Op 2 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door het Kantongericht van Moers, Duitsland. De officier van justitie had op 16 oktober 2025 verzocht om de behandeling van het EAB, dat betrekking heeft op strafbare feiten die de opgeëiste persoon naar Duits recht zou hebben gepleegd. De opgeëiste persoon, geboren in Iran, is tijdens de zitting op 18 november 2025 verschenen, bijgestaan door zijn raadsman en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.
De raadsman voerde aan dat het EAB ongenoegzaam was, omdat de maximumstraf in Nederland voor bepaalde feiten niet toereikend zou zijn voor overlevering. De officier van justitie betoogde echter dat het EAB voldoende informatie bevatte en dat de vereisten voor dubbele strafbaarheid waren voldaan. De rechtbank oordeelde dat het EAB aan de eisen voldeed en dat de feiten voldoende waren omschreven, inclusief de omstandigheden waaronder deze waren gepleegd. De rechtbank verwierp het verweer van de raadsman en concludeerde dat er geen weigeringsgronden waren voor de overlevering.
Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten de overlevering toe te staan, waarbij zij de relevante wetsartikelen en de voorwaarden voor overlevering in acht nam. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, met mr. J.G. Vegter als voorzitter, en is openbaar uitgesproken op dezelfde datum.