:2025:9195

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
C/13/746343 / FA RK 24-949
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van alimentatie ten behoeve van minderjarige en jongmeerderjarige in het kader van gewijzigde omstandigheden

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een alimentatiekwestie tussen een man en een vrouw, die in 2007 hun relatie hebben beëindigd. De man verzoekt om de alimentatie voor zijn minderjarige en jongmeerderjarige kinderen op nihil te stellen, omdat de minderjarige sinds april 2023 bij hem woont en de jongmeerderjarige, die in 2005 is geboren, volgens hem in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de wijziging van de alimentatie voor de minderjarige, maar de jongmeerderjarige heeft verweer gevoerd en stelt dat zij nog steeds behoefte heeft aan financiële ondersteuning, gezien haar studiefinanciering en andere inkomsten niet voldoende zijn om in haar levensonderhoud te voorzien. De rechtbank heeft de verzoeken van de man toegewezen, omdat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de verplichting tot het betalen van alimentatie niet langer gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de jongmeerderjarige onvoldoende heeft aangetoond dat zij behoeftig is, en heeft de alimentatie voor beide kinderen met ingang van de uitspraak op nihil gesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/746343 / FA RK 24-949
Beschikking van 28 november 2025 betreffende wijziging van alimentatie
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E.R. Hagenaars te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. Z. Taspinar te Amsterdam
en
[jongmeerderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats 2] .

1.De voortgang van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de man, ingekomen op 5 februari 2024;
  • het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 29 maart 2025.
1.2.
De minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken.
1.3.
Op 20 december 2024 heeft een mondelinge behandeling achter gesloten deuren plaatsgevonden. Verschenen zijn toen de man en zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de inmiddels jongmeerderjarige [jongmeerderjarige 1] niet zelf in de procedure is betrokken.
Vervolgens is bepaald dat er een nieuwe mondelinge behandeling zal volgen. .
1.4.
De rechtbank heeft nadien kennis genomen van de volgende stukken:
  • aanvullend verzoekschrift van de man, ingekomen op 23 januari 2025;
  • het verweerschrift van [jongmeerderjarige 1] met producties, ingekomen op 12 september 2025;
  • het F9-formulier van 14 september 2025 met financiële stukken van de vrouw;
  • het F9-formulier van 27 oktober 2025 van [jongmeerderjarige 1] met daaraan gehecht aanvullende producties.
1.5.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren is voortgezet op 31 oktober 2025 . Verschenen zijn de man en zijn advocaat, de vrouw, [jongmeerderjarige 1] en hun advocaat. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd in 2007.
2.2.
Uit de relatie zijn geboren:
- [minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 3] 2007,
hierna: [minderjarige] ;
- [jongmeerderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
hierna [jongmeerderjarige 1] ;
- [jongmeerderjarige 2] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2002 .
2.3.
De man heeft de kinderen erkend.
2.4.
[minderjarige] woont sinds april 2023 bij de man. [jongmeerderjarige 1] woont sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.
2.5.
Bij beschikking van 14 juni 2023 van deze rechtbank heeft de rechtbank vastgesteld hetgeen partijen overeen zijn gekomen ten aanzien van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderbijdrage). De man diende met ingang van 1 februari 2023 € 187,- per kind per maand aan kinderbijdrage aan de vrouw te betalen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat voornoemde bijdrages op nihil zullen worden gesteld.
3.2.
De man stelt dat [minderjarige] vanaf april 2023 volledig bij hem woont zodat om die reden de door hem te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] op nihil dient te worden gesteld.
De man stelt daarnaast dat [jongmeerderjarige 1] inmiddels jongmeerderjarig is en in haar eigen levensonderhoud kan voorzien zodat ook de kinderbijdrage voor haar op nihil moet worden gesteld. [jongmeerderjarige 1] heeft onvoldoende gesteld dat zij behoeftig is en waar haar behoefte uit bestaat. De man betwist dat uit de door haar overgelegde stukken, waaronder stukken waaruit blijkt dat er schulden zijn, een andere conclusie kan worden getrokken. De man vraagt zich af wat maakt dat die schulden er zijn. Is het niet zo dat er door [jongmeerderjarige 1] betere keuzes kunnen worden gemaakt zodat er geen schulden ontstaan.
Daarnaast geldt dat er al heel lang geen contact is tussen de man en [jongmeerderjarige 1] ; met een beroep op artikel 1:399 BW kan ook om die reden van de man in redelijkheid niet langer gevergd worden dat hij een bijdrage doet in haar levensonderhoud. Wat de man stoort is dat [jongmeerderjarige 1] niet genoeg lijkt te ondernemen om op eigen benen te gaan staan. De man betaalt al vanaf 2009 een bijdrage en er is al sinds 2017 geen contact, met uitzondering van een korte periode in 2022. [jongmeerderjarige 1] heeft het vertrouwen van de man geschaad door vertrouwelijke dingen te delen met anderen, aldus de man.
3.3.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man om de bijdrage voor [minderjarige] op nihil te stellen.
3.4.
[jongmeerderjarige 1] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De man is ook, totdat [jongmeerderjarige 1] 21 jaar is, verplicht om een bijdrage voor [jongmeerderjarige 1] te betalen. [jongmeerderjarige 1] volgt een mbo opleiding in de zorg, heeft fysieke en mentale klachten, waaronder eetproblemen en slaapproblemen. Zij volgt een traject bij de psycholoog en is in begeleiding bij Jongerenpunt [stadsdeel] . Zij werkt niet en dat kan zij ook nog niet. [jongmeerderjarige 1] ontvangt maandelijks een studietoeslag van de gemeente van € 293,37 per maand en studiefinanciering alsmede een voorschot zorgtoeslag van € 131 per maand. Zij woont bij de vrouw en heeft maandelijkse lasten bestaande uit de premie zorgverzekering, kosten voor de tandarts, lesgeld, kosten voor eten en drinken, telefoonkosten en het abonnement Spotify. [jongmeerderjarige 1] betaalt ook tikkies die haar moeder haar stuurt voor bepaalde kosten. De vrouw heeft geen inkomen en heeft schulden zodat zij niet in staat is om een bijdrage in de kosten van [jongmeerderjarige 1] te voldoen. [jongmeerderjarige 1] heeft intussen ook schulden, waaronder een schuld aan de tandarts. [jongmeerderjarige 1] heeft veel te verduren gehad en heeft het financieel zwaar. Voor het beroep op artikel 1:399 BW is onvoldoende door de man gesteld. [jongmeerderjarige 1] heeft op de verjaardag van de man hem nog een felicitatie sms gestuurd. De man dient het overeengekomen bedrag van € 187 met de wettelijke indexering te blijven voldoen. Indien de rechtbank het verzoek toewijst verzoekt [jongmeerderjarige 1] geen terugbetalingsverplichting op te leggen. De man heeft tot en met september 2025 de alimentatie betaald.
De rechtbank overweegt als volgt.
3.5.
Voor zover het verzoek van de man ziet op [minderjarige] wordt dit toegewezen , omdat tegen het verzoek geen verweer is gevoerd.
3.6.
Voor zover het verzoek ziet op [jongmeerderjarige 1] wijst de rechtbank het verzoek eveneens toe. . Redengevend voor deze beslissing is het volgende.
3.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat een herbeoordeling van de verplichting een onderhoudsbijdrage te betalen op zijn plaats is. Voor de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarigen, meestal studerenden die onder de reikwijdte van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF) vallen, zijn geen maatstaven ontwikkeld. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan in het algemeen bij de WSF-norm (normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, vermeerderd met het verschuldigde lesgeld of collegegeld) aansluiting gezocht worden, waarbij de student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is. Verder kan rekening worden gehouden met de aanspraken die een student heeft op studiefinanciering.
3.8.
Volgens haar eigen mededeling ontvangt [jongmeerderjarige 1] thans studiefinanciering, daarnaast een uitkering van de gemeente van € 293,37 per maand alsmede een voorschot zorgtoeslag van € 131 per maand.
3.9.
Volgens de WSF-norm 2025 heeft [jongmeerderjarige 1] recht op een basisbeurs èn aanvullende beurs van in totaal € 532 waarbij geldt dat als ze MBO niveau 1 en 2 volgt, het om - naast de basisbeurs van € 103,78 -, om een gift gaat en als het om MBO niveau 3,4 gaat, het om een prestatiebeurs gaat. In deze beurs is het lesgeld, indien dit moet worden betaald, is verdisconteerd. In het normbedrag van de WSF is de zorgtoeslag al verdisconteerd. De zorgtoeslag hoeft dus niet apart nog in mindering te worden gebracht op de behoefte.
Hoewel [jongmeerderjarige 1] heeft aangevoerd dat zij in feite hogere lasten heeft, en dat deze niet worden gedekt door dit bedrag voor de behoefte als uitgangspunt te nemen, heeft [jongmeerderjarige 1] naast deze beurs ook via de gemeente een maandelijkse studietoelage van € 293,37 per maand. De rechtbank is van oordeel dat mede opk grond van deze inkomsten, [jongmeerderjarige 1] onvoldoende heeft gesteld – en tegenover de betwisting onderbouwd - dat zij nog behoeftig is voor een bedrag dat boven deze inkomsten uitkomt. Dit betekent dat er nu geen reden bestaat voor een verplichting van de man om een bijdrage te voldoen. Het verzoek van de man zal daarom worden toegewezen. Omdat -net als voor de bijdrage voor [minderjarige] - geen andere ingangsdatum is verzocht zal de rechtbank het verzoek toewijzen met ingang van heden.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 14 juni 2023 in zoverre:
4.1.
stelt de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van
[minderjarige]met ingang van heden op nihil;
4.2.
stelt de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van
[jongmeerderjarige 1], met ingang van heden op nihil;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van den Berg, griffier, op 28 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.