Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:9363

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
11926112
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op plaatsing nieuwe bewoner in gehuurde woning zonder toestemming verhuurder

In deze kortgedingprocedure staat centraal of de stichting, huurder van een woning, een nieuwe bewoner mag plaatsen nadat de oorspronkelijke bewoners zijn vertrokken. De stichting stelt dat de huurovereenkomst haar dit recht geeft, terwijl de verhuurder dit betwist en stelt dat de toestemming eenmalig was voor de oorspronkelijke bewoners.

De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst de stichting niet het recht verleent om een nieuwe bewoner aan te wijzen. De oorspronkelijke bewoners worden bij naam genoemd en artikel 2.6 van de overeenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat deze toestemming eenmalig is. Ook de algemene voorwaarden bevestigen dit karakter. Communicatie tussen partijen toont dat geen afspraak is gemaakt over nieuwe bewoners.

De rechtbank wijst het verbod toe en legt een dwangsom van €250 per dag op bij overtreding. Daarnaast wordt de stichting veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur over november 2025 en de proceskosten. De gevorderde huur over december 2025 en incassokosten worden afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De stichting wordt verboden een nieuwe bewoner in de woning te plaatsen en veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11926112 \ KK EXPL 25-726

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 25 november 2025

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J. Jeths,
tegen

STICHTING JESHIVE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Stichting,
gemachtigde: mr. H. Loonstein.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.H.I. Hoestra als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] met haar echtgenoot, bijgestaan door de gemachtigde;
- namens de Stichting [naam 1] , bijgestaan door de gemachtigde.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht mede aan de hand van spreekaantekeningen. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1. De beoordeling

1.1.
Aangenomen wordt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, nu de woning leeg staat, partijen zich in een impasse bevinden en behoefte bestaat aan duidelijkheid.
1.2.
Het gaat in dit geschil om de vraag wat partijen zijn overeengekomen in de huurovereenkomst die ziet op de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Volgens de Stichting volgt uit de huurovereenkomst dat zij als huurder medewerkers van de Stichting in de woning kan plaatsen. Nu de bewoners, de familie [naam 2] zijn vertrokken, mag de Stichting een nieuwe bewoner in de woning plaatsen. [eiser] betwist dit en stelt dat uit de huurovereenkomst volgt dat de Stichting slechts eenmalig toestemming heeft gehad om de woning te huren ten behoeve van de familie [naam 2] .
1.3.
Het voorlopig oordeel is dat de huurovereenkomst de Stichting niet het recht geeft om een nieuwe medewerker van de Stichting in de woning te plaatsen na het vertrek van de familie [naam 2] . In de huurovereenkomst staat de familie [naam 2] bij naam als bewoner genoemd en in artikel 2.6 van de huurovereenkomst staat uitdrukkelijk dat het vermelden van deze bewoner als een eenmalige toestemming van verhuurder geldt. De verwijzing naar artikel 6.2 van de algemene voorwaarden, welk artikel ook geldt in de verhouding tussen partijen, benadrukt het eenmalig karakter van de afspraak. Ook de gang van zaken bevestigt dit eenmalige karakter. De familie [naam 2] heeft de woning in 2020 zelf gevonden en uiteindelijk is ervoor gekozen om de Stichting als huurder in de huurovereenkomst op te nemen. Uit de wijze waarop vanuit de Stichting over het vertrek van de familie [naam 2] is gecommuniceerd is met verhuurder blijkt niet dat is afgesproken de Stichting het recht had om nieuwe bewoners aan te wijzen. De heer [naam 1] heeft immers aangegeven dat de Stichting de woning graag wil blijven huren na het vertrek van de familie [naam 2] . Daaruit volgt dat het duidelijk was voor de Stichting dat geen sprake is van een afspraak dat zij een nieuwe bewoner in de woning kan plaatsen en dat [eiser] daartegen alleen in redelijkheid bezwaar zou kunnen maken. Zo liggen de verhoudingen niet. Daarbij komt dat eigendom is het meest absolute recht wat er is. Er geldt in dit kader geen billijkheidsverplichting om iemand als huurder te accepteren.
1.4.
Dat betekent dat de vordering de Stichting te verbieden de woning in gebruik te geven aan een door de Stichting aan te wijzen bewoner dan wel een derde, toewijsbaar is. De dwangsom hierop is eveneens toewijsbaar, nu [eiser] hier belang bij heeft. De kantonrechter ziet aanleiding om deze te matigen naar € 250,00 per dag.
1.5.
Ten aanzien van de gevorderde huur over de maand november 2025 (€ 3.094,48) is niet gebleken dat er is afgesproken dat deze niet verschuldigd is. Er is niet duidelijk afgesproken wat er met deze maand huur zou gebeuren hangende deze procedure. De Stichting heeft voorts aangegeven dat mocht zij in deze procedure ongelijk krijgen, zij de maand november 2025 alsnog zal betalen. Nu [eiser] gelijk krijgt en niet is gebleken dat er andere afspraken zijn gemaakt, is de vordering toewijsbaar. De gevorderde huur over de maand december 2025 is niet toewijsbaar, nu deze nog niet verschuldigd is.
1.6.
De gevorderde incassokosten worden afgewezen, nu niet gesteld of gebleken is dat [eiser] daadwerkelijk enige incassowerkzaamheden heeft verricht.
1.7.
De Stichting is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
257,00
- salaris advocaat
543,00
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.011,97
2. De beslissing
De kantonrechter
2.1.
verbiedt de Stichting per datum van dit vonnis de woning aan de [adres] in gebruik te geven aan een door de Stichting aan te wijzen bewoner dan wel een derde en te bepalen dat wanneer gedaagde zich niet aan deze ordemaatregel houdt een dwangsom van € 250,00 per dag verbeurt totdat de ordemaatregel op een juiste wijze wordt nagekomen,
2.2.
veroordeelt de Stichting om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.094,48 aan achterstallige huur over de maand november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf de opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,
2.3.
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 1.011,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
2.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
2.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.P. Ploeger en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.