ECLI:NL:RBAMS:2025:9314

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
11945519
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 555 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte met woning wegens grote huurachterstand toegewezen met termijn

In deze zaak vordert de verhuurder ontruiming van een bedrijfsruimte met woonfunctie vanwege een aanzienlijke huurachterstand van €42.251,57 tot en met november 2025, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De huurder, die tevens in het gehuurde woont, betwist de vordering deels en stelt dat zij de huurbetaling heeft opgeschort vanwege gebreken en een vermeende huurkorting vanwege Corona.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij de huur geheel mag opschorten en dat er onvoldoende bewijs is voor een huurkorting. De huurachterstand wordt dan ook toegewezen. De ontruiming wordt eveneens toegewezen, maar met een termijn (terme de grace) vanwege het langdurige huurcontract en het belang van de huurder om de woonruimte te behouden.

De buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd tot €1.184,46 conform wettelijke richtlijnen. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, incassokosten, proceskosten en maandelijkse gebruiksvergoeding vanaf december 2025 tot ontruiming. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en ontruiming kan met inzet van de deurwaarder worden afgedwongen.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten, proceskosten en ontruiming van het gehuurde met een termijn en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11945519 \ KK EXPL 25-763
Vonnis in kort geding van 20 november 2025
in de zaak van
de vereniging
[naam vereniging],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigden: mr. H.M. Hielkema en mr. A. Ekkel,
tegen

1.de commanditaire vennootschap [gedaagde 1] C.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. J.P. Van Oudenhoven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 4 november 2025, met producties,
  • de producties van [gedaagden] van 12 november 2025, en
  • de aanvullende producties van [eiser] .
1.2.
De zaak is besproken tijdens de mondelinge behandeling op 13 november 2025. Namens [eiser] zijn mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben tijdens de zitting hun standpunten toegelicht, [gedaagden] aan de hand van de overgelegde spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is een datum voor vonnis bepaald.

2.De uitgangspunten

2.1.
[gedaagden] huurt sinds 1 juli 2007 de winkelruimte met woonruimte gelegen op de begane grond aan de [adres] (hierna: het gehuurde) van verhuurder [eiser] . De maandelijkse huurprijs bedraagt € 1.350,62.
2.2.
In de huurovereenkomst is onder meer bepaald dat het gehuurde bestemd is om te worden gebruikt als winkel/atelierruimte met als atelier voor multimedia en internetbedrijf. [gedaagden] is tevens woonachtig in het gehuurde.
2.3.
Na klachten van [gedaagden] over vocht- en ventilatieproblemen in het gehuurde zijn op 15 december 2023 tussen partijen schriftelijke afspraken gemaakt over de herstelwerkzaamheden en op 24 mei 2024 zijn deze werkzaamheden opgeleverd.
2.4.
Sinds medio 2024 heeft [gedaagden] geen huurbetalingen meer gedaan.
2.5.
Er is op dit moment sprake van een lekkage in de keukenaanbouw van het gehuurde ondanks de eerder uitgevoerde funderingswerkzaamheden. Daarom heeft [eiser] herstelwerkzaamheden aan de buitenmuur van de keukenaanbouw van het gehuurde ingepland voor november 2025.

3.De vordering

3.1.
[eiser] vordert in dit kort geding dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot betaling van € 42.251,57 aan achterstallige huur tot en met november 2025, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, ontruiming van het gehuurde, betaling van een gebruiksvergoeding van € 1.305,62 per maand tot het moment van ontruiming, betaling van € 6.141,89 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.2.
Zij legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] de huur niet tijdig en volledig heeft betaald.
3.3.
[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van de partijen zal hieronder voor zover van belang nader worden ingegaan

4.De beoordeling

Toetsingskader kort geding
4.1.
In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en van de eisende partij niet kan worden gevergd om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.
Spoedeisend belang
4.2.
Voor het toewijzen van een vordering in kort geding is verder een spoedeisend belang vereist. [gedaagden] heeft het spoedeisend belang betwist. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] naar haar aard spoedeisend is. Daarbij is tevens van belang dat [gedaagden] tijdens de zitting heeft toegelicht dat zij op dit moment de huurachterstand of een deel hiervan niet direct kan betalen.
Huurachterstand
4.3.
Hoewel [gedaagden] ook in het gehuurde woont, wordt zij niet aangemerkt als consument, aangezien zij de huurovereenkomst voornamelijk is aangegaan voor de uitoefening van het bedrijf in de winkelruimte en [gedaagden] niet aannemelijk heeft gemaakt dat partijen de bedoeling hadden om enkel een huurovereenkomst te sluiten ten aanzien van uitsluitend de woonruimte.
4.4.
[eiser] vordert betaling van de huurachterstand, die zij heeft becijferd op € 42.251,57 berekend tot en met november 2025. [gedaagden] heeft deze huurachterstand niet betwist, maar heeft als verweer aangevoerd dat zij de betaling van de huur heeft opgeschort, althans dat zij minder hoeft te betalen vanwege gebreken aan het gehuurde en een te verrekenen huurkorting vanwege Corona. Dat verweer faalt. [gedaagden] heeft onvoldoende gemotiveerd dat zij een grond heeft om de huurbetaling volledig op te schorten en er is onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagden] recht heeft op een huurkorting. De kantonrechter begrijpt dat de lekkage en aanwezigheid van schimmel in het gehuurde het woongenot van [gedaagden] beperken maar dit ontslaat haar niet uit haar verplichting om de maandelijkse huurprijs te voldoen. Het had op haar weg gelegen om zelf een procedure te starten of een tegenvordering in te stellen. Maar dit heeft zij niet gedaan. De huurachterstand tot en met november 2025 is dan ook toewijsbaar zoals gevorderd.
4.5.
Omdat [gedaagden] te laat is met het betalen van de verschillende huurtermijnen zal de gevorderde wettelijke handelsrente over de huurachterstand ook worden toegewezen.
Ontruiming gehuurde
4.6.
De omvang van de huurachterstand maakt de vordering tot ontruiming van het gehuurde vooruitlopend op de bodemprocedure in beginsel toewijsbaar. Gelet op de mededeling van [gedaagden] dat zij een van haar appartementen in [plaats] verkoopt is het niet uitgesloten dat zij in staat is de huurachterstand op korte termijn aan te zuiveren. Die omstandigheid, de duur van de huurovereenkomst en het zwaarwegende belang van [gedaagden] om het gehuurde ook als woonruimte te behouden geeft de kantonrechter aanleiding om de gevorderde ontruiming slechts onder de in de beslissing te vermelden voorwaarden toe te wijzen.
Buitengerechtelijke kosten
4.7.
[eiser] vordert een bedrag van € 6.141,89 aan vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagden] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Een bedrag van € 1.184,46 zal daarom worden toegewezen.
Proceskosten
4.8.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
1.461,00
- salaris advocaat
543,00
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.219,54

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om te betalen aan [eiser] € 42.251,57 aan achterstallige huur tot en met 30 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.184,46 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 2.219,54 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
en voorts voor het geval [gedaagden] binnen één maand na vandaag niet alle tot op dat moment vervallen huurtermijnen heeft voldaan
5.4.
veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen het gehuurde gelegen aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] , welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde,
5.5.
veroordeelt [gedaagden] om te betalen aan [eiser] € 1.350,62 per maand of gedeelte van de maand vanaf 1 december 2025 tot het moment van ontruiming,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. Heida, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.
61291