In deze zaak vordert de verhuurder ontruiming van een bedrijfsruimte met woonfunctie vanwege een aanzienlijke huurachterstand van €42.251,57 tot en met november 2025, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De huurder, die tevens in het gehuurde woont, betwist de vordering deels en stelt dat zij de huurbetaling heeft opgeschort vanwege gebreken en een vermeende huurkorting vanwege Corona.
De kantonrechter oordeelt dat de huurder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij de huur geheel mag opschorten en dat er onvoldoende bewijs is voor een huurkorting. De huurachterstand wordt dan ook toegewezen. De ontruiming wordt eveneens toegewezen, maar met een termijn (terme de grace) vanwege het langdurige huurcontract en het belang van de huurder om de woonruimte te behouden.
De buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd tot €1.184,46 conform wettelijke richtlijnen. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, incassokosten, proceskosten en maandelijkse gebruiksvergoeding vanaf december 2025 tot ontruiming. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en ontruiming kan met inzet van de deurwaarder worden afgedwongen.