ECLI:NL:RBAMS:2025:9357

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
C/13/762732 / HA ZA 25-85
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van achterstallige facturen en rente in een handelsrelatie tussen een Nederlandse en een Duitse onderneming

In deze civiele zaak vordert eiser, een Nederlandse ondernemer die teeltmateriaal levert, betaling van achterstallige facturen en rente van gedaagde, een Duits tuinbouwbedrijf. De rechtbank heeft vastgesteld dat gedaagde geen openstaande facturen erkent en zich beroept op verjaring van de vordering. De rechtbank oordeelt dat eiser een vordering heeft op gedaagde en dat er rente van 10% verschuldigd is. De vraag of de vordering is verjaard, dan wel of de verjaring op tijd is gestuit, is onderwerp van nadere bewijslevering. De rechtbank heeft eerder in een incident bepaald dat zij internationaal bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, en dit is door het hof bekrachtigd. De procedure omvat diverse aanmaningen en correspondentie tussen partijen over de openstaande bedragen, waarbij eiser stelt dat gedaagde niet volledig heeft betaald ondanks herhaalde verzoeken. De rechtbank heeft de zaak aangehouden voor bewijslevering over de stuiting van de verjaring en de hoogte van de vordering.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/762732 / HA ZA 25-85
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[naam 1], handelend onder de naam
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.J. Linker,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[naam GMBH],
gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.L.W. Schwillens.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] vordert achterstallige betalingen van facturen en rente. Volgens [gedaagde] zijn er geen openstaande facturen, hoeft zij geen rente te betalen, en is een eventuele vordering van [eiser] verjaard. De rechtbank beslist dat [eiser] een vordering heeft op [gedaagde] en dat daarover rente van 10% is verschuldigd. Of die vordering is verjaard, dan wel of de verjaring op tijd door [eiser] is gestuit is onderwerp van nadere bewijslevering door [eiser] .

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de handelingen in de zaak met zaaknummer C/13/714366 / HA ZA 22-183:
- het vonnis in incident van 24 augustus 2022, en de daarin genoemde stukken. In dit vonnis heeft deze rechtbank zich internationaal bevoegd verklaard om van deze zaak kennis te nemen. [gedaagde] heeft tegen dit vonnis op 26 november 2022 tussentijds hoger beroep ingesteld,
- de ambtshalve doorhaling van de zaak op de rol van 5 april 2023,
- het arrest van gerechtshof Amsterdam van 24 september 2024 met zaaknummer 200.319.971/01, waarin het vonnis in incident van 24 augustus 2022 is bekrachtigd,
- het verzoek van [eiser] van 15 januari 2025 om de zaak weer op te brengen,
- het bericht van de griffier van 16 januari 2025 dat de zaak onder zaaknummer C/13/762732 / HA ZA 25-85 op de rol van 22 januari 2025 is gebracht,
de handelingen in de zaak met zaaknummer C/13/762732 / HA ZA 25-85:
- de akte houdende wijziging van eis en overlegging van nadere producties van [eiser] van 22 januari 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 16 april 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 september 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 2 september 2025 die zich in het dossier bevinden.
2.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

3.De feiten

3.1.
[eiser] koopt plant- en teeltmateriaal in en verkoopt en levert deze op bestelling aan afnemers.
3.2.
[gedaagde] is een Duits tuinbouwbedrijf gespecialiseerd in het kweken van hortensia’s.
3.3.
[gedaagde] kocht teeltmateriaal in bij [eiser] , waarna [gedaagde] het teeltmateriaal opkweekte tot grotere planten. [eiser] kocht op haar beurt bij [gedaagde] hortensia’s in. Aan de handelsrelatie lag geen schriftelijke koop- of raamovereenkomst ten grondslag.
3.4.
Als [gedaagde] een bestelling had gedaan bij [eiser] , ontving [gedaagde] per fax een leverplanning en een afleverbon per (deel)bestelling. Van de bestellingen werden door [eiser] facturen opgemaakt die persoonlijk werden overhandigd door [eiser] als hij [gedaagde] bezocht op zijn bedrijf in Duitsland. Tijdens die bezoeken nam [eiser] ook overzichten mee van nog openstaande bedragen.
3.5.
Op alle facturen van [eiser] aan [gedaagde] staat dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat [gedaagde] een kopie van deze voorwaarden heeft ontvangen. De facturen van 2002 verwijzen naar de algemene voorwaarden 886/1130 (hierna: de VGB-voorwaarden), de facturen daarna verwijzen naar de algemene voorwaarden van Plantum (hierna: de Plantum-voorwaarden). Beide sets algemene voorwaarden worden hierna samen de algemene voorwaarden genoemd.
3.6.
Artikel 7.1 van de VGB-voorwaarden en artikel 7.3 van de Plantum-voorwaarden luiden voor zover relevant als volgt:
‘Koper is niet bevoegd op de te betalen koopprijs enig bedrag wegens een door hem gestelde tegenvordering in mindering te brengen.’
3.7.
Artikel 7 lid 8 van de Plantum-voorwaarden luidt als volgt:
“Is de koper in verzuim of schiet hij op andere wijze tekort in het nakomen van een van zijn verplichtingen, dan komen alle redelijke kosten ter verkrijging van voldoening, zowel de gerechtelijke als buitengerechtelijke voor zijn rekening.”
3.8.
Artikel 10.5 van de Plantum-voorwaarden luidt als volgt:
“Klachten met betrekking tot zichtbare gebreken, waaronder die over getal, maat of gewicht van het geleverde, dienen uiterlijk binnen twee dagen na aflevering aan de verkoper kenbaar worden gemaakt en binnen acht dagen schriftelijk aan verkoper te worden medegedeeld.”
3.9.
Artikel 12.1 van de VGB-voorwaarden en artikel 14.1 van de Plantum-voorwaarden luiden als volgt:
“Op alle overeenkomsten waarop deze algemene voorwaarden geheel of gedeeltelijk betrekking hebben is het Nederlandse recht van toepassing.”
3.10.
In de facturen van de periode van 2002 tot 2004 staat steeds de volgende zin: “Zins 10% ab Lieferdatum.” In alle facturen vanaf 2005 staat in plaats daarvan: “Über Bezahlungen die nicht innerhalb 30 Tagen nach Lieferdatum erfolgen ist 10% Zins zu bezahlen.”
3.11.
In juni 2011 heeft [eiser] voor het laatst producten aan [gedaagde] geleverd. De factuur van die levering is gedateerd op 5 augustus 2011.
3.12.
Op 13 januari 2012 heeft [gedaagde] een fax gestuurd aan [eiser] . Daarin staat dat [gedaagde] het niet eens is met de vordering van [eiser] en dat de renteberekeningen en diverse facturen onjuist zijn. [gedaagde] heeft in die fax verder geschreven geen verdere renterekeningen meer te accepteren totdat [eiser] de zaak heeft opgehelderd.
3.13.
Op 21 januari 2012 heeft [gedaagde] per fax een klacht gestuurd aan [eiser] over een volgens haar verkeerd geleverde partij teeltmateriaal in het voorjaar van 2011. [eiser] heeft die klacht betwist bij fax van 6 februari 2012.
3.14.
Op 26 juli 2012 heeft [gedaagde] een bedrag van € 78.671,32 overgemaakt aan [eiser] met de omschrijving “Schluβzahlung der noch offenen Altrechnungen, Fehllieferungen, Ausfall und Warenlieferungen sind als Zinsen zu Werten.”
3.15.
In een e-mail van 30 december 2017 heeft [eiser] [gedaagde] aangemaand tot betaling van € 557.258,56.
3.16.
In reactie daarop heeft [gedaagde] op 29 januari 2018 – samengevat – aan [eiser] gemaild dat i) de vorderingen van [eiser] ongegrond en onbegrijpelijk zijn, ii) dat zij in 2012 een eindbetaling heeft verricht en dat zij de zaak als gesloten beschouwt, omdat [eiser] sindsdien niets meer van zich heeft laten horen en iii) zij niet aan de aanmaning van 30 december 2017 zal voldoen.
3.17.
[eiser] heeft in de periode van 1 september 2018 tot en met 1 september 2021, per e-mail en per aangetekende post, aanmaningen verstuurd aan [gedaagde] .

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert na eiswijziging – samengevat – dat de rechtbank [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt tot betaling van:
primair:
- € 1.983.398,35, te vermeerderen met 12% rente over dit bedrag vanaf 2 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
subsidiair:
- € 1.360.613,49, te vermeerderen met 10% rente over dit bedrag vanaf 2 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
meer subsidiair:
- € 977.444,73, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 2 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
in alle gevallen:
  • de buitengerechtelijke kosten van € 1.460,47;
  • de (werkelijke) proceskosten;
  • de kosten voor de vertaling van de dagvaarding van € 1.353,63;
  • de betekeningskosten en nakosten;
  • te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[eiser] legt – samengevat – het volgende aan de vorderingen ten grondslag. [eiser] heeft tussen 2002 en 2011 teeltmateriaal geleverd aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft de facturen voor die leveringen en de daarover verschuldigde rente sinds 2002, ondanks het voortdurend sturen van betalingsherinneringen en aanmaningen, niet (volledig) betaald.
4.3.
[gedaagde] voert verweer en betwist dat er nog openstaande facturen zijn en dat over deze facturen rente is verschuldigd. Daarnaast doet [gedaagde] een beroep op verjaring, rechtsverwerking en eigen schuld.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De vorderingen zijn door de juiste partij ingesteld
5.1.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat [eiser] geen vordering op haar heeft omdat de eenmanszaak met die naam pas sinds 2016 is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Volgens [gedaagde] kan de eenmanszaak [eiser] dus niet haar contractspartij zijn geweest bij de leveringen in deze zaak.
5.2.
Zoals [eiser] terecht aanvoert, zijn de vorderingen ingesteld door [naam 1] als privépersoon. [naam 1] handelt onder de naam [eiser] en heeft zich als zodanig op enig moment ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Dat doet aan het vorderingsrecht van [naam 1] niet af. Bovendien heeft een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen, zodat [naam 1] en [eiser] juridisch geen van elkaar te onderscheiden entiteiten zijn. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit verweer van [gedaagde] .
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.3.
Bij vonnis in incident van 24 augustus 2022 heeft deze rechtbank zich internationaal bevoegd verklaard om van deze zaak kennis te nemen, omdat – kort gezegd – de plaats van levering van de goederen in Nederland heeft plaatsgevonden. Bij arrest in incident van 24 september 2024 heeft het hof Amsterdam dit vonnis bekrachtigd. Het hof heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter – naast de plaats van levering – aanvullend gegrond op het forumkeuzebeding in de toepasselijke algemene voorwaarden. [1] [gedaagde] heeft geen cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest, zodat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter vaststaat.
5.4.
Vervolgens moet het toepasselijk recht worden vastgesteld. De vorderingen van [eiser] zijn gegrond op een contractuele verbintenis, namelijk nakoming, zodat het toepasselijk recht moet worden vastgesteld aan de hand van de Rome I-Verordening. [2] Partijen zijn in de algemene voorwaarden een rechtskeuze voor Nederlands recht overeengekomen, zodat op grond van artikel 3 van de Rome I-Verordening Nederlands recht van toepassing is.
Heeft [eiser] een vordering op [gedaagde] ?
5.5.
[gedaagde] doet een beroep op verjaring en rechtsverwerking. Alvorens deze verweren te beoordelen zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of [eiser] een vordering heeft op [gedaagde] .
5.6.
Ter onderbouwing van zijn vorderingen heeft [eiser] een overzicht overgelegd van 1 november 2021. In dit overzicht staan facturen van partijen over en weer, de betalingen van [gedaagde] , de renteberekeningen en de totalen, alles vanaf februari 2002 tot en met januari 2012. Daarnaast heeft [eiser] een aantal recentere renteberekeningen in geding gebracht.
5.7.
[gedaagde] erkent dat zij vanaf 2002 facturen van [eiser] niet volledig heeft betaald, maar betwist het door [eiser] overgelegde overzicht en de renteberekeningen. [eiser] heeft tenminste vijf verrekeningen met facturen van [gedaagde] , twee betalingen door [gedaagde] , en één reclamatie van [gedaagde] niet meegenomen. Deze niet meegenomen bedragen overstijgen het totaalsaldo van de volgens [eiser] openstaande facturen ruimschoots. Ook had [gedaagde] een positieve betalingsbalans voor de startdatum van het overzicht, aldus steeds [gedaagde] .
5.8.
[eiser] stelt dat hij deze verrekeningen, betalingen en de reclamatie niet hoefde te betrekken in zijn vordering. Verrekening is contractueel uitgesloten in de algemene voorwaarden. Bovendien zijn sommige facturen al verrekend of nooit ontvangen door [eiser] . Verder zijn ook niet alle betalingen van [gedaagde] ontvangen, aldus nog steeds [eiser] .
Verrekeningen van facturen van [gedaagde] aan [eiser]
Verrekening toegestaan
5.9.
Partijen zijn het niet eens over de vraag of facturen van [gedaagde] aan [eiser] verrekend mogen worden met facturen van [eiser] . [eiser] wijst op het verrekenverbod zoals opgenomen in de algemene voorwaarden (zie onder 3.6). [gedaagde] meent dat deze voorwaarden niet van toepassing waren op de onderhavige handelsrelatie.
5.10.
Het hof heeft in het arrest van 26 november 2022 geoordeeld dat de VBG- en Plantum-voorwaarden respectievelijk vanaf 2002 en 2003 van toepassing waren. [3] Zoals het hof heeft overwogen, heeft [gedaagde] namelijk – nadat [eiser] haar meermaals had gewezen op de toepasselijkheid van deze voorwaarden – zonder enig voorbehoud de geleverde goederen aanvaard, de facturen (ten dele) betaald en nieuwe orders bij [eiser] geplaatst. [gedaagde] heeft in dit oordeel berust en geen cassatie ingesteld.
5.11.
De rechtbank constateert echter dat partijen in de praktijk geen gevolg hebben gegeven aan het in de algemene voorwaarden opgenomen verrekenverbod. Tijdens de gehele handelsrelatie zijn over en weer facturen met elkaar verrekend. Dit blijkt uit de facturen van [eiser] en de door [eiser] overgelegde overzichten. [eiser] kan dan ook geen beroep meer doen op het verrekenverbod uit de algemene voorwaarden. De facturen van [gedaagde] aan [eiser] moeten verrekend worden met de vordering van [eiser] .
5.12.
[gedaagde] doet een beroep op verrekening van de volgende vijf facturen/leveringen:
  • factuur van 15 juli 2001 van € 1.999,62;
  • factuur van 5 december 2001 van € 13.856,91;
  • facturen van 13 december 2001 en 6 maart 2002 van in totaal € 10.254,47;
  • factuur van 1 juli 2002 van € 27.902,57;
  • leveringen met ordernummer [nummer] van in totaal € 29.769,69.
5.13.
Ook als verrekening wel is toegestaan, betwist [eiser] dat [gedaagde] de bovenstaande facturen kan verrekenen. Daarom zal hierna per factuur worden beoordeeld of deze moet betrokken in de afrekening tussen partijen.
Facturen van 15 juli 2001 en 5 december 2001
5.14.
[eiser] heeft aangevoerd dat deze facturen al in mindering zijn gebracht op een eerdere factuur van [eiser] aan [gedaagde] . De rechtbank volgt [eiser] in dit standpunt. Uit de door [eiser] als productie 47 overgelegde fax van mei 2002 blijkt dat deze facturen verrekend zijn met facturen van [eiser] . Na verrekening resteerde een door [gedaagde] aan [eiser] te betalen bedrag van € 27.447,15. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de facturen zijn verrekend met een factuur van [eiser] , maar [eiser] zou volgens [gedaagde] geen rekening houden met het feit dat het resterende bedrag van € 27.447,15 wel door [gedaagde] is betaald. [eiser] heeft ter zitting bevestigd dat het bedrag door [gedaagde] is betaald. Dat is ook de reden dat in het overzicht van 1 november 2021 niet wordt begonnen met een schuld van [gedaagde] , maar een positief saldo van € 10.254,47. De vorderingen van [gedaagde] van € 1.999,62 en € 13.856,91 zijn derhalve betaald en kunnen dus niet meer worden verrekend.
Facturen van 13 december 2001, 6 maart 2002 en 1 juli 2002
5.15.
[eiser] heeft in de door haar overgelegde renteberekeningen de facturen van [gedaagde] van 13 december 2001, 6 maart 2002 en 1 juli 2002 van in totaal € 10.254,47 en € 27.902,57 niet betrokken. Dat is ten onrechte. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat [eiser] zelf steeds is uitgegaan van de verrekening van deze bedragen. De bedragen zijn wel meegenomen in de berekeningen die ten grondslag lagen aan de aanmaningen die [eiser] in ieder geval vanaf 2018 heeft gestuurd aan [gedaagde] en de daarbij gevoegde overzichten. Ook in het overzicht van 1 november 2021 en in hoger beroep heeft [eiser] deze facturen steeds verrekend. De conclusie is dan ook dat de renteberekeningen die [eiser] ten grondslag legt aan haar vordering onjuist zijn. Bij het berekenen van haar vordering dient [eiser] uit te gaan van betaling van voornoemde bedragen door middel van verrekening, zoals hij ook heeft gedaan in het overzicht van 1 november 2021.
Leveringen met ordernummer [nummer]
5.16.
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de verrekening van twee facturen van [gedaagde] voor levering van hortensia’s in mei 2003 van in totaal € 29.769,69 ten onrechte niet betrokken in zijn vordering. [eiser] betwist de verschuldigdheid van deze facturen en voert aan dat hij deze facturen niet kent en dat deze nooit naar hem zijn gestuurd. Het verweer faalt. [gedaagde] beroept zich op een overzicht van [eiser] van 2003 waarin hij refereert aan de facturen van [gedaagde] van € 10.254,47 en € 27.902,57 (zie hiervoor onder 5.15). Het ordernummer dat daarbij wordt vermeld hoort echter bij de facturen van [gedaagde] uit mei 2003 van in totaal € 29.769,69. Hieruit volgt dat [eiser] klaarblijkelijk bekend was met dat ordernummer. [eiser] had een verklaring moeten geven waarom hij wel bekend was met het ordernummer, maar niet met de facturen die horen bij dat ordernummer. Onder de gegeven omstandigheden kan [eiser] niet volstaan met een blote betwisting van de verschuldigdheid en ontvangst van de facturen. De conclusie is dat de twee facturen van [gedaagde] uit mei 2003 van in totaal € 29.769,69 moeten worden verrekend met de vordering van [eiser] .
Betalingen van [gedaagde]
Betaling van 16 mei 2002
5.17.
[gedaagde] stelt een betaling te hebben gedaan van € 27.454,65 op 16 mei 2002, die ten onrechte niet is betrokken bij het berekenen van de vordering door [eiser] . Volgens [eiser] is dit onjuist en de rechtbank volgt hem daarin. [gedaagde] heeft niet betwist dat het bedrag dat staat vermeld op het door [gedaagde] overgelegde bankafschrift, hetzelfde bedrag is als het hiervoor onder r.o. 5.14 vermelde bedrag van € 27.447,15, vermeerderd met bankkosten. Die bankkosten van € 7,50 en het bedrag van € 27.454,65 staan ook vermeld op het bankafschrift. Daarmee staat voldoende vast dat deze betaling door [gedaagde] ziet op facturen die dateren van voor het overzicht, zodat de betaling niet meegenomen hoeft te worden in de vordering van [eiser] .
Betalingen van 28 juni 2007
5.18.
[gedaagde] stelt dat zij op 28 juni 2007 een betaling van € 50.000 heeft gedaan in vier tranches van € 12.500 die ten onrechte niet zijn meegenomen in het overzicht van [eiser] . Daarvan heeft zij een rekeningafschrift overgelegd. [eiser] betwist dat hij deze bedragen heeft ontvangen. Dat onderbouwt hij met een fax van 25 juli 2007 aan [gedaagde] , waarin staat dat hij al sinds mei 2007 geen geld meer heeft ontvangen van [gedaagde] en dat [eiser] van de heer [gedaagde] senior (hierna: [naam 4] ) heeft begrepen dat betalingen zijn teruggestort. Daarop heeft [gedaagde] bij fax van 22 augustus 2007 laten weten dat het opgegeven IBAN-kenmerk van [eiser] niet klopt, omdat er een cijfer mist. [eiser] wijst op zijn fax van 13 maart 2007 waarin een nieuw IBAN nummer wordt doorgegeven aan [gedaagde] . Wat hier ook van zij, gezien het bericht van [gedaagde] op 22 augustus 2007 blijkt voldoende dat [gedaagde] gebruik maakte van een onjuist bankrekeningnummer (één cijfer te weinig). Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen of er daadwerkelijk € 50.000,- is ontvangen door [eiser] en dient dit bedrag niet te worden betrokken bij het vaststellen van de vordering van [eiser] .
Reclamatie van [gedaagde]
5.19.
[gedaagde] heeft tot slot gewezen op de fax van 21 januari 2012 waarin [gedaagde] klaagt over het geleverde teeltmateriaal en aanspraak maakt op een schadevergoeding van € 14.608,00 (partijen noemen dit ‘de reclamatie’). [gedaagde] meent dat [eiser] het schadebedrag in mindering had moeten brengen op zijn vordering. Daartegenover voert [eiser] aan dat hij de reclamatie bij fax van 6 februari 2012 heeft betwist en dat [gedaagde] te laat geklaagd heeft omdat zij niet binnen de in de algemene voorwaarden voorgeschreven klachttermijn (binnen twee dagen na aflevering mondeling en binnen acht dagen schriftelijk, zie onder 3.8) heeft geklaagd. De klacht gaat over een levering in het voorjaar van 2011, aldus steeds [eiser] .
5.20.
Zoals hiervoor onder 5.10 overwogen zijn de algemene voorwaarden van toepassing op de overeenkomst en dus ook de daarin opgenomen klachttermijn. Van afwijkende afspraken tussen partijen op dit punt is niet gebleken. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] niet binnen de klachttermijn heeft geklaagd over het teeltmateriaal. Daarmee is niet komen vast te staan dat [gedaagde] recht heeft op schadevergoeding. [eiser] hoeft de gestelde schade dan ook niet te betrekken bij zijn vordering.
Tussenconclusie
5.21.
Het voorgaande betekent dat [eiser] bij de berekening van zijn vordering de hiervoor onder 5.15 en 5.16 genoemde bedragen (€ 10.254,47, € 27.902,57 en € 29.769,69) dient te betrekken.
Rente en hoogte daarvan
5.22.
[eiser] maakt primair aanspraak op een rente van 12% per jaar over openstaande facturen op grond van de algemene voorwaarden en subsidiair de contractuele rente van 10% per jaar vanaf de leverdata, zoals staat op de facturen van [eiser] . Meer subsidiair maakt [eiser] aanspraak op betaling van de wettelijke handelsrente.
5.23.
[eiser] heeft bij de primair, subsidiair en meer subsidiair gevorderde bedragen renteberekeningen overgelegd tot 2 december 2024. Later heeft [eiser] met aanvullende producties nieuwe renteberekeningen overgelegd, gebaseerd op een lagere hoofdsom. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] verklaard dat primair de renteberekeningen gelden zoals verwerkt in de onder 4.1 gevorderde bedragen, en subsidiair de nieuwe renteberekeningen.
5.24.
[gedaagde] voert aan dat er helemaal geen rente verschuldigd is. [gedaagde] betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, dat er een contractuele rente van 10% overeengekomen is en dat zij wettelijke (handels)rente moet betalen.
5.25.
Voor de beoordeling van dit geschilpunt moet de rechtbank vaststellen wat partijen hebben afgesproken met betrekking tot de rente. Dit is een kwestie van uitleg. Bij die uitleg komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.
5.26.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn partijen een rente van 10% overeengekomen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
5.27.
Op elke factuur van [eiser] staat het rentepercentage van 10%. [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat [eiser] die facturen steeds meebracht tijdens zijn bedrijfsbezoeken. Ook op de overzichten die [eiser] meenam naar [gedaagde] staat dat percentage. [gedaagde] heeft in dit verband naar voren gebracht dat zij de renteberekeningen van [eiser] steeds weersproken heeft. Dat blijkt echter alleen uit de fax van 13 januari 2012. Dat [gedaagde] in de periode daarvoor heeft geklaagd over de rente, is niet gebleken. Gezien de lange periode waarin niet over de rente is gesproken noch daartegen bezwaar is gemaakt door [gedaagde] – namelijk tussen 2002 tot eind 2011 – mocht [eiser] erop vertrouwen dat tussen partijen een rente van 10% per jaar over onbetaalde factuurbedragen gold. Dat in de algemene voorwaarden een rente van 12% staat maakt dit niet anders, omdat partijen hiervan in de praktijk structureel zijn afgeweken. Een en ander geldt te meer nu [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat zij bij het berekenen van de hoogte van haar laatste betaling aan [eiser] (onder 3.14) een rentepercentage van 10% heeft gehanteerd.
Facturering en ingangsdatum rente
5.28.
Uitgaande van de contractuele rente van 10% over openstaande factuurbedragen, maakt [eiser] aanspraak op die rente vanaf de respectievelijke leverdata van het teeltmateriaal. [gedaagde] voert aan dat geen rente kan worden berekend vanaf de leverdatum van het teeltmateriaal, omdat [eiser] de facturen structureel veel later opmaakte dan de leveringen. Ook konden er soms maanden zitten tussen de factuurdatum en de daadwerkelijke ontvangst van die facturen, aldus [gedaagde] .
5.29.
De overeengekomen ingangsdatum van de rente is, net zoals de hoogte van de rente, een kwestie van uitleg van de overeenkomst (zie 5.25). Op elke factuur van [eiser] staat dat de rente ofwel wordt gerekend vanaf de leverdatum (facturen tussen 2002 tot 2004) ofwel vanaf 30 dagen na de leverdatum (facturen vanaf 2005). Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat op een factuur verschillende leveringen van een bepaald type plant konden staan. De rente over de factuur werd dan berekend vanaf de laatste leverdatum van zo’n ‘pakketje’ leveringen. Zoals onder 5.27 al is overwogen, is niet gebleken dat [gedaagde] vóór 2012 ooit geklaagd heeft over de rente. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop [eiser] die rente berekende en de wijze waarop hij factureerde. Daarnaast bleef [gedaagde] tot 2011 bestellingen plaatsen bij [eiser] . Daarom mocht [eiser] erop vertrouwen dat tussen partijen is afgesproken dat de rente over de facturen van 2002 t/m 2004 ging lopen vanaf de laatste levering van een verzamelfactuur, en de rente over de facturen vanaf 2005 vanaf 30 dagen na de laatste levering van een verzamelfactuur.
5.30.
Ten aanzien van deze facturatiesystematiek doet [gedaagde] ook een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 80 van het Weens Koopverdrag (hierna: WKV), waardoor [eiser] zich niet meer kan beroepen op een tekortkoming van [gedaagde] . Gezien hetgeen hiervoor is overwogen gaat de rechter aan dit verweer voorbij.
Tussenconclusie
5.31.
Uit het voorgaande blijkt dat [eiser] een vordering heeft op [gedaagde] die bestaat uit openstaande facturen en verschuldigde rente. Hoewel de hoogte lager zal zijn dan hetgeen door [eiser] is gevorderd, resteert er onderaan de streep een vordering. Partijen mogen zich in een later stadium van de procedure uitlaten over de nog resterende vordering, waarbij [eiser] een nieuwe berekening in het geding kan brengen. Dat komt echter pas aan de orde als vast komt te staan dat het beroep op verjaring en rechtsverwerking van [gedaagde] faalt.
Verjaring
5.32.
[gedaagde] stelt dat de vordering van [eiser] verjaard is. Volgens [gedaagde] was de vordering van [eiser] verjaard voordat [eiser] op 30 december 2017 aanspraak maakte op betaling daarvan (zie hiervoor r.o. 3.17). [gedaagde] heeft in dit verband - samengevat - het volgende naar voren gebracht.
- [gedaagde] stelt primair dat de vorderingen zijn verjaard op uiterlijk 20 juli 2013. De facturen van 2009 tot en met 2011 zijn namelijk tijdig betaald, zodat de laatst mogelijke openstaande factuur die van 19 juni 2008 is. Alle mogelijke vorderingen van [eiser] ter zake van onbetaald gelaten facturen tussen juli 2002 en 19 juni 2008 zijn dan ook uiterlijk op 20 juli 2013 verjaard.
- [gedaagde] stelt subsidiair dat de vorderingen zijn verjaard op uiterlijk 5 oktober 2016. De laatste facturen waarvan [eiser] betaling vordert dateren van 5 augustus 2011. [gedaagde] heeft deze pas op 4 september 2011 ontvangen, en de facturen zijn op 5 oktober 2011 opeisbaar geworden. Alle mogelijke vorderingen van [eiser] ter zake van onbetaald gelaten facturen tussen juli 2002 en 11 augustus 2011 zijn dan ook uiterlijk op 5 oktober 2016 verjaard.
- [gedaagde] stelt meer subsidiair dat de vorderingen zijn verjaard op uiterlijk 27 juli 2017. Het allerlaatste contactmoment tussen partijen was de betaling door [gedaagde] op 26 juli 2012, waarmee de handelsrelatie definitief is geëindigd. De vorderingen van [eiser] zijn dan ook uiterlijk op 27 juli 2017 verjaard.
5.33.
De rechtbank stelt het volgende voorop. [eiser] vordert nakoming van een betalingsverplichting uit een overeenkomst. Voor de verjaring van een dergelijke vordering geldt op grond van artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een verjaringstermijn van vijf jaar, die ingaat op de dag nadat de vordering opeisbaar is geworden. Voor rentevorderingen geldt op grond van artikel 3:308 BW hetzelfde.
5.34.
Voor de bepaling van het moment waarop de verjaringstermijn is gaan lopen, kan niet worden aangesloten bij de primair door [gedaagde] gestelde datum van 19 juni 2008. [gedaagde] heeft weliswaar betalingen gedaan die overeen komen met de bedragen van de facturen van 2009 tot en met 2011, maar dat betekent niet dat [gedaagde] ten aanzien van die facturen volledig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Uit hetgeen hiervoor in 5.31 is overwogen, volgt dat [eiser] in 2008 een vordering had op [gedaagde] die niet alleen bestond uit (gedeeltelijk) openstaande facturen, maar ook uit de daarover verschenen rente van 10%. Zoals [eiser] terecht aanvoert, strekken de door [gedaagde] gedane betalingen op de facturen tussen 2009 en 2011 eerst in mindering op de verschenen rente (artikel 6:44 BW). Dit betekent dat ook de facturen tussen 2009 en 2011 en de rente daarover niet (volledig) zijn betaald.
5.35.
Vaststaat dat [eiser] in ieder geval tussen 2002 en 2011 aanspraak heeft gemaakt op betaling van de openstaande facturen en de daarover verschenen rente. Dat heeft hij onder meer gedaan door de persoonlijke overhandiging van facturen en totaaloverzichten van de nog openstaande som met renteberekeningen. In die berekeningen stond niet alleen de rente over de factuur, maar ook de rente die over de voorgaande facturen was verschenen. Door [gedaagde] is ter zitting verklaard dat [gedaagde] het overzicht van september 2011 van openstaande facturen en rente (in totaal een bedrag van € 379.241,07) heeft ontvangen. [gedaagde] stelt verder dat zij op 4 september 2011 twee facturen heeft ontvangen en dat deze facturen volgens haar op 5 oktober 2011 opeisbaar waren. Gezien deze omstandigheden zal de rechtbank uitgaan van 1 oktober 2011 als het moment waarop de verjaringstermijn is gaan lopen. Dat betekent dat de vordering van [eiser] op 1 oktober 2016 is verjaard, tenzij [eiser] die verjaring tijdig heeft gestuit.
Verjaring gestuit?
5.36.
Op grond van artikel 3:317 BW kan de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Het moet gaan om een voldoende duidelijke waarschuwing aan [gedaagde] dat zij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat zij de beschikking houdt over haar gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Voorwaarde daarbij is dat [gedaagde] had behoren te begrijpen dat [eiser] zich ondubbelzinnig haar recht voorbehoudt en dat voor [gedaagde] kenbaar is welke vordering wordt bedoeld. [4]
5.37.
[eiser] stelt dat zijn vordering niet is verjaard, omdat hij de verjaring op meerdere momenten tijdig heeft gestuit.
Schriftelijke aanmaningen en betalingsoverzichten tussen 2012 en 2017
5.38.
[eiser] stelt dat hij [gedaagde] tussen 2012 en 2017 diverse aanmaningen heeft gestuurd. [gedaagde] betwist dit. Gezien die betwisting, moet [eiser] op grond van artikel 150 Rv in samenhang met artikel 3:37 lid 3 BW bewijzen dat [gedaagde] de aanmaningen en overzichten heeft ontvangen. Omdat [eiser] geen faxbevestigingen heeft overgelegd, of andere stukken waaruit volgt dat [gedaagde] de aanmaningen heeft ontvangen, is [gedaagde] vooralsnog niet in dat bewijs geslaagd.
Bezoek aan [gedaagde]
5.39.
[eiser] stelt dat hij tussen 2012 tot 2017 twee keer per jaar onaangekondigd langs ging bij [gedaagde] en steeds met [naam 4] sprak over de stand van zaken, hem overzichten van de uitstaande vordering gaf en hem vroeg wanneer hij betaling kon verwachten. [eiser] stelt verder dat hij op 17 december 2014 samen met de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) een bezoek heeft gebracht aan [gedaagde] en daar een aanmaning van december 2014 heeft overhandigd aan de heer [naam 4] [eiser] heeft in dit verband gewezen op de verklaring van [naam 2] , waarin hij zegt dat hij heeft gezien dat die aanmaning overhandigd werd en dat [naam 4] heeft beloofd € 100.000,- te betalen op 15 januari 2015. Het resterende bedrag zou in etappes worden afbetaald.
5.40.
[gedaagde] betwist dat [eiser] [gedaagde] tussen 2012 en 2017 heeft bezocht en wijst erop dat dit ook niet gebruikelijk was omdat [eiser] al in 2010 is medegedeeld in het vervolg alleen nog op afspraak langs te komen. [gedaagde] betwist verder dat [eiser] en [naam 2] op 17 december 2014 bij haar in Duitsland zijn geweest. [gedaagde] wijst er onder meer op dat het niet mogelijk is om zonder afspraak langs te gaan bij het bedrijf en dat de verklaring van [naam 2] inhoudelijk op bepaalde punten niet kan kloppen of onaannemelijk is. Ook overlegt [gedaagde] verklaringen van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] die verklaren dat zij die dag allebei op het bedrijf waren en dat zij [eiser] en [naam 2] niet gezien hebben en dat dergelijke toezeggingen ook niet zelfstandig door [naam 4] gedaan zouden worden. [gedaagde] heeft verklaringen van andere medewerkers bijgevoegd die dit bevestigen.
5.41.
Gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] kan de rechtbank niet vaststellen dat [eiser] op 14 december 2014 of op andere momenten daadwerkelijk bij [gedaagde] is langs geweest, dan wel dat hij de verjaring toen heeft gestuit.
Vakbeurzen Duitsland en Italië
5.42.
[eiser] stelt dat hij [naam 3] om betaling van de vordering heeft verzocht tijdens jaarlijkse vakbeurzen in Duitsland. Ook heeft hij [gedaagde] aangesproken op de vordering tijdens een vakbeurs in Italië in september 2014. [gedaagde] betwist dat hij contact heeft gehad met [eiser] tijdens de beurzen in Duitsland. Ook voert hij aan dat hij niet aanwezig was bij de beurs in Italië in 2024 omdat hij toen op vakantie was. Dit ondersteunt [gedaagde] met verklaringen van vakgenoten waarmee [gedaagde] samenwerkte op de beurzen. Gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] kan de rechtbank niet vaststellen dat [eiser] [gedaagde] heeft aangesproken op de vordering tijdens de beurzen in Duitsland en Italië, dan wel dat hij een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling heeft overhandigd waarin hij ondubbelzinnig zijn recht op nakoming heeft voorbehouden.
Bewijsopdracht
5.43.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] niet is geslaagd te bewijzen dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. Voor een tijdige stuiting moet immers vaststaan dat [eiser] de verjaring heeft gestuit in de vijf jaar voorafgaand aan de aanmaning van 30 december 2017 en tegelijkertijd binnen vijf jaar na aanvang van de verjaringstermijn van 1 oktober 2011. [eiser] heeft bewijs aangeboden van het overhandigen van betalingsherinneringen en aanmaningen gedurende de voor de verjaring relevante periode. De rechtbank zal [eiser] daarom toelaten te bewijzen dat hij in de periode tussen 1 oktober 2011 en 30 december 2017 één of meermalen de verjaring van zijn vordering heeft gestuit.
5.44.
Als [eiser] bewijs door getuigen wenst bij te dragen, moet er bij het oproepen van getuigen rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 90 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.
Geen werkelijke proceskosten
5.45.
[eiser] vordert vergoeding van de werkelijke proceskosten op grond van artikel 7 lid 8 van de Plantum-voorwaarden (zie onder 3.7) en vraagt de rechtbank voordat einduitspraak wordt gedaan nog in de gelegenheid te stellen om opgave te doen van de gerechtelijke kosten. Zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd, verwijzen de Plantum-voorwaarden slechts naar de vergoeding van de ‘redelijke kosten ter verkrijging van voldoening’. In dat verband zijn de redelijke gerechtelijke kosten gelijk aan het wettelijk liquidatietarief. [eiser] heeft geen andere redenen aangevoerd waarom hij recht zou hebben op een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Mocht het in het eindvonnis komen tot een proceskostenveroordeling, dan kan [eiser] in beginsel slechts aanspraak maken op de proceskosten conform het liquidatietarief.
5.46.
In afwachting van de hiervoor bedoelde bewijslevering wordt iedere verdere beslissing (ook het beroep op rechtsverwerking) aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
draagt [eiser] op te bewijzen dat hij in de periode tussen 1 oktober 2011 en 30 december 2017 één of meermalen de verjaring van zijn vordering heeft gestuit,
6.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 24 december 2025voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.3.
bepaalt dat, als [eiser] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
6.4.
bepaalt dat, als [eiser]
getuigenwil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met april 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
6.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. L. Voetelink, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,
6.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 24 september 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2680.
2.Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.
3.Hof Amsterdam 24 september 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2680, r.o. 5.3.3-5.3.6.
4.Vgl. o.m. HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2274 en HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615.