ECLI:NL:RBAMS:2025:9400

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
24 / 7676 en 24 / 7678
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens voldoende arbeidsgeschiktheid bevestigd

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beëindiging van haar Ziektewet-uitkering door het UWV, omdat zij van mening is dat haar psychische en lichamelijke beperkingen onderschat zijn en zij de geduide functies niet kan verrichten. Het UWV baseerde zijn besluiten op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die beperkingen hebben vastgesteld, maar oordeelden dat eiseres meer dan 65% arbeidsgeschikt is.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsartsen zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht, waaronder fysieke spreekuren, dossieronderzoek en een hoorzitting. De vastgestelde beperkingen in lopen, staan, tillen, traplopen en reiken zijn erkend, maar eiseres heeft niet voldoende onderbouwd waarom deze ontoereikend zouden zijn of waarom er aanvullende beperkingen gelden.

Ook het standpunt van eiseres dat er onterecht geen beperkingen zijn aangenomen voor autorijden en urenbeperking is door de rechtbank verworpen, omdat de medische rapporten dit gemotiveerd weerleggen en eiseres geen tegenbewijs heeft geleverd. De arbeidsdeskundige heeft passende functies geduid die eiseres medisch gezien kan verrichten.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst de verzoeken om griffierechtteruggave en proceskostenvergoeding af en bevestigt dat de Ziektewet-uitkering terecht is beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7676 en AMS 24/7678

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. L. Schreuders).

Procesverloop

1. Met een besluit van 5 februari 2024 heeft het Uwv de Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) van eiseres beëindigd per 6 maart 2024.
2. Met een besluit van 22 april 2024 heeft het Uwv de ZW-uitkering van eiseres beëindigd per 26 april 2024.
3. Met een besluit van 26 juni 2024 heeft het Uwv de aanvraag voor een ZW-uitkering van eiseres afgewezen per 1 mei 2024.
4. Met twee besluiten van 14 november 2024 (de bestreden besluiten) op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij voornoemde besluiten gebleven.
5. Eiseres heeft beroepen ingesteld tegen de bestreden beschikkingen. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
6. De rechtbank heeft de beroepen op 23 oktober 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn – met voorafgaand bericht van afmelding – niet verschenen.

Standpunt partijen

7. Eiseres vindt dat haar ZW-uitkering ten onrechte is beëindigd. Zij vindt dat haar psychische en fysieke beperkingen zijn onderschat en dat zij de geselecteerde functies niet kan uitvoeren. Eiseres vindt dat de verzekeringsarts haar aandoeningen heeft onderschat en dat hij meer beperkingen had moeten aannemen. Daarnaast meent zij dat er een urenbeperking had moeten worden vastgesteld.
8. Het Uwv blijft bij het standpunt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd dan wel afgewezen. Het Uwv verwijst naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 en 8 november 2024. Daarin staat dat op de door eiseres genoemde gebieden al beperkingen zijn aangenomen. Eiseres heeft niet uitgelegd of onderbouwd waarom deze beperkingen volgens haar niet voldoende zijn. Het Uwv erkent dat eiseres medische klachten en beperkingen heeft, maar bij het vaststellen van de Zw-uitkering kijkt het Uwv naar de medisch vastgestelde afwijkingen en niet naar hoe eiseres haar klachten zelf ervaart.

Het oordeel van de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft bepaald dat eiseres op 6 maart 2024, 26 april 2024 en per 1 mei 2024 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering, omdat zij meer dan 65% arbeidsgeschikt is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
10. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De medische grondslag van het bestreden besluit
11. De rechtbank ziet dat partijen het niet eens zijn over de mate van arbeidsongeschiktheid. Het Uwv erkent dat eiseres gezondheidsklachten heeft en heeft daarvoor beperkingen vastgesteld. Ook de rechtbank twijfelt er niet aan dat eiseres door haar gezondheid wordt beperkt. Dat betekent echter niet automatisch dat zij arbeidsongeschikt is. Hoe eiseres haar klachten zelf ervaart, is niet doorslaggevend. In de wet over arbeidsongeschiktheid gaat het erom of iemand – op basis van medisch en objectief onderzoek en met alle beperkingen meegerekend – nog in staat is om bepaalde werkzaamheden te verrichten.
12. Het Uwv mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen. Ze moeten zorgvuldig tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de bevindingen. Het is aan eiseres om uit te leggen – en zo nodig aannemelijk te maken – dat de rapporten waarop het Uwv zijn besluiten baseert niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus nodig.
13. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen zorgvuldig medisch onderzoek verricht. Eiseres is door de primaire verzekeringsarts onderzocht tijdens het fysieke spreekuur van 19 januari 2024. Daarnaast is er dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft haar situatie opnieuw beoordeeld en eiseres gezien tijdens de hoorzitting op 4 november 2024. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle medische informatie van eiseres bij de beoordeling betrokken, waaronder de gegevens van de huisarts, het duplexonderzoek en de informatie van [zorginstelling] . De algemene stelling van eiseres dat haar psychische en lichamelijke klachten niet serieus genoeg zijn genomen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
14. Eiseres stelt dat zij beperkingen ervaart in langdurig lopen en staan, tillen en traplopen
.De verzekeringsartsen hebben deze klachten erkend. Zij hebben vastgesteld dat er bij eiseres sprake is van een hypermobiliteitsspectrum aandoening. Daarbij zijn klachten zoals pijn, spierverzwakking en luxerende gewrichten passend. De verzekeringsartsen hebben daarom beperkingen gesteld in lang lopen en staan, zwaar tillen en dragen, in traplopen en in reiken. Dit is uiteengezet in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 november 2024. De rechtbank ziet in de enkele stelling van eiseres dat zij meer functionele beperkingen heeft dan het Uwv aanneemt geen aanleiding om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten. Eiseres heeft niet toegelicht om welke functionele beperkingen het gaat of waarom de vastgestelde beperkingen onvoldoende zijn meegewogen. Daarnaast heeft zij geen medische stukken overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat de vastgestelde beperkingen ontoereikend zijn. Evenmin heeft zij aangetoond dat er andere beperkingen zijn waarmee rekening had moeten worden gehouden.
15. Eiseres stelt verder dat er ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen voor autorijden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. In zijn rapport van 8 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd waarom geen beperkingen op dit gebied worden aangenomen. Volgens de verzekeringsarts zijn er geen medische redenen die een beperking rechtvaardigen, aangezien er geen ernstige aandoeningen zijn die de alertheid zouden kunnen verminderen. Eiseres heeft niet aangetoond en niet met medische documenten onderbouwd waarom in haar geval wel sprake zou zijn van dergelijke beperkingen.
16. Eiseres stelt tot slot dat er ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 november 2024 gemotiveerd toegelicht waarom er geen aanleiding is om zo’n beperking aan te nemen. Eiseres valt niet onder een van de criteria genoemd in de "Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid". Eiseres heeft weliswaar klachten van vermoeidheid en slecht slapen, maar er is geen sprake van een ziekte waarbij het gangbaar medisch aannemelijk is dat deze gepaard gaat met een stoornis in de energiehuishouding. Ook is geen sprake van verminderde beschikbaarheid, in medische zin, noch van een preventieve reden. Eiseres heeft niet uitgelegd waarom deze conclusie volgens haar niet klopt. Eiseres heeft niet met medische stukken onderbouwd waarom een urenbeperking aangenomen moet worden.
De arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit
17. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 november 2024 functies voor eiseres geduid. Eiseres heeft geen arbeidsdeskundige gronden aangevoerd. De rechtbank beperkt zich daarom tot de vraag of de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn. Uitgaande van de juistheid van de FML is de rechtbank niet gebleken dat eiseres de werkzaamheden die horen bij de geduide functies niet zou kunnen verrichten. De arbeidsdeskundige heeft inzichtelijk gemaakt dat en op grond waarvan de geduide functies passend zijn. Verweerder heeft deze functies daarom aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag mogen leggen.

Conclusie en gevolgen

18. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.